Home

Diederik Ebbinge: ‘Mensen die zeggen: ik hou niet van musical… Wat een gelul’

Wegens succes gaat Onze Jordaan, de musical die Diederik Ebbinge schreef en regisseerde, in reprise. Een goed gemaakte musical vindt hij „de meest zuivere, meest pure vorm van theater”. Maar van de Musical Awards krijgt hij „de slappe giechel”.

„Eigenlijk hou ik niet van musical, maar déze vond ik wél leuk.” Diederik Ebbinge (56) doet na wat hij mensen net even te vaak heeft horen zeggen als ze Onze Jordaan hadden gezien, de musical die hij schreef en regisseerde. Nog voor de première, in oktober 2024, waren de kaartjes uitverkocht. Maandenlang volle zalen. Vijf sterren in de Volkskrant, vijf ballen in NRC, alleen de recensent van Het Parool, de Amsterdamse krant, vond het hier en daar een snufje sentimenteel.

De musical gaat over de Jordanese Greet die aan de vooravond van haar tachtigste verjaardag terugkijkt op haar leven in de volkswijk die veryupte. Bitterzoete herinneringen aan haar te vroeg gestorven man Jopie die zo prachtig zong. Aan haar buren die een voor een hun bovenwoningen verruilden voor eengezinswoningen in Purmerend en Almere, aan haar kinderen die ook de stad verlieten. De buurt is haar buurt niet meer en met de bewoners is ook het Amsterdamse lied verdwenen.

Diederik Ebbinge werd bekend als cabaretier met De Vliegende Panters, een trio dat ontstond op de kleinkunstacademie in Amsterdam en dertien jaar bij elkaar bleef. Hij is ook acteur, presentator, regisseur en schrijver van scripts, scenario’s en series. Matterhorn (2013) was zijn eerste zelfgeschreven en -geregisseerde speelfilm. Met de televisieserie De luizenmoeder won hij de Nipkowschrijf, hij schreef mee aan het script, speelde een sullige schooldirecteur en regisseerde het tweede seizoen. Hij bedacht talkshowparodie Promenade en presenteerde televisieprogramma’s als Top 2000 a gogo en Kiespijn.

Maar musicalregisseur? Dat was blijkbaar een verrassing, voor sommigen. Zoals een literatuurkenner de neus ophaalt voor een doktersroman, zo geringschattend kijkt de theaterliefhebber naar de musical. Te licht, te volks, te commercieel en ‘eigenlijk’ hoor je er niet van te houden. Maar Diederik Ebbinge doet dat wel. Niet ironisch, niks guilty pleasure, maar gewoon echt.

Het is vrijdagmiddag en we zitten in een hoek van café-restaurant Dauphine in Amsterdam. Het komt hem uitstekend uit om het over musical te hebben, want wegens succes gaat Onze Jordaan vanaf 4 maart in reprise. Voorstellingen in Amsterdam en in theaters in de cirkel daaromheen: Dronten, Haarlem, Almere. Dit keer staan ze ook een hele week in Enschede, zijn geboortestad, want vorige keer bleken ook niet-Amsterdammers te houden van draaiorgel, accordeonmuziek en in plat-Amsterdams gezongen liedjes. Er kwam publiek met bussen uit Maastricht, zegt hij, om te luisteren naar Italiaanse belcanto, smartlappen van Willy Alberti, Johnny Jordaan en Tante Leen en klassieke opera. „En zij waren net zo enthousiast en geroerd.”

Blijkbaar zijn er ook mensen die graag benadrukken dat ze géén musicalliefhebber zijn.

„Dat dedain… Kennelijk is musical niet salonfähig genoeg ofzo. De onzinnigheid ook van zo’n opmerking. Alsof je zegt: ik hou niet van boeken. Of: ik haat toneel. Elk genre kent pulp en af en toe zit er een parel tussen, voor musical geldt dat net zo. Ja, er wordt veel lelijks gemaakt en er zijn commerciële wanproducties die de naam van het genre bezoedelen en dat is slecht voor het vak. Maar een goed gemaakte musical, dat is de meest zuivere, meest pure vorm van theater. Echte mensen die op een podium echt staan te zingen. Ik hou niet van musical… Wat een gelul.”

Wat vind jij een parel?

„Ik hoor dat Stoornis of my life van Alex Klaasen en Peter van de Witte heel goed is. Volstrekt oorspronkelijk, origineel Nederlands, zelf geschreven, gecomponeerd en gearrangeerd. Onvergelijkbaar met zo’n copy-paste-musical uit Amerika als Elisabeth of hoe heet die met al dat ijs?”

Frozen?

„Ja die. Je betaalt voor de rechten van zo’n musical en in feite hoef je dan alleen nog de boel te vertalen en er Nederlandse acteurs bij te zoeken. Disney vliegt een heel team over, een zetregisseur timmert het in elkaar en je hebt het precies zo uit te voeren als de Amerikanen eisen.”Elisabeth werd bij de Musical Awards 2025 verkozen tot beste grote musical. De prijs voor de beste vrouwelijke hoofdrol in een grote musical ging naar Frozen.

Jij was ‘woedend’, meldde RTL Boulevard.

„Ik was niet woedend.”

Geïrriteerd dan?

„Ook niet. Ik vond het gewoon grappig dat ik een heel zwaar beeldje overhandigd kreeg. [Onze Jordaan kreeg de prijs voor ‘beste Nederlandse oorspronkelijke musical en Diederik Ebbinge zelf die voor beste regie.] Vervolgens was ik het podium nog niet af of het beeld werd ingenomen en ik kreeg er een vederlicht plastic beeldje voor terug. Leuk toch, om dat even voor een draaiende camera te vertellen? En verder, ik vind zo’n Musical Award Gala werkelijk iets verschrikkelijks. Een door producenten bedacht fenomeen, je kunt er alleen aan meedoen als je flink betaalt. Het is één grote bullshitshow, iedereen weet dat, maar iedereen doet alsof het reuzebelangrijk is. Daar krijg ik dan de slappe giechel van.”

Wat deugt er zoal niet aan?

„Dat systeem van nomineren klopt natuurlijk helemaal van geen kanten. Hoe kun je Shrek de Musical nou vergelijken met een Hollands product als Malle Babbe? Of hoe kun je Andrew Lloyd Webber, die de muziek maakte voor Jesus Christ Superstar, laten meedingen naar dezelfde prijs voor beste muziek als Fons Merkies, van Dolfje Weerwolfje en Turks fruit? Dat is toch onvergelijkbaar? In de VS steken ze zo zeven, acht jaar in de ontwikkeling van een musical, van hun budgetten kunnen wij alleen maar dromen. En eind van het liedje is altijd dat de jury een aangekochte monsterproductie laat winnen. Wat zég je daarmee? Dat je buitenlandse successen hoger inschaalt dan volledig originele Nederlandse producties.”

Toch doe je mee aan die ‘bullshitshow’.

„Vooraf zei ik tegen mijn producent [TEC Entertainment]: ‘Wat kan ons het verrekken, wij doen niet mee’, maar toen zei hij: ‘Ga jij het uitleggen aan je acteurs dan? Die vinden het leuk en belangrijk om een prijs te winnen. Roos vond het ook leuk om genomineerd te zijn.” Roosmarijn Luyten is zijn vrouw, ze speelt Loes in Onze Jordaan, de dochter van de oude Jordanese Greet. „Het hele festijn is één grote reclamespot voor het genre, in die zin vind ik het wel weer prima.”

Wat maakte dat je op het idee kwam een musical te maken?

„Dat idee heeft vele vaders. Ik kreeg ooit, in 2014, een rolletje aangeboden in Hij Gelooft in Mij [musical over André Hazes]. Mijn vrouw speelde er al in, zij was Rachel Hazes, en ik zou dan Jan van Galen spelen, de vader van Rachel Hazes. Ik kende de regisseur, Ruut Weissman, goed en ik was ook wel het juiste type voor die rol. Ik had alleen echt geen zin om zeven keer per week op het podium te staan, drie of vier keer vind ik meer dan genoeg. Toen heb ik die rol een tijdje gedeeld.”

Met acteur Peter Blok, een totaal ander type dan jij toch?

„Dat kán dus allemaal in musical. Een goede musical heeft een sterk en stevig kader. Als dat eenmaal staat is het een soort mal. Binnen die mal doen de acteurs hun ding, en ieder vult die rol natuurlijk op zijn manier in, maar het stuk als geheel valt of staat niet met één rol of één acteur. En dit was een vrolijke, komische bijrol. Dat vond ik wel leuk.”

En toen dacht je: dit wil ik ook maken?

„Nou ja, ik ben meer een maker dan een speler en ik vond die constellatie zo leuk en sprankelend, zo dynamisch met al die spelers en mensen die echt goed kunnen zingen. Misschien is het ook bewijsdrang dat ik dan denk: ik kan dit ook. Na die voorstelling ging ik door met mijn leven, maar het zaadje was geplant. Langzaam kwam er vervolgens een idee boven.”

Een musical over de Amsterdamse Jordaan.

„Ik woon sinds 1988 in Amsterdam.”

Hij was toen 19. Hij kwam uit Baarn waar hij, na drie middelbare scholen, zijn mavodiploma had gehaald. De meao in Amersfoort werd geen succes, hij stopte en ging werken bij het Nationaal Computer Centrum Woningcorporaties in Almere.

„Toen had ik al de fascinatie voor de Jordaan van na de Tweede Wereldoorlog, de tijd van Johnny Jordaan en Willy Alberti. Ik wist dat er mensen jaren bezig waren geweest een musical te maken over die mannen, maar niemand kwam eruit. Ik dacht: ik gebruik hun repertoire maar verzin zelf het verhaal. Hun repertoire kwam rechtstreeks voort uit de Italiaanse opera, waar ik toevallig enorm van hou. De belcanto is weer een-op-een overgegaan in de Amsterdamse smartlap. In die jaren stikte het in Amsterdam van de belcantokoren. Dat wist ik van mijn schoonouders die in Bos en Lommer woonden en net zoals veel echte Amsterdammers in de jaren zeventig de stad uit trokken. Zij woonden in Castricum, maar ze bleven teruggaan naar de stad om met hun koren te repeteren. Zingen in een koor is sowieso de grootste hobby in Nederland. En in een meridiaan rond Amsterdam zie je nu nog steeds een geschift aantal belcantokoren.”

Zit jij bij een koor?

„Vroeger, bij een jeugdkoor in Baarn. Hoe oud was ik? Tien, elf? We zongen oude Amerikaanse spirituals.” Hij neuriet het begin van Amazing Grace. „En later, in Amsterdam, zat ik bij een klassiek koor, zongen we Monteverdi. Op de kleinkunstacademie hadden we elke vrijdagmiddag koorzang. Ik heb er iets mee, zingen in een groep is echt gelukzalig. De Matthäus-Passion, het requiem van Mozart, de negende van Beethoven. Pure mindfulness.”

Dus je had een idee…

„In het denkwerk had ik maanden tijd zitten, en dan komt het moment dat ik er geld aan moet gaan verdienen, dat ik een opdracht moet krijgen om het libretto te gaan schrijven, de scènes te bedenken, de personages op te tuigen. Dus toen ben ik m’n idee bij verschillende producenten gaan pitchen. Iedereen was enthousiast, ik heb gekozen voor de producent bij wie ik mocht maken wat ik wilde maken en mijn eis was dat ik zelf ook de regie wilde doen. Dus ook voor de producent was het best een gok want dat had ik dus nog nooit gedaan.”

Onze Jordaan (2024)

En je zag je vrouw al in een van de hoofdrollen?

„Zeker. Ze is steengoed, dat is één. En twee, zij is er altijd bij als ik iets verzin en maak, zij maakt me beter. Ze legt de vinger altijd feilloos op de zere plek en durft dat ook tegen me te zeggen. Als het aan mij lag zou ik alleen nog maar met haar samenwerken en nooit meer iets zonder haar doen.”

En niemand dacht toen je kwam pitchen: huh, waarom wil Diederik Ebbinge nou een musical maken?

„Zeker, er was… nieuwsgierigheid. Maar dat vind ik leuk, dat mensen niet precies weten wat of wie je nou precies bent. Toen ik Matterhorn had gemaakt was dat ineens een soort culthit. Ik kreeg de publieksprijs op het International Film Festival Rotterdam en ik werd daar onthaald als arthouse-figuur. Dus toen [filmregisseur] Johan Nijenhuis me daarna belde voor een rol in Toscaanse bruiloft riep ik meteen ‘ja’. Als ik ergens te veel omarmd word, ga ik liefst direct het tegenovergestelde doen.”

Jouw naam verleent het genre musical ook een kwaliteitsstempel.

„O, vast, maar dat interesseert me niet. Mijn musical valt in de smaak bij alle bevolkingslagen, volk, elite, highbrow en hoe noem je dat, lowbrow, iedereen is enthousiast. Kijk, ik ben een geëngageerd wezen, ik leg in alles wat ik maak een boodschap, noem het missiedrang. Dan kun je toneel maken, waar een select gezelschap op afkomt die jouw boodschap toch al kende en er hetzelfde over denkt. Of je maakt een musical voor een groter publiek en dan verwerk je er iets in… Zoals in Onze Jordaan. Dat lijntje van de bejaarde Jordanese Greet en verpleegster Ayçè, een Turkse. Twee vrouwen, twee culturen, die gaandeweg meer op elkaar blijken te lijken dan ze dachten. Musical is als een warm bad, met muziek en zingen breng je een boodschap over op gevoelsniveau. Toch fijn als je in Purmerend of Almere speelt en dat mee kan geven aan oud-Amsterdammers.”

En, even voor het idee, wat is een redelijk budget voor een Nederlandse musical?

„Geen idee, dat weet ik echt niet. Zodra het over geld gaat, haak ik af. Ik ben een creatieveling, een maker. Ik weet wel dat de musical zo rond Covid in 2020 op sterven na dood was. Op de een of andere manier is die crisis overgewaaid en nu is iedereen ineens los. Komend seizoen staan er 37 musical gepland. 37! En van al die budgetten bij elkaar opgeteld maken de Amerikanen er waarschijnlijk één. Het zal ontzettend moeilijk worden straks om genoeg publiek te vinden dat bereid is 70, 80 euro voor een kaartje neer te leggen.”

Jij bent ook weer met een nieuwe musical bezig?

„Ja, of nou, ik zit nog in de idee- en pitchfase. Het moet een satire worden over macht. Vierhonderd jaar macht in Nederland.”

Klinkt als een flinke klus.

„Is het ook, is het ook, en ik ben al redelijk bezet in 2026. Ik ga nog een tv-serie schrijven, nog een script en nog iets schrijven. Heerlijk vind ik dat. Dan zit ik thuis zo met mijn laptop op schoot.” Hij nestelt zich met z’n rug in de hoek, benen gestrekt op de hoekbank. „Tegenwoordig blok ik voor zo’n groot project een paar maanden in mijn agenda. Ik moet altijd oppassen dat ik niet te veel wil, elke keer knal ik weer tegen een muur aan. Of eigenlijk, ik balanceer altijd op het randje. En zodra ik erover ga, dan ehm… dan ben ik thuis niet meer de gezelligste.”

En dan staat je vrouw ook nog zeven dagen per week op het podium.

„Op een of andere manier loopt het bij ons thuis wel soepel. Als Roos speelt en ik zit in een schrijffase kan ik prima een potje koken voor de jongens. Maar wat Roos kan – e-le-ke dag spelen, hè, die discipline, je kunt er niets naast doen – dat is iets ongelofelijks. Eén keer kon ze niet spelen in Onze Jordaan. Ze had voedselvergiftiging, hing ze boven een emmertje te rillen, maar alsnog moest en zou ze op. Nog steeds baalt ze van die ene keer dat ze niet op kon.”

Hij wuift naar iemand in het restaurant. Het is de mede-eigenaar van Dauphine, Charles Hollenkamp. „Lekker hoekje, hè”, zegt hij tegen Diederik Ebbinge en ze schudden elkaars hand. „Morgen Franse avond, hè?”

Op vrijdagavonden worden er achter in het restaurant diners chantants gehouden. Eten en muziek. Soms, zoals nu, is de avond gewijd aan Franse chansons en soms is er een speciale musicalavond. „Ideetje van Roos. Zij organiseert ze, ik presenteer”, zegt Ebbinge. Het is een avond, zegt hij, met alleen maar nummers uit musicals en het is, zegt hij, fantastisch. Freek Bartels (van Les Misérables) zong de vorige keren. Joy Wielkes (uit Hadestown). Roosmarijn Luyten zelf. Jelka van Houten (Turks fruit, Marathon). Allemaal mensen die kunnen acteren én zingen. „Niet dat zingen zoals ze leren op musicalopleidingen. Harde en hoge noten beuken, belten heet dat in het vak. Indrukwekkend wel, maar ik hou er niet van. Echte musicalliefhebbers gaan voor die noten, voor de zangers die dát kunnen, naar een musical.”

En zing je zelf ook op zo’n avond?

Nee, nee, zegt hij. „Musical is niet mijn metier.” Als je echt iets wil weten over het vak, zegt hij, moet je Roos hebben. „Die kent musical van de inside.”

Vrijdagochtend een week later. Roosmarijn Luyten (47) bestelt muntthee met honing.

Honing om de stem te smeren?

„Ik sta nu niet in een musical, hoor, maar ik ben wel iemand die zichzelf erg in acht moet nemen. Ik kan na een voorstelling niet het café in om te roken, drinken en kletsen. En zeker als je een seizoen lang zeven, soms acht keer per week op moet, dat is krankzinnig, ik denk dat niemand dat leuk vindt. In de ideale wereld doe je er vijf.”

Die typische musicalzang is toch een techniek om het vol te houden?

„Je hebt allerlei technieken om dat intensieve zingen te overleven. Echte musicalzangers, opgeleid aan musicalscholen, zijn technisch veel beter onderlegd dan ik destijds met m’n kleinkunstopleiding. Wij leerden vooral het verhaal van een lied over te brengen. Vroeger vonden de verschillende scholen heel veel van elkaar, maar gelukkig groeien we steeds meer naar elkaar toe.”

Dus jij kunt niet belten?

„Ik belt soms zeker wel, maar als je bedoelt die hele hoge, harde noten raken? Niet op die manier, daar moet je voor uit een ander vaatje tappen. Wat Vajèn van den Bosch avond aan avond doet in Frozen, dat kan ik niet. In die zin heb je een ander soort musicalacteur tegenover je zitten.”

Was het gek om met je eigen man in een musical te staan?

„We hebben eerder samen op het podium gestaan. Diederik zat nog bij De Vliegende Panters en ik was gevraagd voor een dansscène, ik kwam als een deus ex machina, een soort goddelijke verschijning op. Ik was 21 hè, en misschien dat het vijftig seconden duurde, maar zo hebben we elkaar leren kennen. Bij Hij Gelooft in Mij ging het heel organisch. Afwisselend speelde ik zijn dochter en de moeder van Rachel, zijn toneel-echtgenote. In Onze Jordaan was hij ook nog de regisseur en dat vond ik best spannend, elke acteur is bang om door de mand te vallen en dat wil je al helemaal niet voor de ogen van je eigen man.”

Wist jij altijd al dat Diederik iets met musical had?

„Dat is de verkeerde aanname, dat hij ‘iets met musical heeft’. Musical is gewoon een van de vele theatervormen. En binnen de vorm musical zijn er weer zo veel soorten en maten. Je kiest een vorm om je verhaal te vertellen.”

Maar hij gruwelt van de musical-musical.

„Ik vind het niet zo nodig om dat onderscheid te maken. Er zijn musicals die je wel en die je niet goed vindt en er zijn verschrikkelijk veel mensen die juist om de uithalen naar een musical gaan, die speciaal komen voor de eleven-o’clock-song met de money-note.”

In een ‘echte’ musical hoort de eleven-o’clock-song gezongen te worden na de pauze. Het is een nummer waarin de hoofdpersoon tot een inzicht komt of een emotionele ommekeer ondergaat. In het toneel zou je het de catharsis noemen. De money-note is de hoogste, hevigste emotie-uitbarsting van de hele musical. Nee, zegt ze, in Onze Jordaan zit geen eleven-o’clock-song of money-note. Wel een soort I-want-song. Een nummer dat vroeg in de voorstelling thuishoort en waarin een hoofdpersonage z’n innerlijke strijd deelt. Zo zingt zij, als Loes, in het lied ‘Amsterdams parfum’ over haar hartstochtelijke heimwee naar de stad. „Er bestaan zoveel schitterende musicalklassiekers.” Precies daarom organiseert ze de musicalavond in Dauphine, om te laten horen hoe geweldig het repertoire is. Het is een avond, zegt ze, „voor mensen die dénken dat ze eigenlijk niet van musical houden”.

CVDiederik Ebbinge

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next