Toen Rosalie Dielesen 15 was, ging haar moeder weg. Als feminist heeft ze begrip voor de benauwde en oneerlijke positie waarin veel moeders zich bevinden. Tegelijkertijd is haar verlangen naar een zorgzame, belangstellende moeder groot.
Ik sta in een café en staar naar mijn telefoon. Het scherm is zwart, mijn reflectie is erin gevangen. Dan licht het scherm op: een appje van een vage kennis. ‘Gefeliciteerd!’ met vijf emoji’s die niets zeggen. Niet de naam waar ik op hoop. Mensen beginnen te zingen.
De deur gaat open en mijn vriend komt binnen met een klein taartje, drie kaarsjes erin geprikt.
‘Je bent bijna 30’, zegt hij lachend.
Ik lach mee, maar mijn kaak blijft stijf. Ik ben 27, bijna 30. Het klinkt als een grens waarachter verwachtingen schuilen: huwelijk, kinderen, hypotheek, volwassenheid in een strak keurslijf. Hij houdt het taartje voor mijn gezicht. ‘Wel een wens doen, hè.’ Ik blaas de kaarsjes uit.
Hij maakt een foto en laat die aan me zien. Ik bestudeer mijn gezicht zoals ik dat vaker doe, alsof het bewijsmateriaal is. Ik zie mijn moeder steeds vaker terug in mijn weerspiegeling. Ik kijk van opzij, van achteren, onder een scheef licht dat elk detail benadrukt. Ik begin altijd bij mijn ogen: grijs met een vleugje groen en een randje blauw. Mijn trekken zijn een mengeling van mijn vader en mijn moeder. Als ik mijn hoofd draai, controleer ik mijn neus – echt die van mijn vader: klein, bijna jongensachtig, met een lichte bolling. Mijn lippen zijn van mijn moeder, met een moedervlek erboven, als een accent aigu dat benadrukt wat niet uitgesproken mag worden. Mijn kaaklijn is een compromis tussen hen: zijn zachtere ronding, haar hoekigheid. Op zoek naar houvast kan ik mezelf zo uren bestuderen, het resultaat van twee mensen die elkaar verlieten. Van een moeder die mij verliet.
We woonden met ons gezin in het buitenland; ik was 15 toen ze op vakantie ging en niet meer terugkwam. Althans, dat denk ik. Zeker weet ik het niet meer. Mijn herinneringen aan die periode zijn wazig, waardoor het moment waarop ze even weg was en het moment waarop haar vertrek definitief werd, in elkaar overlopen. Mijn vader nam de zorg voor ons op zich en het onderwerp bespraken wij verder niet.
Als oudste zus voelde ik me verantwoordelijk voor het gezin – ik was nu de oudste vrouw in het huishouden. Na een tijdje ontving ik hier en daar nog een bericht van haar – vasthouden en weer loslaten. Eerlijk gezegd weet ik niet wanneer iemand écht niet meer terugkomt; zolang ik leef, blijft de kans altijd bestaan. Kan iemand helemaal weggaan of is iemand er nooit echt geweest?
Ook toen mijn moeder er nog wél was, leek ze niet op de moeders uit televisiereclames. De moeders waarnaar ik soms kan verlangen – al voelt dat verlangen tegenwoordig bijna ongepast. Neem bijvoorbeeld Ilse, de vorige supermarktmanager van Albert Heijn, gespeeld door Randy Fokke: een professionele krachtpatser én de huiselijke spil van haar gezin. Overdag runt ze de winkel, ’s avonds staat ze vanzelfsprekend in de keuken voor haar kinderen. Werk en zorg worden hier voorgesteld als moeiteloos verenigbaar, bijna vanzelfsprekend. Datzelfde gold voor het moederideaal uit de Robijn-reclames, waar moeders niet alleen chocoladevlekken verwijderen, maar ook pleisters plakken op kapotte knieën. Ze lijken het moederschap moeiteloos te dragen, en er zelfs plezier in te hebben. Dat is een beeld dat mij altijd heeft aangetrokken — en dat ik uit mijn eigen leven niet ken.
Door films en tv ben ik opgegroeid met beelden van allerlei soorten moeders. De moeder in Carrie (1976) verstikt haar dochter met religieuze angst; de moeder in Forrest Gump (1994) draagt haar zoon onwankelbaar de wereld in. In The Joy Luck Club (1993) worstelen moeders met hun eigen trauma’s en verwachtingen, maar hun aanwezigheid wordt altijd gewogen en gecorrigeerd door het lot van hun dochters.
Disneyfilms zoals Bambi (1942) , De kleine zeemeermin (1989) en Belle en het beest (1991) maken de dood van de moeder in het verhaal overzichtelijk. Maar wat vrijwel nooit voorkomt, is de moeder die leeft en toch geen deel meer uitmaakt van het leven van haar kind. Zoals mijn moeder. Ze trok de deur achter zich dicht en kwam, voor mij, nooit meer terug. Ze bestaat, maar niet in de verhalen die we vertellen. En omdat ze cultureel ondenkbaar is, is het ook moeilijk om te spreken over wat haar afwezigheid teweegbrengt.
Die ondenkbaarheid werkt door in hoe we moederschap begrijpen. ‘Mama’ en ‘papa’ behoren in veel talen tot de woorden die kinderen vroeg leren, deels omdat de klanken gemakkelijk te produceren zijn en deels omdat ze een cultureel geladen betekenis dragen. Diegenen die jou hebben voortgebracht, horen jou te dragen. Maar wanneer wordt iemand eigenlijk een moeder? Door te baren? Door te zorgen? Door te blijven? In dominante verhalen vallen die drie samen. Een moeder die baart maar niet blijft, zet het hele begrippenapparaat onder druk en laat het kind achter met de taak die breuk betekenis te geven.
Ik zoek het antwoord op deze vragen obsessief in cultuur en literatuur. Ik zocht naar manieren om mijn moeder te begrijpen, maar ook probeerde ik uit te vogelen wat haar vertrek over mij zegt als dochter. De afgelopen jaren zijn er veel boeken verschenen vanuit het perspectief van de moeder. Over het kerngezin, dat geen natuurlijk gegeven is, maar een sociaal geconstrueerd ideaal.
In haar pamflet De mythe van het gezin (2024) gaat historicus Lotte Houwink ten Cate in op de idealen rond moeder en gezin. Na de industriële revolutie werkten mannen in fabrieken of kantoren, terwijl vrouwen thuiszaten met huilende baby’s op schoot. Mannen vertegenwoordigden het rationale domein, vrouwen het affectieve en zorgzame – een victoriaanse ideaalbeeld die nog altijd diep verankerd is in onze verwachtingen over gender en gezin. Dit bleef de norm, ook toen de samenleving evolueerde. Geen wonder dat vrouwen, moeders, hiertegen in opstand komen: het is onhaalbaar, achterhaald en bovendien een seksistisch ideaal. Als feminist snap ik dat.
Ik las ook over de ambivalente gevoelens die bij het moederschap horen, over de oneerlijke taakverdeling, over hoe vrouwen klem kunnen komen te zitten in een samenleving die moederschap als hun natuurlijke bestemming ziet.
In Breakdown (2024), het debuut van de Ierse schrijfster Cathy Sweeney, verlaat een moeder haar comfortabele middenklassebestaan in een buitenwijk van Dublin. Ogenschijnlijk impulsief, maar met gevolgen die definitiever zijn dan zij kan overzien. Het boek geeft zorgvuldig ruimte aan haar ambivalentie en haar verlangen naar autonomie. Wat ik miste, was het perspectief van het kind. Wat betekent dit vertrek voor degene die achterblijft?
Op een vergelijkbare manier verrijkt schrijver Rachel Cusk met haar Outline-trilogie (2014) het gesprek over moederschap door ruimte te maken voor twijfel, verlies en ambivalentie. Die ruimte is noodzakelijk: het laat zien hoe complex het is om moeder te zijn. Maar juist doordat die ruimte zo groot wordt, viel mij iets op: ook hier ontbreekt het perspectief van de dochter. In de verhalen over moederschap, hoe eerlijk of radicaal ook, lijkt vaak vergeten te worden dat naast iedere moeder ook een kind leeft dat meebeleeft, voelt en soms moet navigeren door afwezigheid, afstand of spijt.
Ik betrap mezelf erop dat ik Simone de Beauvoir zou willen bellen met één simpele vraag: kun je pleiten voor gelijkheid in het gezin, en tegelijkertijd intens verlangen naar een zorgzame moeder?
Voor een kind betekent het vertrek van de moeder een structureel gemis. Geen eenmalige wond, maar iets dat telkens opnieuw wordt aangeraakt: bij een eerste menstruatie, een eerste baan, samenwonen, verjaardagen. Om dat perspectief ruimte te geven, schreef ik mijn roman Je moeder, over een dochter die heeft geleerd hoe ze om haar moeder heen beweegt: wanneer ze haar met rust laat, hoe ze de lieve vrede bewaart, en vooral hoe ze niet tot last is. Tot haar moeder vertrekt. Wat overblijft is de vraag: hoe heb je lief zonder ooit onvoorwaardelijke liefde te hebben gekend?
Met het woord ‘moeder’ worstel ik. Ik gebruik het zelden voor de vrouw die mij baarde, ik noem haar bij haar voornaam. In intieme kringen lukt dat. Maar zodra ik aan buitenstaanders moet uitleggen wie zij is hapert er iets. Dan zoek ik naar termen als ‘biologische moeder’, alsof taal mij kan beschermen tegen de verwachtingen die aan het woord kleven. Tegenwoordig zou ik mijn moeder misschien wel ‘een spijtmoeder’ kunnen noemen. Ik hoorde de term voor het eerst in de documentaire Spijtmoeders (2024) van Milou Gevers. Het gaat om vrouwen die geen spijt hebben van hun kind, maar wel van het moederschap zelf — van het verlies aan autonomie en identiteit. Deze verhalen zijn belangrijk. Ze halen het moederschap van zijn voetstuk. Maar ze roepen ook een vraag op: wat betekent deze spijt voor de kinderen?
Ook in Spijt van het moederschap (2022) benadert de Israëlische socioloog Orna Donath spijt als een feministische kwestie. Op basis van jarenlang onderzoek en interviews met vrouwen van uiteenlopende achtergronden trekt zij de aanname in twijfel dat elke vrouw bestemd zou zijn voor het moederschap. Cijfers over hoeveel vrouwen spijt hebben van hun moederschap zijn er niet, wel blijkt uit Donaths onderzoek dat tussen de 8 en de 11 procent van ouders spijt kan hebben van het ouderschap. Hierin specificeert ze niet of ze zijn weggegaan. Het perspectief van een spijtmoeder is noodzakelijk. Maar empathie voor de moeder mag het kind niet onzichtbaar maken. Want voor elke spijtmoeder is er een kind dat leert leven met afstand, stilte of vertrek.
Ik probeer het te begrijpen. Ik probeer empathie op te brengen voor de moeder die eindelijk haar waarheid mag spreken en ruimte krijgt voor de ‘lelijke’ kanten van het moederschap. Soms herken ik die gevoelens ook in mezelf. Wat ik moeilijk vind, is de manier waarop het moederschap daarbij losgekoppeld raakt van het kind. Zonder het kind is er geen moederschap.
Ik kan spijt hebben van het moederschap moeilijk los zien van spijt hebben van mij. Dat verband wordt in veel gesprekken ontkend, alsof het een denkfout is, terwijl het voor het kind een existentiële werkelijkheid is. Tegelijk vraag ik me af wie eigenlijk bepaalt dat er sprake is van spijt. Wie ben ik om te zeggen dat mijn moeder spijt heeft gehad? Is dat mijn interpretatie, mijn pijn, of een verhaal dat ik mezelf vertel om het vertrek begrijpelijk te maken?
Ik moet vaak denken aan mijn Franse juf. Ze had ongeveer dezelfde leeftijd als ik nu, en had een knoeperd van een buik – ze was zes maanden zwanger. Ik was vaak moe in de les en mijn cijfers gingen achteruit. Toen ik voor de zoveelste keer niet oplette, vroeg ze mij even te blijven zitten tijdens de pauze. Op haar bureau stond een foto van haar en haar man, ze omhelzen beiden een zwarte labrador. Haar gezin leek uit een brochure voor emotionele stabiliteit te komen. In psychologische termen: veilig gehecht. Ik zat tegenover haar, mijn lichaam afgeschermd zoals ik dat toen vaker deed. Dan vraagt ze op een net iets te bedachtzame toon:
‘Hoe is het eigenlijk thuis?’
Ik zag aan haar blik dat ze het antwoord op deze vraag deels al wist, de speelplaats is de grootste roddelkrant.
‘Prima, goed hoor’, antwoordde ik opgewekt.
Ik had geen zin om hier verder over te praten, vooral omdat ik ook niet zo goed wist wat ik het beste kon zeggen. De geveinsde opgewektheid begreep ze verkeerd, daarom vroeg ze door:
‘Ik heb van de directeur gehoord dat je je moeder al een tijdje niet hebt gezien. Vervelend. Hoe komt dat denk je?’
‘Goede vraag’, zei ik snel, en keek weer naar beneden. Ik voelde de tranen prikken. Ze stond op, liep naar me toe en legde haar armen om me heen.
‘Ach schat, wat hebben jullie gedaan? Wat is er gebeurd?’
Ook mijn tranen begreep ze verkeerd. Het waren geen tranen van verdriet, maar van woede. Ik snapte toen niet wat ze hiermee bedoelde. Ik weet nog wel precies wat ik toen dacht: waarom is dit ook weer mijn schuld? Ik bleef stil en wachtte tot de knuffel voorbij was.
‘Ik kan mij gewoon niet voorstellen dat een moeder dat zou doen. Ik zou dat nooit kunnen’, zei ze.
Als ik er langer over nadenk, durf ik te zeggen dat zij misschien eenvoudigweg geen woorden had voor mijn situatie en het net als ik niet begreep. Dat ze er, met haar eigen kind in aantocht, misschien ook niet te diep over wilde nadenken. Sommige dingen vinden we als samenleving zo ontwrichtend, een moeder die haar kind verlaat bijvoorbeeld, dat we er geen taal voor hebben, of die taal liever vermijden. Misschien had mijn juf de woorden niet omdat het uitspreken ervan het bestaan van de moeder die vertrekt zou bevestigen. Door erover te spreken, door woorden te geven aan dat vertrek, wordt zo’n moeder minder taboe. Wat ik heb geleerd tijdens het schrijven van mijn boek, en wat ik steeds probeer, is het moederschap te benaderen in al zijn ambiguïteit – met empathie voor de moeder, met begrip voor twijfel, uitputting en het verlangen naar autonomie. Maar empathie kan niet los worden gezien van verantwoordelijkheid.
In een essay voor de Volkskrant schreef Haroon Ali: ‘Voor veel mensen zal een familiebreuk een open wond blijven, vooral als het contact niet door jou maar door de ander wordt verbroken.’ Die zin raakte me, omdat hij benoemt wat in veel gesprekken ontbreekt: breuken zijn niet symmetrisch. Degene die vertrekt kan iets afsluiten, terwijl degene die achterblijft moet leren leven met een vraag die nooit wordt beantwoord. Voor dochters van moeders die zijn vertrokken ontstaat zo een extra laag van zwijgen. Mag je verdriet hebben als je moeder het zelf ook moeilijk had? Mag je rouwen om iets dat iemand anders bewust heeft opgegeven? De Amerikaanse onderzoeker Pauline Boss noemt dit ambigue rouw: rouw om iemand die nog leeft, maar die emotioneel of relationeel afwezig is. Het gaat om rouw zonder ritueel, zonder afsluiting, zonder maatschappelijk erkend moment van verlies.
Deze rouw past slecht in klassieke modellen. Hoe rouw je om iemand die leeft? Wat valt er te aanvaarden of te begraven? Het is cyclisch, terugkerend: bij een gesprek over ouders, een foto aan de muur, een achteloze verjaardagsfoto. Steeds opnieuw wordt het gemis geactiveerd, zonder ooit volledig te kunnen worden afgesloten.
Onlangs overleed mijn oma, ze kreeg een prachtige en passende begrafenis voor haar leeftijd. Terwijl ik daar zat moest ik nadenken over de begrafenis van mijn eigen moeder, die ooit zal komen. Daar zou het scenario simpel zijn: als dochter zou ik condoleances krijgen. Als ik nu over haar vertel, krijg ik vragen als: waarom is er geen contact? Heb je dat zelf zo gewild? Kun je het niet uitpraten? Deze vragen impliceren keuze en verantwoordelijkheid, wat ik snap, want uiteindelijk wil je zelf ook het liefste dat het op een of andere manier goedkomt. Aan de andere kant verschuift zo de last van het vertrek naar het kind. Ik zie mijn schuldgevoel niet per se als een individueel falen, maar als een logisch gevolg van een cultuur die moederschap idealiseert.
Er is een scène uit Gilmore Girls waaraan ik vaak moet denken. De serie wordt vaak geprezen om de hechte band tussen Lorelai en Rory, een moeder-dochterrelatie die zowel vriendschappelijk als opvoedkundig is. In de bewuste scène kruipt Lorelai ’s nachts bij Rory in bed en vertelt haar opnieuw over de geboorte: het bloed, de pijn en de blik in haar ogen toen ze haar voor het eerst vasthield. En altijd diezelfde zin: ‘Ik vind je een geweldig kind en de beste vriendin die een meisje, zoals ik, kan hebben.’
Hoe fijn zou het zijn om zo gezien te worden door iemand. Elk jaar opnieuw, door dezelfde vrouw, met dezelfde tedere woorden. Misschien verlang ik niet zozeer naar een moeder, maar naar iemand die mijn verhaal vertelt. Niet het verhaal over studies en banen, maar het allereerste hoofdstuk. Iemand die zegt: je kwam met veel pijn, maar ook met licht. Je had een enorm hoofd, maar je was prachtig. Je bestond, en we hielden van je nog voor je kon praten. Maar als er niemand is om je die herinneringen te vertellen, vervagen ze en kun je ze moeilijk ophalen.
Terwijl ik dit opschrijf, met een knoop in mijn maag, kan ik alleen maar denken: wie ben ik om die ruimte in te nemen in dit verhaal? Het voelt onnatuurlijk als dochter. Goede dochters horen dat niet te doen. Goede dochters rouwen in stilte, kiezen zelf voor het moederschap met de hoop dat zij het beter zullen doen. Maar hoe word je moeder zonder zelf een voorbeeld te hebben gehad? Hoe bouw je een huis zonder blauwdruk? Ik ben voorzichtig, soms krampachtig, als het gaat om kinderen krijgen. Niet alleen uit angst om het verkeerd te doen, maar ook uit angst voor spijt. Want ik weet hoe die spijt wordt gevoeld aan de kant van het kind.
Ik probeer het moederschap af te kijken van moeders uit mijn omgeving, net zoals in die reclames, maar dan échter. Als een vriendin mij meevraagt voor een wijntje met haar moeder op het terras, observeer ik minutieus hoe vaak ze elkaar omhelzen, hoe dicht ze bij elkaar gaan zitten. Ik kijk naar mijn tante die mijn nichtjes zoent voordat ze naar bed gaan, ook al zijn ze allemaal volwassen. Ik luister naar de bemoedigende woorden van mijn uitgever, die mij tijdens het schrijven van mijn roman moed insprak, en schrijf ze op om ze later te kunnen herhalen voor mijn mogelijke kinderen. Misschien kies ik nooit voor die kinderen. Misschien ook wel. Eén ding weet ik zeker: het wordt geen vergissing. Geen geschiedenis die zich ongemerkt herhaalt. En als iemand me vraagt of ik spijt heb, zal ik zeggen: nee. Omdat ik heb gekozen. Bewust. Met open ogen.
Laten we de ambiguïteit van het moederschap blijven omarmen – vieren zelfs. Maar laten we het tegelijkertijd hebben over de onzichtbare kinderen, anders is het verhaal incompleet. Niet om moeders te idealiseren of te veroordelen, maar om ruimte te maken voor wie achterblijft. Misschien kunnen we dan, al is het maar even, terugkeren naar dat meisje in het café. Starend naar een foto op een scherm. Verlangend naar één berichtje. Haar moeder die appt: nu ben je écht jarig.
De roman van Rosalie Dielesen ‘Je moeder’ is verschenen bij Zwartjes & Labovic.
Dit is een artikel uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant