Home

Mäkelä laat de machtige klankrivier van Bruckners ‘Achtste’ wild stromen

Klassieke muziek Klaus Mäkelä, aankomend chef-dirigent van het Concertgebouworkest, leidde voor het eerst Bruckners grootse Achtste symfonie. De mystieke gloed die de muziek van Bruckner soms verkrijgt ligt in het verschiet voor de virtuoze tandem van orkest en dirigent.

Dirigent Klaus Mäkelä tijdens het Enescu Festival 2025 in Boekarest.

Klassiek

Bruckner 8 door Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Klaus Mäkelä. Gehoord: 4/2 Concertgebouw A’dam; herh. 5-6/2 aldaar, 8 (Luxemburg), 9 (Parijs), 10 (Keulen) & 11 (Hamburg). Uitzending op NPO Klassiek 15/2, 14u. Inl.: kco.nl

Dit voorjaar bevat voor hem twee hoogtepunten, vertelde aanstaand KCO-chef Klaus Mäkelä vorige maand in deze krant. In april dirigeert hij de Matthäus-Passion van Bach. En woensdagavond leidde hij zijn orkest in Bruckners Achtste symfonie. Bruckner en Bach: het is het heilige der heiligen van het KCO-repertoire, samen met Mahler, in wiens werk Mäkelä zich inmiddels ruimschoots bewezen heeft. Na de Amsterdamse herhalingen gaan Mäkelä en het orkest nog met Bruckner op tournee in het buitenland.

Ook in Bruckner liet Mäkelä al eerder een uitstekende indruk achter. Twee jaar geleden maakte hij zijn Amsterdamse Bruckner-debuut met een enthousiast onthaalde Vijfde. „Zwaar maar nergens log, soms bijna dansant zelfs,” oordeelde NRC. „Hooguit miste je een laatste gradatie van overkoepelende raadselachtigheid.”

Na de Vijfde dus nu de Achtste: de twee langste van Bruckners symfonieën, veel complexer en doorwrochter dan de populairdere Vierde en Zevende. Mäkelä maakt het zichzelf niet makkelijk. Of: hij houdt van een uitdaging, en met het KCO vormt hij een virtuoze tandem die eigenlijk alles makkelijk laat lijken.

Machtige klankrivier

Wat Mäkelä’s benadering benadrukt, is dat de Achtste geen symfonie is in vier op zichzelf staande delen, maar een machtige klankrivier die de papieren werkelijkheid van zo’n klassieke indeling overstijgt. De eerste twee delen gingen naadloos in elkaar over, zonder pauze; de enige echte cesuur bevond zich tussen het ‘Scherzo’ en het ‘Adagio’. Een tweede collectieve hoeststuip van de Grote Zaal net voor de ‘Finale’ smoorde Mäkelä door er snel dwars doorheen in te zetten.

De opvallend fluisterende coda van het openingsdeel (een unicum in Bruckners oeuvre) werd zo geen etherisch rustpunt, maar de opmaat naar het vitalistische thema van het ‘Scherzo’. Er was geen breuk met het eerste deel, maar een continuüm van wilde ontwikkelingsmuziek, waarin thema’s en motieven voortdurend transformeerden tot iets nieuws. Het samensmeden van de eerste twee delen tot één beweging kantelde het perspectief: waar ze gewoonlijk in contrast tot elkaar staan, lette je nu juist op de verbanden. Het langzame trio van het ‘Scherzo’ lichtte vervolgens op als een voorbereiding op het grootse ‘Adagio’. Het past bij deze symfonie, die net als de Vijfde uitmondt in een ‘Finale’ waarin al het voorgaande samenkomt.

Mäkelä hield het betoog voortreffelijk onder spanning en gaf de musici ruimte om te schitteren: de prachtige klarinetsolo aan het einde van het eerste deel, de door de harpen ondersteunde, ziel-striemende strijkers in het koraal van het ‘Adagio’ (lekker vertraagd). En bovenal de hoorns en Wagnertuba’s die de muziek telkens weer beeldschoon kleurden. Het enige dat ontbrak, net als bij die eerdere Vijfde, was de mystieke gloed die Bruckners muziek in de beste gevallen verkrijgt, een glimp van de dingen waarvoor woorden ontbreken. Wat Mäkelä en dit KCO in topvorm duidelijk maken is: die gloed ligt wel in het verschiet.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next