Home

Janny Liem-Tan kwam in de jaren zestig naar Nederland: ‘In de hal van ons huis in Beverwijk begon ik een toko’

Janny Liem-Tan is een kind van Chinese ouders. Ze is opgegroeid in Indonesië, dat ze in 1966 met haar man en twee jonge kinderen ontvluchtte, te midden van massale moordpartijen op communisten en Chinezen. Hoe is het haar en haar gezin in Nederland vergaan?

Janny Liem-Tan is een nakomeling van migranten en besloot zelf te migreren toen het haar te heet onder de voeten werd in haar geboorteland Indonesië in de jaren zestig. Bij een massamoord onder communisten, die honderdduizenden mensenlevens eiste, waren ook Chinezen doelwit. Toen gewapende mannen ook voor hun huis stonden, besloot Janny Liem-Tan met haar man en kinderen te vluchten. Met haar 101 jaar is ze nog goed in staat haar levensverhaal te vertellen.

Wat weet u van uw voorouders?

‘Mijn grootvader van vaderskant komt uit China, uit de provincie Fujian, zoals de meeste Chinezen in Indonesië. Met zijn neef is hij in de 19de eeuw als matroos of schepeling naar Java gevaren om handel te drijven. Die neef werd heel rijk, mijn grootvader helaas niet. De voorouders van mijn moeder kwamen ook uit China.’

In de tweewekelijkse serie ‘Eerste generatie’ laat de Volkskrant mensen aan het woord die als eersten van hun familie naar Nederland kwamen. Waarom namen zij afscheid van hun land, welk leven lieten ze achter en hoe bouwden ze een nieuw bestaan op?

In wat voor omstandigheden bent u opgegroeid?

‘Ik had één oudere zus en vijf jongere broers. Ik ben de enige die nog leeft. We hadden lieve ouders. Heel breed hadden we het niet, maar arm waren we ook niet. We woonden in een huurhuis in Bandung, op Java, in een buurt met veel Chinezen. Dat waren bijna allemaal handelaren en winkeliers.

‘Mijn vader werkte bij die rijke neef, voor wie hij de administratie deed. Hij zei altijd: ‘Ga nooit voor je familie werken, die betalen je maar weinig.’ Voor meer inkomsten bakte mijn moeder Indische koekjes en allerlei soorten kroepoek, die zij buurtgenoten op straat liet verkopen. De opbrengst spaarde ze, om voor Nieuwjaar nieuwe kleren en schoenen voor ons te kopen. Gelukkig vond mijn vader ander werk, bij het hoofd van de Chinese gemeenschap in Bandung, die rijst verkocht. Mijn vader deed de financiën. Van deze baas kreeg hij elk jaar een bonus, en soms een baal rijst, waardoor we tijdens de Japanse bezetting in de Tweede Wereldoorlog nooit honger hebben gehad.

‘Net zoals mijn zus en broertjes ging ik naar de Hollands-Chinese School, waar werd lesgegeven in het Nederlands. De Nederlanders zijn in dit land de baas, zei mijn vader, dan kun je het beste naar een Nederlandstalige school gaan, voor als je later voor ze moet werken. Thuis spraken we Soendanees en Maleis.’

Wat herinnert u zich van de Japanse bezetting vanaf 1942?

‘Als Chinezen waren we ‘buitenkampers’; de Japanners interneerden ons dus niet in kampen, zoals gebeurde met veel Nederlandse en later ook Indische mensen. Alle Nederlandse scholen, dus ook de huishoudschool waar ik in 1942 als 17-jarige op zat, werden gesloten. Nederlands spreken werd verboden. Mijn vader vond dat ik niet thuis kon zitten, en stuurde mij naar Chinese les en de Chinese modevakschool van mevrouw Oei Hien Liang aan de Jalan Kebonstraat in Bandung.

‘De jaren onder Japang (Japan in het Maleis, red.), was het vaak verstoppen, verstoppen, verstoppen. De Japanse soldaten waren ver van huis en zochten meisjes en jonge vrouwen om te gebruiken. Iedereen in de buurt waarschuwde elkaar als ze eraan kwamen, zodat alle jonge vrouwen snel een schuilplaats konden zoeken. Ik was doodsbang en ging muisstil onder het bed liggen, met een klamboe erover. Toen de atoombommen vielen op Hiroshima en Nagasaki, was alles voorbij.’

Maar de rust keerde niet terug.

‘De ergste tijd moest nog komen, de Bersiap.’ (Indonesiërs streden na afloop van de Tweede Wereldoorlog voor onafhankelijkheid van de Nederlandse, koloniale overheersing. Daarbij werden duizenden Europeanen en Indische Nederlanders gedood. Ook Chinezen waren niet veilig. Nederland zond troepen in een poging de opstand de kop in te drukken en de kolonie te behouden, red.) ‘De Nederlandse kapitein Raymond Westerling reed met tanks onze stad Bandung binnen, zo over de mensen heen. Overal op straat lagen lijken. Ik werkte als apothekersassistente en durfde niet alleen naar huis. Een collega bood aan met mij mee te lopen.

‘In de apotheek kwam geregeld een klant langs voor een haargroeimiddel. Ineens was hij bij ons thuis om mijn vader om mijn hand te vragen. ‘Ik geef mijn dochter niet zomaar weg, ze zal jou eerst moeten leren kennen’, zei hij tegen Tin Sam. We spraken een paar keer af en trouwden in 1954. Ik ging bij hem wonen, met zijn moeder en zus. Dat was een moeilijke tijd voor mij, vooral toen Tin Sam een beurs kreeg en drie jaar naar Nederland ging om in Leiden rechten te studeren en ik achterbleef. Zijn zus speelde op een nare manier de baas in huis, terwijl ik als enige een baan had en alles betaalde, ook het huis en het eten. Ik durfde er niets over te zeggen.’

Wat was de aanleiding om naar Nederland te emigreren?

‘Na een mislukte staatsgreep in 1965 werd er op communisten gejaagd. Vele duizenden werden vermoord door soldaten en lokale milities. Ook Indonesische Chinezen werden gedood, omdat werd gedacht dat zij communist waren, maar dat waren wij helemaal niet. In onze straat werden alle winkels van Chinezen in brand gestoken. De straat zag helemaal zwart. Op een dag was er een razzia in onze buurt. Honderden Indonesiërs renden met bamboe runcing – bamboestokken met een speerpunt eraan – langs de huizen en riepen in het Maleis: ‘Bunuh Orang Cina!’ – ‘Maak de Chinezen dood!’. We waren doodsbang en sloten snel de gordijnen.’

Haar zoon René, aanwezig bij het interview, vertelt: ‘Ik was een jongetje van 9 jaar en gluurde nieuwsgierig door een kier naar buiten en zag hoe onze overbuurman werd doodgeknuppeld.’

Zijn moeder vervolgt: ‘We hoorden roepen: ‘Nee, niet hier, hier woont meneer Liem!’ Het waren studenten die mijn man kenden, hij was docent aan de universiteit. En zo liepen de moordenaars onze deur voorbij. Mijn man schreef meteen een brief naar zijn contacten in Nederland, die hij had overgehouden van zijn studie rechten. Hij liet hun weten dat we naar Nederland wilden vluchten, of ze ons konden helpen. Intussen liet hij scheepskisten maken waarin we onze spullen konden vervoeren. Een hoogleraar in Leiden, professor Frederik Mari baron Van Asbeck, bood zijn hulp aan. Vlak voor ons vertrek overleed ons jongste zoontje van 6 maanden aan dengue.

‘We reisden naar Nederland met onze twee oudste zoontjes per boot, de Lloyd Triestino. Een reis van een maand, die ik grotendeels zeeziek heb doorgebracht in onze hut. Professor baron Van Asbeck had een baan geregeld voor mijn man als juridisch adviseur bij Nedlloyd, en dankzij hem konden we ook een deel van een groot huis in Bloemendaal huren. Ik was zwanger en kreeg dat eerste jaar in Nederland een miskraam, misschien door de vier trappen die ik elke dag op en af moest.’

Moest u erg wennen in Nederland?

‘Ik was blij dat we veilig waren, en ik verlost was van mijn bemoeizuchtige schoonzus. We hadden al onze meubels en bedden meegenomen, maar geen geld. Baron Van Asbeck gaf mij 100 gulden om kleren te kopen. Ik kocht er een naaimachine van, zodat ik ze zelf kon maken.

‘Dankzij de Hollands-Chinese School sprak ik goed Nederlands. Ik ging naar de markt om groente en fruit te kopen. Toen ik een appel pakte, kreeg ik op mijn kop van de marktkoopman. Ik was gewend alles zelf te pakken, maar dat mocht hier niet. Sindsdien heb ik nooit meer één stuk fruit aangeraakt op een markt.

‘Na twee jaar konden we een huis kopen in Beverwijk. Mijn kinderen raakten bevriend met de buurjongens. Die bleven vaak bij ons eten. Op een dag vroeg mijn zoon aan zijn vriend: ‘Mag ik ook een keer bij jullie eten?’ De buurjongen ging het aan zijn moeder vragen, kwam terug en zei: ‘Mijn moeder wil weten hoeveel aardappels je eet.’ Jemig, dacht ik. Ik vraag toch ook niet elke keer: ‘Hoeveel rijstkorrels eet je?’ In de Chinese en Indonesische cultuur is het gebruikelijk om zoveel te koken dat er altijd iemand mee kan eten.

‘In Nederland kon ik helaas geen baan zoeken omdat ik geen hulp had voor het huishouden en de zorg voor de kinderen. Mijn man stelde voor een toko te beginnen vanuit huis – dat kon toen nog. Hij timmerde planken in onze hal. Ik verkocht Indische producten als spekkoek, ketjap, sojasauzen, sambal en bamboescheuten. We waren de enige Indonesische Chinezen in Beverwijk, mijn klanten kwamen overal vandaan.’

Hoe is het uw kinderen vergaan?

‘Mijn oudste zoon is de medische kant opgegaan. Hij woont in het noorden van het land en is een lieve jongen. Lange tijd ging ik elk jaar naar hem toe en nam dan Indonesisch eten mee. Maar dat kan ik niet meer, gezien mijn leeftijd.

‘Mijn jongste zoon heeft scheepswerktuigkunde gestudeerd in Amsterdam. Hij wilde gaan varen, maar zag daar vanaf, omdat hij mij na de dood van mijn man in 1978 niet voor lange tijd alleen wilde laten. Hij is reisleider geworden. Nu ik zo oud ben, komt hij elke dag langs. Hij regelt alles voor mij, doet de was, neemt Indisch eten mee, stopt mij ’s avonds in bed en neemt mij een paar keer per jaar mee op vakantie, binnenkort gaan we naar de Reeuwijkse plassen, daar is het is zó mooi. Ik weet niet wat ik zonder hem zou moeten.’

Naar dat uw man zo jong overleed.

‘Het was een klap. Mijn zoons waren al het huis uit. Gelukkig had ik mijn winkeltje. Mijn jongste zoon woonde dichtbij en hielp mij; elke dinsdag ging hij naar de groothandel voor de inkoop. In huis kreeg ik gezelschap van de zoon van een vriendin uit Indonesië, hij ging in Nederland aan het conservatorium studeren en kwam bij mij inwonen, vijf jaar lang. Ik was boeddhistisch opgevoed, hij was protestant. Zondags ging ik vaak met hem mee naar een Indonesische protestantse kerk in Amstelveen. Ik zong en bad mee, en heb mij op een gegeven moment laten dopen.

‘Veel vriendinnen gingen op reis, dus stopte ik met mijn toko en ben dat ook gaan doen, naar China, Taiwan en Amerika. En elk jaar naar mijn familie in Indonesië.’

Uw jongste zoon wilde zo’n dertig jaar geleden met u naar Indonesië remigreren, daar kon hij een mooie baan krijgen. U wilde niet mee.

‘Nee, dat durfde ik niet. Ik was bang dat als ik weer in Indonesië zou wonen, daar nog mensen zouden zijn die iets tegen Chinezen willen doen. Door mijn toko had ik veel vrienden gemaakt in Nederland, dus wilde ik blijven. Het is hier koud, maar ook goed.’

Chinezen in Indonesië

Een deel van de Nederlandse Chinezen komt uit Indonesië. In de 15de eeuw, nog voordat Nederlanders er handel kwamen drijven en de eilandengroep koloniseerden, vestigden de eerste Chinezen zich er. Als tussenhandelaren en winkeliers hadden ze eeuwenlang een belangrijke economische positie. De Nederlandse koloniale verdeel-en-heerspolitiek leidde tot segregatie van de Chinese gemeenschap en rivaliteit met inheemse Indonesische bevolkingsgroepen. Chinezen in Indonesië zijn meermalen het slachtoffer geweest van raciale vervolging en geweld, zoals tijdens de ‘Chinezenmoord’ in 1740, de onafhankelijkheidsoorlog na augustus 1945 en tijdens geweldsuitbarstingen in 1965 en 1966, waarbij ruim een half miljoen (vermeende) communisten in Indonesië werden vermoord, en ook Chinezen het slachtoffer werden. Sinds 1945 zijn ongeveer zesduizend Chinezen uit Indonesië naar Nederland geëmigreerd, vooral voor hun veiligheid.
Renée Meershoek

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next