Home

Édouard Louis wil ultra-intieme literatuur die je voluit confronteert met het kwaad van de wereld

Édouard Louis In zijn nieuwe boek geeft de Franse bestsellerauteur zijn visie op wat literatuur moet zijn. En die gaat in tegen de bestaande opvattingen van de literaire kritiek.

Édouard Louis: Que faire de la littérature ? Méditations et manifeste. Flammarion. 291 blz. € 22,99

Wat vermag de literatuur? Het is een vraag die steeds opnieuw  actueel is. In zijn recente interviewboek Que faire de la littérature? Méditations et manifeste geeft de Franse schrijver Édouard Louis zijn visie op wat literatuur volgens hem moet en kan zijn. Al na het verschijnen van zijn debuutroman Weg met Eddy Bellgueule in 2014 vertelde hij dat hij schreef om zich te wreken op zijn jeugd. Die was gewelddadig geweest, hij was gepest en uitgescholden, had zich vernederd en verstikt gevoeld. Als ze hem op school in zijn gezicht spuugden, dacht hij bij zichzelf: dit zal ik ooit opschrijven, het zal mijn wraak zijn.En zo geschiedde. Woede werd zijn motor. Sindsdien publiceerde hij romans, essays en toneelstukken, veelal over zijn familie, verschenen er wereldwijd vertalingen en werd Louis een literaire wereldster. Machtsmechanismen, onderdrukking en geweld zijn zijn thema’s, evenals klassenverschil en ongelijkheid. Zelf werd hij een zogenaamde ‘transfuge de classe’; hij ontworstelde zich aan de arbeidersklasse en behoort nu tot de intellectuele internationale kunstscène. Kritiek was er ook: Louis zou geen Literatuur met een grote L schrijven, hij zette de arbeidersklasse in al zijn armoede te kijk en zo erg als hij het opschreef kón het niet zijn.In het recent verschenen interviewboek verwoordt Louis zijn standpunten over literatuur in een gesprek met literair critica Mary Kairidi. Het is een rijk, levendig boek, waarin Louis uitlegt wat hem beweegt, wat hij met literatuur wil en beoogt. Dat het ook een tikje chaotisch is, komt doordat hij koos voor de vorm van een gesprek. Hij wil zijn lezers in het hart raken en zijn fundamentele gemoedstoestand, droefenis, met ons delen. Emoties wil hij oproepen – en daar leent een theoretisch essay zich niet voor.

Dat is ook meteen zijn eerste statement: de academische wereld en de literaire kritiek minachten literatuur waarin gevoelens worden geuit – en dat is verwerpelijk. En toutes lettres uitgeschreven emotie wordt er gezien als vulgair, gemakkelijk, larmoyant, de norm is koel en ingetogen. Een auteur wordt geacht zonder pathos te schrijven, gevoel te suggereren, te impliceren. Zelfs Louis’ grote voorbeeld Sartre was die mening toegedaan. Maar waarom eigenlijk, vraagt hij zich af? Als je uit een gezin komt waarin je vader op zijn vijftigste niet meer kon lopen vanwege zijn werk in de fabriek en je broer ging op zijn achtendertigste dood aan alcoholverslaving, dan kun je niet anders dan een boek schrijven dat de lezer tranen ontlokt.  „Anders verraad ik die levens, dan maak ik ze onzichtbaar”.

Louis staat dus een ander soort literatuur voor ogen, een politieke literatuur die het expliciete omarmt: een ‘littérature de confrontation’, die de lezer direct en voluit confronteert met de lelijkheid en het kwaad van de wereld. De lezer mag niet wegkijken, dat doet hij al vaak genoeg als hij langs een dakloze loopt of door een verwaarloosde buitenwijk rijdt. Louis laat zijn  lezer niet vrij, hij dwingt hem te kijken naar wat hij wel weet, maar niet wil zien. Daarom begint Louis zijn roman Ze hebben mijn vader vermoord bijvoorbeeld met het verhaal over een vader en een zoon, waarmee de lezer zich gemakkelijk identificeert. En „als ik de lezer te pakken heb, confronteer ik hem met een veel moeilijker te accepteren onderwerp: de politiek als moordsysteem”. Louis beschouwt het lezen van een boek dan ook niet als een samenwerking tussen schrijver en lezer, maar als „een strijd van de auteur tegen de lezer”. 

