Het vuilnis op de Prins Johan Frisolaan, een langgerekte straat met galerijflats aan beide zijden, komt soms van boven. Afgedankte matrassen, hele bankstellen. Hup, van zeshoog naar beneden. En nee, „je hoeft het niet te snappen”, zegt de vuilophaler in oranje pak die met zijn collega door de straat rijdt. „Is gewoon mens eigen.”
Hans heet hij, en zijn collega Hassan. Met hun elektrisch wagentje doen zij niet het periodiek grofvuil en ook niet het huisvuil maar alles wat rondslingert op de stoep en rond de ondergrondse vuilcontainers. En ze legen alle prullenbakken. Elke dag opnieuw. Want de Prinsenhof, een „aandachtswijk” in Leidschendam, is niet de meest propere van het land. Als ze één dag niet komen? Hans, alweer instappend: „Een varkensstal!” En zoef! Weg zijn ze weer. Op naar de volgende prullenbak vijftig meter verderop.
Gelukkig ben ik op de fiets, anders had ik ze nooit bijgehouden.
Het tweetal is van De Binnenbaan, een werkbedrijf voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Ik liep hen tegen het lijf toen ik wilde schrijven over de nieuwe regels voor het grofvuil. Per 1 januari moeten inwoners van Leidschendam voor het ophalen betalen, 12,50 euro, om ze te stimuleren hun grofvuil zelf naar de milieustraat te brengen. Alleen, in deze wijk, begreep ik uit de lokale media, brengen ze de milieustraat dan maar liever naar hun eigen stoep.
„Complete tassen proppen ze erin.” Hans duwt met oranje handschoen het vuil aan in de prullenbak en verwisselt daarna de zak. „Ook eens een vibrator!” Glimlach: „Die heb ik aan de trekhaak van m’n leidinggevende gehangen.” En het sm-zweepje „was voor een lastige klant”. Want geregeld krijgen ze een grote smoel. Laatst nog, toen ze met zout strooiden vanwege de sneeuw. „Een man zei boos: heb je hier nou nóg niet…?”
Het wagentje zoeft verder en ik zie ‘m de hoek omgaan. Ah, hier zit de vestiging van het werkbedrijf. De twee mannen lossen er hun afval in grote containers en bij de balie steekt iemand zijn hoofd naar buiten. „En jij bent? Oh, je mag wel even kijken hoor.”
Hij is de beheerder, Jos van Weldam, en toont de opbrengst van deze week: rollators, wasrekjes, motorkap, autoportier, stofzuigerslangen, Maxi Cosi, platenspeler, pannen, paraplu’s, accu’s, batterijen, stoelen, traphekjes, kinderzitjes, vier matrassen, elf autobanden, vier fietsen uit de sloot, verfemmers, frituurvet, pvc-buizen, tl-buizen, een decoratief schilderijtje (Normandische kust) en een rode brandweerauto. Van Weldam, draaiend aan de katrol: „Daar zou ik als kind toch wel blij van worden.”
Boven drinken we koffie en als Hans langsloopt geeft Van Weldam ’m een knipoog. „Dag directeur!” Hans, glunderend: „Dag onderdirecteur!” Het is hier altijd dolle boel, vertelt Van Weldam. Laatst hebben ze met zo’n vijftien Binnenbaners gebowld en met het afscheid van Tom, vanwege zijn pensioen, hadden ze een draaiorgel gehuurd. Tom is trouwens alweer terug, hij miste het werk. „Dat hebben ze allemaal. Ze hebben er lol in.”
Gelukkig maar, want de vuilophalers krijgen heel wat voor hun kiezen. Van Weldam kent de verhalen. Over het afval dat van boven naar beneden komt. Grote muilen. De ondankbaarheid. „Terwijl, deze mensen zijn dienstbaar en ruimen alles op. Voor de mensen die er een puinhoop van maken! En ja, ze noemen hen beperkt, maar…”
Wie is er eigenlijk beperkt?
Freek Schravesande doet elke donderdag ergens vanuit Nederland verslag
Source: NRC