Pop- en rockiconen als Taylor Swift en The Beatles zijn hun verleden opnieuw aan het ordenen. Met behulp van AI, heropnamen, biopics en montages proberen ze grip te krijgen op hun nalatenschap. Waarom doen ze dat? En lukt het ook?
Wie tegenwoordig Love Story van Taylor Swift aanklikt op Spotify of Apple Music, hoort een volwassen stem waar ooit een tiener klonk. De frasering is net iets beheerster, de productie gladder en het sprookje minder onbezonnen dan in de originele versie uit 2008. Het verschil is subtiel, maar onmiskenbaar: dit is ‘Taylors versie’.
Dat verschil is geen toeval. Toen de Amerikaanse popzangeres in 2021 haar eerste zes albums onder de noemer Taylor’s Version opnieuw begon op te nemen, werd dat vooral gezien als een zakelijke zet. Swift bezat wel de auteursrechten op haar liedjes, maar niet op de masteropnamen, die sinds 2019 in handen waren van Scooter Braun en later Shamrock Capital. Door haar albums opnieuw op te nemen, maakte ze nieuwe masters en zette ze de oude effectief buitenspel.
Het effect reikte verder dan de juridische paperassen. Swift riep haar Swifties expliciet op om alleen de nieuwe versies te beluisteren; radiostations en streamingdiensten volgden voorbeeldig. De originele opnamen bleven beschikbaar, maar schoven geruisloos naar de zijlijn – en daarmee uit het collectieve geheugen. Voor veel luisteraars zijn de heropnamen inmiddels de standaardversies. De geschiedenis wordt zo met vaste hand overschreven.
Waar Swift vocht om eigendom, grijpen andere artiesten naar AI om hun verleden te herschrijven. Zo brachten Paul McCartney en Ringo Starr in 2023 het nummer Now and Then uit, gebaseerd op een demo die John Lennon eind jaren zeventig opnam – inclusief achtergrondruis. Dankzij AI-technologie, ontwikkeld tijdens de montage van Peter Jacksons Beatles-documentaire Get Back, kon Lennons stem voor het eerst vrijwel volledig worden losgewrikt uit die geluidskluwen – een truc die bij de eerste poging in 1995 nog technisch onhaalbaar was.
McCartney en Starr wilden met die technologie het veelomvattende Beatles-verhaal afsluiten en presenteerden Now and Then als ‘de laatste Beatles-song’. Het kreeg daarmee direct canonieke status. Met de videoclip deden ze er nog een schepje bovenop: Lennon en George Harrison, al decennia overleden, verschijnen daarin digitaal naast McCartney en Starr, gemonteerd in oud en nieuw beeldmateriaal. Voor sommigen ontroerend, voor anderen lichtelijk hallucinant.
De zet was ongekend succesvol. Now and Then bereikte in november 2023 de eerste plaats in de Britse hitlijsten en won in 2025 zelfs een Grammy voor Best Rock Performance – toegekend aan een band die op dat moment al 55 jaar niet meer bestond. Met behulp van archiefmateriaal en AI hebben The Beatles zo alsnog een eigen slotakkoord geschreven.
Dat mechanisme – niet de feiten herschrijven, maar wel de verbeelding – zien we tegenwoordig vaker bij popiconen uit de jaren zestig en zeventig. Rocksterren als Roger Waters (82), John Fogerty (80) en Kate Bush (67) onderwerpen werk dat al decennia bestaat aan een herziening en strijken met digitale correctievloeistof over hun eigen verleden. Dat gebeurt om uiteenlopende redenen: eigendom en zeggenschap, het oppoetsen van reputaties of ter correctie van eerdere, nu betreurde productiekeuzen. Want wie bepaalt hoe deze artiesten herinnerd worden, als ze er zelf niet meer zijn om bij te sturen?
Die vraag is pas recent echt actueel geworden. De afgelopen tien tot vijftien jaar hebben technologische ontwikkelingen het mogelijk gemaakt om diep in bestaand materiaal in te grijpen. Met AI en andere technologieën zijn stemmen uit oude demo’s los te peuteren, archieven opnieuw te rangschikken en heropnamen te presenteren als gecorrigeerde of ‘bedoelde’ versie, zoals bij Roger Waters, die The Dark Side of the Moon vijftig jaar later volledig opnieuw opnam als een persoonlijk herlezing. Zo blijft slechts de fysieke lp in de platenkast onaangeroerd.
Artiesten hebben hun werk altijd al opnieuw bekeken. Re-issues, remasters en boxsets (oude albums opnieuw uitgebracht, opgepoetst of uitgebreid met extra materiaal) bestaan al decennialang. Ze presenteren bestaand werk in een nieuw jasje, meestal zonder het origineel te vervangen, en met een prijskaartje dat keurig met de inflatie is meegegroeid. Soms is de aanleiding juridisch, zoals bij Swift. Zo brachten The Everly Brothers in 1964 al The Very Best of the Everly Brothers uit, met opnieuw opgenomen hits omdat de rechten op de originele opnamen bij een vorig label lagen.
Of neem de heruitgaven van Ozzy Osbournes Blizzard of Ozz (1980) en Diary of a Madman (1981) die in 2002 verschenen, waarin na een royaltyconflict de originele bas- en drumpartijen ongemerkt waren vervangen (tot de albums in 2011 na felle kritiek terugkeerden in hun oorspronkelijke vorm).
John Fogerty maakte het pas echt bont. De voormalige frontman van Creedence Clearwater Revival nam zijn hele verleden gewoon opnieuw op – in z’n eentje. In augustus 2025 verscheen Legacy: The Creedence Clearwater Revival Years, met nieuwe versies van klassiekers als Proud Mary, Bad Moon Rising en Fortunate Son. Fogerty speelde alle instrumenten zélf in. Waarom? Begin 2023 kreeg de frontman, na meer dan vijftig jaar, de rechten terug op zijn zelfgeschreven liedjes. Met Legacy trok Fogerty de touwtjes strak: zijn nummers, zijn voorwaarden. ‘John’s Version’ dus – al waren die CCR-klassiekers dat in wezen ook al. Veel fans blijven daarom trouw aan de originele opnamen, die op radio en streaming dominant blijven als dé klassiekers.
Niet elke herziening is een machtsgreep; in sommige gevallen draait het om reflectie en persoonlijke verwerking. Dat geldt voor Roger Waters, die in 2023 terugkeerde naar zijn beroemdste werk met The Dark Side of the Moon Redux: een volledige heropname van het iconische Pink Floyd-album uit 1973. Geen jubileumeditie, geen opgepoetste klassieker, maar een rigoureuze herlezing. Waters nam het album solo op, met sobere arrangementen, een lager tempo en gesproken teksten waarin hij reflecteert op thema’s als tijd, ouder worden en verlies.
De timing was veelzeggend. De heropname verscheen precies vijftig jaar na het origineel, dat sinds de jaren zeventig onafgebroken meevecht in beste-platen-aller-tijden-lijstjes. Maar het verleden liet zich niet zomaar herschikken. Critici prezen de consequent doorgevoerde invalshoek, maar misten tegelijk de muzikale spanning, chemie en gelaagdheid van het origineel. Voor veel luisteraars voelde Redux vooral als nabeschouwing en niet zozeer als alternatief. In die zin wordt het album gezien als een vorm van zelfbewuste heiligschennis, uitgevoerd door de maker zelf. Sommige albums laten zich nu eenmaal niet herinterpreteren.
Soms gaat het niet om terugkijken, maar om alsnog het laatste woord te hebben. In 2003 bracht The Beatles Let It Be… Naked uit, een herwerkte versie van het album Let It Be (1970), waarin op aandringen van McCartney de door producer Phil Spector toegevoegde orkestraties zorgvuldig waren afgepeld. De uitgave werd gepresenteerd als ‘dichter bij de oorspronkelijke intentie van de band’.
Zangeres Kate Bush ging in 2011 nog een stapje verder. Ze keerde op Director’s Cut terug naar ouder werk uit The Sensual World en The Red Shoes en presenteerde het als een alternatieve montage – alsof ze nu eindelijk zelf de regisseursversie mocht uitbrengen. Een soortgelijk trucje haalde Jeff Lynne, de voorman van de Britse rockgroep Electric Light Orchestra, een jaar later ook uit met Mr. Blue Sky: The Very Best of Electric Light Orchestra. Een album dat zich misleidend presenteerde als een traditionele ‘best of’, maar dat uitsluitend nieuwe, door Lynne zelf ingespeelde heropnamen van ELO-hits bevatte. Dat de originele band nergens te horen is, zag je pas als je de hoes omdraaide: ‘All songs written, produced and performed by Jeff Lynne’.
Die framing als ‘best of’ deed z’n werk. Het album bereikte de top tien in onder meer het Verenigd Koninkrijk en Duitsland en werd door platenmaatschappijen en streamingdiensten jarenlang gepositioneerd als logisch instappunt in de ELO-catalogus. Wie ELO dus na 2012 ontdekte, hoorde vaak eerst Lynnes herziening.
Onder al die heropnamen, montages en juridische rompslomp schuilt één voornaamste drijfveer: regie houden over hoe je wordt herinnerd. In sommige gevallen gebeurt dat met behulp van de deleteknop: in de recente Power to the People-box rond John Lennon en Yoko Ono van afgelopen oktober ontbrak plots het nummer Woman Is the N****r of the World.
Het lied, dat in 1972 bewust choqueerde met zijn titel om seksisme aan de kaak te stellen, riep destijds felle discussies en radioverboden op. Door het nummer nu te schrappen, verdwijnt een van de meest confronterende momenten uit Lennon en Ono’s politieke periode en wordt die fase achteraf als minder scherp en minder controversieel gepresenteerd.
Maar Lennons oude bandgenoten zijn misschien wel het beste voorbeeld van hoe ver die regie kan reiken. Geen band heeft zijn eigen verleden zo grondig tegen het licht gehouden en herzien als The Beatles. Niet alleen met Now and Then; ook middels de recente Anthology-documentaire op Disney Plus ontstaat een alternatief slotverhaal waarin de band niet abrupt implodeert, zoals het daadwerkelijk ging, maar langzaam uit elkaar groeit – met ruimte voor een laatste gezamenlijk statement.
In de documentaire met beelden uit 1995 kijken McCartney, Harrison en Starr als vijftigers ontspannen terug op Beatlemania, ouwehoerend op een picknickkleedje. In de reeks nemen ze zélf de regie over hun geschiedenis, in plaats van louter onderwerp te zijn van andermans documentaire. De losse, verzoenende toon maakt het voorstelbaar dat een reünie in de jaren tachtig niet ondenkbaar was geweest, als de geschiedenis minder hard had ingegrepen.
Wie zijn reputatie wil bijstellen, hoeft zich dus niet te beperken tot muziek alleen. Ook met film sturen popiconen actief bij hoe ze herinnerd willen worden. Bij (daar zijn ze weer) The Beatles bleef het niet bij subtiliteiten. De film Let It Be (1970), die de laatste weken van de band liet zien als gespannen en moeizaam, was jarenlang niet officieel verkrijgbaar, voornamelijk dankzij McCartney, die herhaaldelijk zijn onvrede uitsprak over het sombere beeld dat de film neerzette.
In die Let It Be-loze periode verscheen Get Back (2021), Peter Jacksons documentaire, samengesteld uit hetzelfde bronmateriaal maar met een radicaal andere montage. Omdat het oorspronkelijke filmbeeld lange tijd ontbrak, kreeg Get Back extra gewicht. Voor een nieuwe generatie kijkers, die The Beatles alleen uit archiefmateriaal kent, werd deze montage richtinggevend voor hoe de laatste maanden van de band worden herinnerd.
Of neem Rolling Thunder Revue: A Bob Dylan Story (2019) van Martin Scorsese, waarin authentieke archiefbeelden van Dylans tournee uit 1975 doelbewust worden vermengd met verzonnen personages en fictieve verklaringen. De film presenteert zichzelf als documentaire, maar gedraagt zich daar maar gedeeltelijk naar. Voor de gemiddelde kijker is het onderscheid nauwelijks te maken. Een aanpak die past bij Dylans lange traditie van zelfmythologisering.
Vooral de recente golf aan muzikale biopics laat zien hoe strak reputatie inmiddels wordt gemanaged. Deze films ontstaan zelden buiten het zicht van bandleden, erven of rechthebbenden, en dat maakt ze niet per definitie onwaar, maar wel enorm gekleurd (met I Wanna Dance With Somebody over Whitney Houston en Back to Black over Amy Winehouse als schrijnende voorbeelden). Ook Bohemian Rhapsody (2018) droeg nadrukkelijk de handtekening van Queen-leden Brian May en Roger Taylor. Het resultaat was een veilig, sterk vereenvoudigd portret, waarin interne conflicten en drugsgebruik zorgvuldig werden afgevlakt, ten gunste van een heldere heldenreis – en dus een breder publiek.
Een vergelijkbare voorkeur voor mythologie boven frictie was zichtbaar bij Elvis (2022), dat tot stand kwam met medewerking van het Presley-kamp. Maar dat zulke regie niet automatisch tot opsmuk hoeft te leiden, bewijst Springsteen: Deliver Me from Nowhere (2025). Ook hier schreef Bruce Springsteen zelf mee aan het verhaal – niet om zijn imago op te poetsen, maar om zíjn versie van die periode te vertellen. En dat resulteerde in een verrassend waarheidsgetrouwe film.
In dit licht zijn de vier afzonderlijke Beatles-biopics die in 2028 worden verwacht bijna een logisch vervolg. Nadat The Beatles hun geschiedenis al herschikten via Get Back, Anthology en Now and Then wordt nu zelfs hun persoonlijke levensverhaal opnieuw geknipt en geplakt – onder toeziend oog van McCartney en Starr, uiteraard.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant