Metamorfosen De ‘Metamorfosen’ van de Romeinse dichter Ovidius inspireren al 2000 jaar kunstenaars. In het Rijksmuseum is nu de rijke oogst te zien, van Bernini tot Bourgeois. Maar waarom hebben zoveel verhalen met verkrachting te maken?
Aankomst van de bruikleen: Gian Lorenzo Bernini (1598–1680), Slapende Hermaphroditus, ca. 1620.
In het laatste boek van de Metamorfosen, tweeduizend jaar geleden geschreven door Ovidius, vraagt de Romeinse dichter zich af: de pauw, de arend, de duif, ja elke vogelsoort: „Wie zou geloven dat die werden geboren uit een ei, als hij niet zou weten dat het zo gebeurde?”
Gedaantewisselingen in de natuur kunnen behoorlijk spectaculair zijn, met de rups die in een vlinder verandert als overtreffende trap. Maar, zoals de Nederlandse dichter Hans Faverey niet tweeduizend, maar 36 jaar geleden schreef: „De mooiste vogel, die door ijsvogels/ kan worden gemaakt, is zelf/ een ijsvogel.”
Ook mensen kunnen niets anders maken en zijn dan mensen. Dat was al zo in de tijd van Ovidius en in de tijd daarvoor, nooit was er een paradijs waarin een mens een vlinder kon worden, of een zeehond (graag, graag!). Mens zijn we, mens zullen we blijven, tot we tot stof vergaan. Zelfs een ander mens worden zit er niet in. We zijn veroordeeld onszelf te blijven.
Een uitweg biedt de fantasie, de religie, de verbeelding, de kunst, met als stip op 1 het epische gedicht van Ovidius, waarin hij de toen en daar (Rome, 8 n. Chr.) bekende mythes over gedaantewisselingen tot een geheel smeedde, van de schepping van de aarde tot zijn eigen tijd. En opeens kan het wel, kan het steeds, weer en weer en weer, mensen kunnen aan hun eigen soort ontsnappen en een god, een ster, een boom, een hert, een koe, een stier, een beer, een bloem, een zwaan, een nachtegaal, een zwaluw, een ijsvogel worden.
Giovanni Luteri, genaamd Dosso Dossi (ca. 1487–1542), ‘Apollo Ferrara’, ca. 1525.
Daarover lezen is goed, het zien is nog beter; geschilderd of gebeeldhouwd lijken gedaanteverwisselingen nog meer mogelijk. Zien is tenslotte geloven, en de drang tot realisme, altijd een van de motoren van de westerse kunst, biedt kunstenaars in de gedaanteverwisselingen een geweldige uitdaging. Nog steeds wordt bijvoorbeeld het beeld uit de zeventiende eeuw van de god Apollo en de nimf Daphne, die in een laurierboom aan het veranderen is, haast extatisch beschreven. Gian Lorenzo Bernini maakte van „hard marmer zachte huid, die verandert in ruwe bast op de plaats waar Apollo’s hand zich om Daphnes middel sluit. De vaardigheid waarmee Bernini textuur uithouwt in steen en de grenzen tussen natuur en mens, materiaal en onderwerp in elkaar laat overvloeien is ongeëvenaard”, staat in de catalogus van de tentoonstelling over de Metamorfosen die nu in het Rijksmuseum te zien is.
De verhalen die Ovidius inspireerden hebben via hem duizenden kunstenaars geïnspireerd, van beeldhouwers uit de oudheid tot fotografen uit de eenentwintigste eeuw. Karel van Mander noemde de Metamorfosen begin zeventiende eeuw een bijbel voor kunstenaars, en publiceerde in 1604 naast zijn beroemde Schilderboek ook een Wtlegghingh op den Metamorphosis Pub. Ouidij Nasonis. Na de Bijbel moet het boek van Ovidius wel een van de meest geraadpleegde bronnen zijn voor kunstenaars en op deze expositie zijn dat niet de minsten. Bernini, Michelangelo, Titiaan, Poussin en ook Rodin, Brancusi, Bourgeois en Mendieta, er is werk van de allergrootsten in alle zalen.
Bernard Salomon (1506–1566), Daphne werdt eenen Laurierboom, in Guillaume Borluyt, ‘Excellente figueren ghesneden vuyten vppersten poëte Ovidius (…)’, 1557.
Metamorfosen is de laatste tentoonstelling van conservator beeldhouwkunst Frits Scholten. Misschien is het door zijn keuzes dat de beeldhouwkunst op deze tentoonstelling de meeste indruk weet te maken. De tentoonstelling morrelt ook elders aan het primaat van de schilderkunst. Er zijn tapijten, bokalen en curiosa te bewonderen, waarbij een stuk bloedkoraal bijvoorbeeld dienst kan doen als hertengewei, op een beker van goud uit begin zeventiende eeuw, die de door de godin Diana in een hert veranderde Actaeon voorstelt.
Curieus is een uit allemaal fallussen opgebouwd hoofd op een majolica schotel. Dit ‘lullenbord’ uit 1536 hangt in een van de laatste zalen, waar de band met de door Ovidius verzamelde mythen een beetje wordt losgelaten en allerlei transformaties te zien zijn, bijvoorbeeld een uit groente en fruit opgebouwd portret van keizer Rudolf II door Arcimboldo. Aan weerszijen van de deuropening hangen twee werken waarin de mens mens blijft, aan de ene kant een kinderkopje van Medardo Rosso uit 1891, dat dankzij het licht uit de bijenwas tevoorschijn wordt getoverd, aan de andere kant een reeks van zeven foto’s van Roman Opalka die zichzelf zo hetzelfde mogelijk heeft vastgelegd en zo zijn ouder worden etaleert.
En als je die deuropening doorgaat kom je bij het topstuk van de tentoonstelling, de Slapende Hermaphroditus, ook van Bernini, nou half van Bernini. Het gaat om een antiek beeld dat in 1619 in Rome werd opgegraven. Bernini kwam op het idee om de gestalte op een door hem uit marmer gehouwen matras neer te leggen, die onder het gewicht van het beeld lijkt in te deuken.
Maar zover zijn we nog niet. We lopen even terug naar de eerste zaal. De tentoonstelling begint, hoe kan het ook anders, met een boek, een Nederlandse uitgave van de Metamorfosen uit 1557 die de tekst beperkt tot een paar regels onder een houtsnede van Bernard Salomon. Het boek is opengeslagen op de bladzijde waar Daphne in een laurierboom verandert. Dat is een van de grote genoegens van deze tentoonstelling: kijken hoe kunstenaars door de eeuwen heen met steeds andere middelen dezelfde transformatie hebben verbeeld. Er hangt ook nog een fors schilderij van Dosso Dossi dat deze mythe verbeeldt, maar hier is de gedaanteverwisseling van Daphne bijzaak, alle aandacht gaat naar Apollo. En dan is er nog een wandtapijt van Clemente Maioli uit circa 1660, waar ook de handen van Daphne al takken zijn geworden en haar rechtervoet een stronk.
Moderne metamorfosen: Ulay, S’he, 1973–74.
In de catalogus staan nog meer werken over deze mythe, een van de bekendste uit het Ovidiaanse repertoire. Die zijn niet op de tentoonstelling te zien. Ook de Apollo en Daphne van Bernini uit de Galleria Borghese ontbreekt. De tentoonstelling is een samenwerking met dit museum in Rome en zal daar vanaf eind juni te zien zijn. Maar slechts een kwart van de werken zal volgens de catalogus op beide locaties aanwezig zijn. Dat heeft niet alleen met de kwetsbaarheid van de kunst te maken. De meeste hedendaagse werken, waaronder een groot videowerk van Juul Kraijer, een nieuwe interpretatie van Medusa en haar slangenhaar met levende slangen, reizen bijvoorbeeld ook niet naar Rome.
Ovidius echoot met zijn verhalen tot in het heden, tot de Epstein Files, AI, plastische chirurgie, et cetera. Alles verandert, niets gaat teloor, zoals de dichter zei. Echo, echo.
Niet alle metamorfoses uit Ovidius blijken onder kunstenaars even populair. Het verhaal over Alcyone en Ceyx die in ijsvogels veranderden ontbreekt bijvoorbeeld in het Rijks. Daar geliefde verhalen zijn die van Pygmalion, Arachne, Leda en de Zwaan, Europa en de stier, Medusa, Narcissus en de al genoemde Apollo en Daphne. Wat opvalt, is dat zoveel verhalen met verkrachtingen te maken hebben. Van de ongeveer 250 verhalen die in de vijftien boeken van Ovidius voorkomen, draait het zo’n vijftig maal om een verkrachting of een poging daartoe, telde in 1978 de classicus Leo Curran.
Wat zegt dat over onze cultuur? En wat zegt het over onze cultuur dat afbeeldingen van die verkrachtingen en pogingen tot verkrachtingen zo mooi, zo godvergeten mooi worden afgebeeld en dan zo hevig bewonderd? Is dat niet alsof je een moord misschien wel veroordeelt maar tegelijkertijd vooral het moordwapen prijst; het ingelegde ivoor, het glimmende metaal, de snelheid van de kogel?
Jean-Leon Gerôme, Pygmalion en Galatea, ca. 1890.
Een flink deel van de metamorfoses betreft een god die zich vermomt om, meestal, een schoonheid te kunnen verkrachten. Na de verkrachting verandert hij weer terug. Die flexibiliteit is de andere groep gedaanteverwisselaars, de nimfen, de mooie meisjes en jongens, niet gegeven. Als zij veranderen blijven ze meestal veranderd. Daphne kan niet weer mens worden. Ze is boom en ze blijft boom. Zonder macht en zelfs zonder stem.
Ovidius schrijft wel met mededogen over deze ontmenselijkte mensen. En het opnemen van zoveel verhalen over verkrachting suggereert op zijn minst dat Ovidius voelde dat zulk geweld een kritische bevraging waard was, zoals Stephanie McCarter in haar nieuwe Engelse vertaling van de Metamorfosen (2022) stelt. Geldt dat ook altijd voor de kunstenaars die de dichter heeft geïnspireerd?
Ovidius geeft schoonheid vaak de schuld, ook in het verhaal over Daphne. „Bevrijd me van dit lichaam dat me veel te mooi deed zijn!”, vraagt de nimf aan haar vader, een riviergod, in de Nederlandse vertaling van M. d’Hane-Scheltema. „Verander mijn gedaante, waarmee ik te veel succes had”, vertaalt Piet Schrijvers.
De wraak van Apollo voor het niet krijgen van zijn buit is dat Daphne ook als boom mooi blijft en de bladeren zal leveren voor lauwerkransen. In de kunstwerken van voor 1900 op de tentoonstelling, vooral gemaakt door mannen, lijkt schoonheid, niet die van de personages maar die van de werken zelf, op zijn minst onverschillig ten opzichte van hun lot. Laten we maar niet beginnen over Pygmalion, een geliefd onderwerp voor kunstenaars en kunsthistorici omdat het de kunstenaar vergelijkt met een god of met god, beide scheppers, en wat schept hij dan? Een vrouw. Geheel naar zijn eigen wensen.
Michele Tosini, Leda, ca. 1560–70.
Of zijn de kunstenaars een soort parasieten, vliegen op de stroop, muggen bij het licht, bloedzuigers die zich aan schoonheid en leed laven? In haar gedicht Mythic Fragment (1985) over Daphne, uit haar bundel The Triump of Achilles, nee even verderop in haar gedicht Hyacinth, ook over een metamorfose, ditmaal van een jongen in een bloem, schrijft de Amerikaanse dichter Louise Glück „Beauty dies. That is the source of creation.” Zou je dat kunnen opvatten als: schoonheid sterft en dat sterven is de bron van alle schepping, van alle kunst? De uitspraak is vaag en dubbelzinnig, zoals poëzie, ook die van Ovidius zelf, nu eenmaal is, maar hij lijkt toch een diepe, verschrikkelijke waarheid te bevatten. Wat mooi is sterft en komt weer tot leven in de kunst, bijvoorbeeld?
In de hedendaagse werken van vrouwen op de expositie, naast de Medusa van Kraijer, onder meer een soort Daphne van Femmy Otten, is een aanzet te zien tot een andere , minder doemrijke omgang met de oude verhalen en hun gevolgen. Medusa jaagt hier geen vrees aan, Daphne vraagt geen medelijden. Toch doet geen van deze versies je nog naar gedaanteverwisselingen verlangen. Blijf maar mens, schoenmaker.
Metamorfoses die min of meer gelukkig eindigen, zoals die over de ijsvogels, zijn er wel, maar het zijn er niet veel en ze zijn nog minder vaak afgebeeld. In het Rijksmuseum ontbreken ze. Of toch, zou de slapende Hermaphroditus op diens naturalistische matras er een kunnen zijn? Het beeld, geleend van het Louvre, blijkt borsten en een penis te bezitten, volgens Ovidius is het een „gestalte die geen man of vrouw kan heten, maar geen of elk van beide”. Hermafrodiet graag! Maar ook hier wordt de verandering ingezet door een verkrachting. Hermaphroditus was de mooie zoon van Hermes en Aphrodite op wie de nimf Salmacis verliefd wordt. Hij gaat zwemmen in haar bron. Zij grijpt hem maar hij wil haar niet. De goden verhoren haar gebed om altijd samen te zijn.
Tentoonstelling: Metamorfosen. Ovidius en de kunsten. Rijksmuseum, Amsterdam. T/m 25 mei. Catalogus E 40,- Info: Rijksmuseum.nl
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC