Niet zo gek dat de formerende partijen hun oog hebben laten vallen op de AOW, maar ze zien daarbij wel wat dingen over het hoofd.
De gedachte om de AOW-leeftijd te laten stijgen met de levensverwachting is zo oud als de AOW zelf. Toen het collectieve ouderdomspensioen zeventig jaar geleden werd ingevoerd, waren er al zorgen over de kosten. Die moesten wel beperkt blijven, klonk het ook toen al.
Ruim 8 procent van de Nederlanders kwam op dat moment in aanmerking voor de uitkering. Dat moest, omwille van de betaalbaarheid, zo’n beetje op dat niveau blijven. Daarom circuleerde ook toen al het idee om de pensioenleeftijd te koppelen aan de gemiddelde levensverwachting. Die lag destijds nog op zo’n 72 jaar.
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
De koppeling liet nog ruim een halve eeuw op zich wachten, maar toen de levensverwachting inmiddels ruim boven de 80 was beland, en de betaalbaarheid van het stelsel echt onder zware druk stond, kwam het er alsnog van. Inmiddels zitten we op 67 jaar.
En niets is zeker – de coronapandemie dempte de levensverwachting tijdelijk aanzienlijk – maar de dertigers van nu moeten er rekening mee houden dat ze tot hun 70ste op hun werk worden verwacht. Die trend heeft de enorme groei van het aantal AOW’ers overigens maar beperkt kunnen afremmen: inmiddels geniet ruim 20 procent van de bevolking van het ouderdomspensioen.
Niet zo gek dus dat D66, VVD en CDA in hun zoektocht naar miljarden het oog ook lieten vallen op de AOW. Toch lijkt het erop dat zij zich onvoldoende hebben gerealiseerd dat zij hier een zware erfenis torsen van de voorgaande kabinetten.
Over weinig onderwerpen is sinds 2010 op het Binnenhof en in de polder, tussen werkgevers en werknemers, zo uitvoerig onderhandeld als over het pensioenstelsel. De matiging van de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting was in 2019 een belangrijke voorwaarde voor de vakbeweging en voor GroenLinks en PvdA om het nieuwe stelsel te steunen.
Kan een regering dan al na zes jaar eenzijdig de overeenkomst opzeggen en toch weer kiezen voor een een-op-eenkoppeling? De onthutste reacties van GroenLinks-PvdA-voorman Jesse Klaver (‘we hadden een afspraak’) en van de FNV (‘moreel verwerpelijk’) zijn goed voorstelbaar.
De verdediging van de formerende partijen was dinsdag in de Kamer bovendien niet sterk. Hun voornaamste argument, dat het stelsel wel betaalbaar moet blijven, wordt door niemand bestreden, maar het maakt toch minder indruk als je vervolgens de hypotheekrenteaftrek, de winsten van bedrijven en de vermogens van welvarend Nederland opzichtig buiten schot houdt.
Om het debat binnen de AOW te houden: nu al een op de vijf Nederlanders met pensioen is en een aanzienlijk deel van die groep dankzij riante aanvullende pensioenen de AOW eigenlijk niet meer nodig heeft als basisinkomensvoorziening, ligt invoering van een AOW-premie voor beter gesitueerde ouderen al jaren voor de hand.
Tot voor kort vond ook D66 dat nog een uitstekend idee. Alleen al daarom wordt het lastig om versnelde verhoging van de AOW-leeftijd nu opeens te verdedigen als een onontkoombaar scenario. Op die manier belandt kandidaat-premier Jetten, zowel in de polder als in het parlement, al snel op een doodlopende weg.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant