Home

Is er ook een afnemend grensnut voor medailles?

is journalist en columnist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen.

Staand, liggend op de buik en op de rug op een sleetje rijden – respectievelijk snowboarden, skeleton en rodelen. Het is allemaal flauwekul, maar de media hebben al weken olympische ringen in de ogen in een poging het volk op te warmen voor de Winterspelen.

Komende vrijdag begint het sportieve onderonsje van de voormalige witte kolonialen. En Nederland zal zonder twijfel weer heel veel medailles oogsten. Misschien is dat een zegen voor het land. Misschien een probleem voor de sporters. De waarde van de plakken neemt af als er steeds meer worden gewonnen. Het is de wet van het afnemend grensnut (de eerste wet van Gossen, als die tenminste nog in de economieboekjes staat), die zegt dat de eerste eenheid de meeste voldoening geeft. En daarna wordt elke extra eenheid minder gewaardeerd.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Verwacht wordt dat Nederland in Milaan zo’n zeventien medailles, waarvan acht keer goud, behaalt – vooral bij langebaanschaatsen en shorttrack. Dat het voor Nederlanders relatief zo gemakkelijk is een medaille te halen, maakt het minder bijzonder.

Jenning de Boo en Marijke Groenewoud zouden zogezegd op een veel hoger podium staan als ze zouden schaatsen voor Mexico of Indonesië, die op de Winterspelen figureren (als ze al meedoen).

Het was anders in 1964 toen de Spelen voor het eerst rechtstreeks te zien waren op de zwart-wittelevisie en Sjoukje Dijkstra goud won bij het kunstrijden. Heel het land verkeerde in euforie, want Nederland had nog nooit goud gewonnen op de Winterspelen. Helaas voor haar bleef het beperkt tot eeuwige roem, want olympiërs moesten amateur zijn.

In 1988, toen Yvonne van Gennip drie keer goud won in Calgary, liep het land ook uit. Want vier jaar eerder was in Sarajevo was geen enkele medaille gehaald.

Sinds de jaren negentig haalt Nederland steeds meer medailles, omdat het een welvarend land is met enorm veel faciliteiten waarin sporters ook de beste training en begeleiding kunnen krijgen. Geen land heeft zo veel kunstijsbanen binnen een voor iedereen bereikbare afstand. Daarnaast is topschaatsen een goedbetaalde fulltimebaan geworden.

Maar een medaille is allang niet meer genoeg om in de historische annalen te worden opgenomen, hoewel de commentatoren continu zullen roepen dat ‘hier geschiedenis wordt geschreven’. De naam van Jochem Uytdehaage (twee keer goud op de Winterspelen in Salt Lake City) is al bijna vergeten. Als hij die medailles in de jaren vijftig had gewonnen, zou hij een legende zijn geweest. Atleten die willen binnenlopen moeten niet alleen winnen, maar ook de X-factor hebben, zoals Jutta Leerdam, Joy Beune en Kjeld Nuis. Zij krijgen de meeste aandacht van de (sociale) media en kunnen via tv-reclamespots de kassa laten rinkelen.

De brede interesse voor de Spelen is tanende. Volgens onderzoeksbureau Motivaction is die er nog vooral bij witte mannen van 55 jaar en ouder. Onder de 18- tot 24-jarigen vindt nog maar 30 procent ze van enig belang.

Het huldigen van medaillewinnaars in hun woonplaatsen is zelfs een plichtpleging geworden voor burgemeesters.

Hopelijk worden we niet te goed in sleetjerijden.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next