Sloophamer

Zoals Nietzsche filosofie bedreef ‘met hamerslagen’, zo staat Louis als het ware een literatuur met de sloophamer voor ogen: hij wil „oude ideologieën en haar oude idolen” afbreken en ontdekken welke andere, onderbelichte levens en stemmen erachter verscholen zitten. „Het monopolie van de esthetiek van de suggestie” moet aan diggelen.Interessant is hoe Louis zich, op zoek naar nieuwe literatuur, en dus naar een nieuwe stijl, laat inspireren door wat hij ziet en leest. Voor het recent verschenen boek De ondergang, over de dood van zijn broer (van wie hij niet hield), putte hij uit de gescandeerde, steeds herhaalde slogans die hij bij de Gay Pride hoorde. De ‘poëzie van de slogan’ en ‘het ultra-expliciete’ incorporeerde hij in de tekst; daarom liet hij op opeenvolgende pagina’s soms steeds dezelfde zin afdrukken. Daar komt ook de serie ‘feiten’ uit voort die hij in zijn boek opsomt. Bovendien besefte hij dat hij met zijn doorgaans sociologische benadering de dood van zijn broer niet kon verklaren. Dus dompelde hij zich onder in de psychoanalyse van Freud en boeken van Ludwig Binswanger.In Monique ontsnapt incorporeerde hij scheldwoorden die zijn moeder naar haar hoofd kreeg geslingerd, in Ze hebben mijn vader vermoord noemde hij rijtjes presidenten en ministers met naam en toenaam. Allebei niet gebruikelijk in de Literatuur. Zo ‘injecteert’ Louis de waarden van de gedomineerde klasse waarin hij opgroeide in zijn werk. Dat alles in de verwachting dat de lezer zich niet afwendt.

Louis bepleit dan ook de stijl van het ‘ultra-intieme’, waarbij „de woorden lichaam worden”. Hij wil van „kijk dit is een verhaal” naar „ik praat tegen je”. Van het narratieve naar de confrontatie. Daarmee wil hij zo dicht bij de lezer komen dat die „zijn adem op zijn gezicht voelt”. Of de lezer daarop zit te wachten, vindt hij niet belangrijk.Velen worden vanaf hun geboorte met geweld geconfronteerd, schrijft Louis. Toch ziet hij dat geweld maar zo weinig terug in de literatuur. Werkelijk? Louis noemt Toni Morrison, Emile Zola, Svetlana Aleksijevitsj, Annie Ernaux, Sophocles. Maar wie de Franse en internationale literatuur van nu leest vindt legio boeken over oorlog, incest, misbruik, femicide, armoede, (post-)kolonialisme, uitbuiting en wat dies meer zij. Zoveel hedendaagse romans komen voort uit geweld, uit een wond.

Tegen het snobisme

Een flink deel van Que faire de la littérature? is gewijd aan het genre dat Louis beoefent, de autobiografie. Dat wordt volgens hem doorgaans gezien als inferieur. Zelfs de door Louis bewonderde Gilles Deleuze zei dat literatuur ‘de la merde’ was als het om ‘privéverhalen’ van een jeugd ging. De filosoof was op dat moment volstrekt van het pad af, meent Louis. Voor hem is autobiografie de kunst van de gedomineerden en van de overlevenden. Het vertegenwoordigt ‘de anarchie in de literatuur’.

Als dat al zo was, dan nu toch niet meer. Twee jaar geleden stelde de historicus Ivan Jablonka in zijn essay Le Troisième Continent ou la Littérature du réel dat er lang is neergekeken op wat hij ‘les écrits du réel’ noemt: enquêtes, getuigenissen, autobiografieën, dagboeken. Net als Louis karakteriseert hij die minachting als „snobisme dat neigt naar vrouwen- en klassenhaat”, en die geldt vooral gedomineerden. Maar de tijden zijn veranderd. De literatuur vernieuwt zich, gevoelens als angst, woede en verontwaardiging krijgen de ruimte. De nieuwe literatuur vertelt de waarheid en verandert de wereld. Dat is in lijn met Louis’ overtuiging.

Inmiddels kun je vaststellen dat enquête en autobiografie in de literatuur ronduit populair zijn. De recente grote Franse literaire prijzen bijvoorbeeld, die Louis overigens totaal onbelangrijk zegt te vinden, gingen bijna allemaal naar werken die je zou kunnen rekenen tot die ‘écrits du réel’. Daar wordt ook met vorm geëxperimenteerd. Laurent Mauvigniers poëtische, proustiaanse zoektocht naar zijn familiegeschiedenis, de harde femicide bij Nathacha Appanah, de pijn van de verteller van Caroline Lamarche – ze behoren er allemaal toe.

Voor Louis betekent autobiografie het nemen van risico; er wordt iets gezegd dat niet had moeten of mogen worden gezegd: het is té onbeschaamd. Nadat Simone de Beauvoir Een zachte dood had gepubliceerd, een openhartig relaas over de dood van haar moeder, kreeg ze harde kritiek over zich heen. Daarover zo openlijk schrijven was onacceptabel. Daar zoekt Louis naar. Wie uitgescholden wordt, verandert iets. Hij verwerpt het indirecte, het versluierde waar de  bourgeoisie traditioneel zo van houdt, de stijl die „zo geliefd (is) bij Emily Dickinson en de dominerende klassen”.

Daarom ook houdt Louis van de klassieke tragedies, ze zijn ultra-emotioneel, het Griekse koor verhaalt er van moord en geweld. Zijn eigen familiegeschiedenis lijkt op een tragedie, schrijft hij in De ondergang. De lange monologen van de vriendinnen van zijn broer weerspiegelen in het boek de functie van het koor. In Antigone en Oedipus slaan personages op de vlucht. „De vlucht is mijn obsessie”, zegt Louis, „het is een gedeelde condition humaine, we zijn wezens die proberen te vluchten”. Hij noemt het zijn „antropologie van de vlucht”.Louis’ keuze voor politieke literatuur betekent dat hij afstand neemt van veel andere schrijvers. Hij noemt bijvoorbeeld Nathalie Sarraute die volgens hem „eenvoudig schrijft over de smaak van de lijm op je tong als je aan een postzegel likt”. Zou het? Wie Sarraute goed leest, ziet dat haar schrijverschap – net als het zijne – ontsproot aan het geweld dat ze in haar leven meemaakte. Ze was getekend door migratie, oorlog, verlatingsangst. Haar uiterst gevoelige literaire antenne was gevormd door die verscheurdheid, door snijdende gebeurtenissen en kwetsende zinnen uit haar jeugd. Die vormden haar schrijverschap, zoals Louis’ eigen verwonding de zijne vormgeeft.

Toch verdedigt Louis, aan het eind van zijn marathoninterview van bijna 300 pagina’s, pluraliteit in de literatuur. Hoe streng hij ook is in zijn definities, hoe duidelijk hij zijn eigen poëtica ook verwoordt, hij is tolerant ten opzicht van die van de ander. Het is alleen niet de zijne. Soms trekt hij zich uitgeput terug ‘van het front’.Opvallend is dat je bij Louis geen gejammer over ontlezing vindt, geen ongerustheid over dalende leesvaardigheid of slinkende concentratieboog. Hij gelooft in de toekomst van de politieke literatuur, die de gewelddadige werkelijkheid laat zien en die werkelijkheid zal veranderen. Dwingend. In een nieuwe stijl.Er staat ons nog veel te wachten.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next