Julian Barnes In wat hij zelf zijn laatste boek noemt, laat hij je meekijken in zijn speelse brein tijdens het schrijven van een roman over de ongelukkige relatie van twee studievrienden. Maar ook is het boek zijn literaire testament nu de dood hem op de hielen zit.
Speelsheid, ironie en autobiografie staan voorop in het werk van Julian Barnes.
Een farce met een tragische afloop, of beter nog, een lichte komedie met een droevige afloop. Zo en niet anders ziet de inmiddels 79-jarige Julian Barnes het leven, althans, dat schrijft hij op de laatste bladzijden van zijn roman Departure(s), die nu in een mooie vertaling van Jelle Noorman is verschenen met als titel Vertrek(punt). Met die Tsjechoviaanse melancholie vat hij meteen zijn hele oeuvre samen, dat een afspiegeling is van de tragikomische lichtheid waarmee hij zijn leven in literatuur heeft gegoten, te beginnen met zijn debuutroman Metroland (1980). Daarin schrijft hij over een opgroeiende jongeman in een slaapstadje in de buurt van Londen, die zich aan zijn brave milieu ontworstelt om na zijn afstuderen te gaan flaneren in het Parijs van 1968. Hij smacht naar liefde en seks, terwijl de studentenrevolte geheel aan hem voorbij gaat. Uiteindelijk keert hij terug naar Metroland en kiest hij voor een burgerlijk bestaan met een vaste baan, vrouw en kind.
Julian Barnes: Vertrek(punt) (Departure(s)). Vert. Jelle Noorman. Atlas Contact, 192 blz. € 22,99
Zijn liefde voor Frankrijk en de Franse literatuur zou Barnes, die in Oxford Russisch en Frans studeerde, niet meer loslaten. Dat bleek al uit zijn heerlijke postmoderne roman Flaubert’s Parrot (1984), die behalve een speelse ode aan de schrijver van Madame Bovary ook een vermakelijk essay was over echt en nep in zowel de literatuur als het echte leven, aan de hand van een papegaai.
In Vertrek(punt) komen veel van die elementen samen. Speelsheid, ironie en autobiografie staan daarbij voorop. Zo voert Barnes je als verteller al schrijvend mee in zijn verhaal en krijg je daarbij min of meer een cursus ‘hoe schrijf ik een roman’ cadeau, waarbij je op een gegeven moment net als hijzelf niet meer weet wat wel of niet verzonnen is. Bij Barnes draait tenslotte veel om persoonlijke herinneringen, echte en valse. Daarom ook citeert hij de dichter T.S. Eliot: „De mot kruipt erin, in hoeveel kamfer je ze ook verpakt.”
Vertrek(punt) begint met de bekentenis dat Barnes’ belangstelling uitgaat naar alles wat gruwelijk en extreem is, zoals de in de negentiende eeuw populaire praktijk van anaal ingebrachte minibustes van Napoleon („waarmee men ongetwijfeld genot aan patriottisme paarde”). Die voorkeur voor het extreme koppelt hij aan een medisch artikel over een patiënt die naar analogie van Prousts madeleine-herinnering bij de smaak van appeltaart werd overspoeld door herinneringen aan alle taarten die hij ooit in zijn leven gegeten had. Het brengt een schok teweeg bij Barnes, die zich ineens geconfronteerd ziet met de gedachte aan de paar duizend baconsandwiches die hij in zijn leven heeft verorberd.
Na te zijn bijgekomen van die schok breit hij verder aan zijn boek en de definiëring van zijn herinneringen. Hij vindt houvast bij zijn constatering dat je brein een chronologische lijst bevat van alle keren dat je moreel handelde of juist niet. Een geval van niet moreel handelen vormt het uitgangspunt voor wat Barnes eigenlijk wil schrijven: een roman over zijn verraad van twee van zijn studievrienden uit Oxford, waaraan hij in het tweede deel van zijn boek dan ook begint. Vertrek(punt) krijgt nu iets van een vermakelijk werkschrift, waarin de schrijver zijn lezers uitlegt wat hij van plan is, wat hem daarbij hindert (zijn al dan niet vertekende herinneringen) en bezwaart (zijn plechtige belofte aan die twee vrienden om nooit over hen te zullen schrijven).
Die studievrienden, Stephen en Jean, hadden halverwege de jaren zestig in Oxford een verhouding. Maar op een dag vertelde de chique, vrijgevochten Jean, een studente Russisch die groots en meeslepend wilde leven, aan Barnes dat ze met de brave Stephen op een punt was aanbeland dat ze uit elkaar moesten gaan of trouwen. Ze koos voor het eerste. Barnes, die veel tijd in zijn vriendschap met beiden had gestoken, voelde zich verraden en wiste Stephen en Jean hierna uit zijn geheugen.
Alsof Stephen en Jean er in Vertrek(punt) inderdaad niet meer toe doen, gaat Barnes in het derde deel van dit boek ineens over op de leukemie die tijdens de Covid-pandemie bij hem werd geconstateerd. Ook over die ziekte schrijft hij met flegmatieke humor, alsof het om een zware verkoudheid gaat. Want doodgaan, ja, het hoort er nu eenmaal bij. Het is alsof je een roeiwedstrijd verliest.
Behalve uit zijn herinneringen, put Barnes nu ook uit de vijf pagina’s notities die hij in het ziekenhuis gemaakt heeft en wil gebruiken voor een nieuw autobiografisch boek. Alsof hij op die manier Prousts ‘bewuste geheugen, het geheugen van het verstand’ en ‘het onwillekeurige geheugen, dat toegang biedt tot iets diepers en wezenlijkers’ met elkaar wil verzoenen.
Een van die notities luidt: ‘Dit is het begin van het einde’, wat je onmiddellijk doet denken aan The Sense of an Ending (2011), zijn roman over een gepensioneerde man die terugblikt op zijn leven. Meteen wil je dat boek weer herlezen om te zien of Barnes een tijdreizende tovernaar is. Opnieuw valt je hier zijn lichte en geestige omgang met het bestaan op, die je doet berusten in je eigen lot.
Als hij in het vierde deel zijn relaas over Stephen en Jean vervolgt, noemt hij dat toepasselijk Het eind van het verhaal. Als beiden weer in Barnes’ leven opduiken is het inmiddels veertig jaar later, zo rond 2008. Omdat het middendeel van hun levens ontbreekt, zoekt Barnes al vertellend naar een manier om dat hiaat te overbruggen.
Stephen is inmiddels gescheiden en wil Jean weer eens ontmoeten. Barnes, inmiddels drie jaar weduwnaar, is degene die hem met haar in contact moet brengen. Dat doet hij door Jean naar een ontmoeting met Stephen te lokken. Ontij loert al meteen om de hoek zodra Barnes Proust erbij haalt, die zegt ‘de herinneringen die twee mensen aan elkaar hebben, zelfs als ze verliefd waren, nooit hetzelfde zijn.’ Als Jean dan ook nog tegen hem uitvalt met de woorden dat schrijvers altijd op een heel andere manier over de liefde schrijven dan de praktijk uitwijst, begrijp je dat het noodlot al heeft toegeslagen.
Het aardige aan Vertrek(punt) is dat die mislukte en stereotype love story van Stephen en Jean er helemaal niet toe doet. Het verhaal van hun liefde neemt nog niet de helft van het boek in beslag. Nee, het gaat Barnes er eerder om wat je je echt kunt herinneren van een bepaalde gebeurtenis en wat je daarmee doet als die door de dood is afgesloten. Tegelijkertijd beseft hij machteloos te staan tegenover zijn eigen wispelturige geheugen.
In het laatste deel van zijn boek richt Barnes zich tot zijn lezers en vraagt hij zich af wat zijn boeken nu eigenlijk voor hen hebben betekend. Hij heeft het over de Franse schrijvers van wie hij houdt, over Tsjechov, over het leed dat hij Stephen en Jean heeft berokkend door hen na veertig jaar weer bij elkaar te brengen, over de na hun dood verbroken belofte en over het feit dat je zelfs je geliefden en beste vrienden nooit echt zal leren kennen, omdat ze herinneringen en emoties hebben waar jij je niet van bewust bent.
Maar hij eindigt zijn boek met zijn naderende dood en dat doet hij weer op zo’n lichte manier en ironische manier dat je ook zelf ineens niet meer zo aan het aardse bestaan hecht, alsof het ook voor jou voelt dat je een roeiwedstrijd hebt verloren. Wel moet je van hem het leven hebben geleid dat je voor ogen stond, zoals hij dat zelf heeft gedaan. Met die woorden neemt hij afscheid van zijn lezers. Ik kreeg er tranen van in mijn ogen. Tenslotte heeft hij gezegd dat dit zijn allerlaatste boek is. Gezien de speelsheid ervan ben je geneigd het niet te geloven.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC