En als je nou eens Adam, Eva en God wegdenkt van de slang? Aan dat idee wijdde Jacoba van Heemskerck in 1918 een stralend schilderij (nu te zien in het Haagse Kunstmuseum). De slang in haar eentje is een schrander wezen dat danst door het paradijs. Haar partner is de boom die niet ‘der kennis’ is maar gewoon een mooie boom met swingende takken.
Het kwaad komt dus van dat bijbelse drietal, maar de slang zit ermee. En sinds de middeleeuwse heksenjacht ook de vrouw op wie vuilspuiters het hebben gemunt. Wat moet dat hatelijke: „Er zijn slangen die minder slissen” in een column die ik ergens las over Vanja Kaludjercic? Sinds zes jaar is ze de directrice van het IFFR, het filmfestival in Rotterdam en het grootste culturele evenement van Nederland. Dat is een fikse prestatie, en die levert ze met behoud van haar ongeposeerde, eigen stijl. Ze is niet moederlijk en niet one of the boys en lief doet ze niet. Ze is zakelijk in haar beslissingen Ze is zichzelf, voor zover ik dat kan zien. Een bevlogen cinefiel, en een stevige ambassadeur van de film en haar festival.
Maar ja, in haar openingstoespraak viel ze de monkelende auteur van het minne stukje lastig met de misère in Gaza en Oekraïne, terwijl haar openingsfeest geen stoer drankgelag was zoals ‘vroeger’. En ze programmeerde voor die openingsavond een tegendraads alternatieve film, IFFR-oprichter Huub Bals deed niet anders en met satanisch genoegen, en hem is dat nooit kwalijk genomen, integendeel. Het gold als een geuzenactie. Over zijn gebrom ging het nooit, waar Kaludjercic’ woorden nu worden neergezet als ‘gewauwel’ (zie Eucalypta uit Paulus de boskabouter).
Amanda Seyfried in ‘The Testament of Ann Lee’.
Ik stel waakzaamheid voor. Vanja Kaludjercic is een slimme, kundige vrouw, een dansante slang à la Van Heemskerck, en die mag niet onweersproken worden afgebrand door het Kwaad. Ze leidt het festival eigenzinnig – zoals dat hoort, ook als je een vrouw bent. Ik volg het IFFR al heel lang, ik ben er nu weer. Ik zie, als altijd, vreselijke films en mooie films. En experimentele films. En traditionele films. En soms een fantastische film die dat allemaal tegelijk is.
Ik zie The Testament of Ann Lee, een film over een 18de-eeuwse religieuze sekte van de quakers. Het bulkt van de christelijke propaganda, maar ze maakten er een musical van en ik val als een blok voor de, in dat genre ongebruikelijk serieuze, song & dance. Daarna beland ik bij een film die Fackham Hall heet. Het blijkt een dolgedraaide satire op Downton Abbey te zijn die geen grap, hoe flauw ook, laat liggen. Ik zie een hedendaagse oudere-mensenvariatie op de nouvelle-vagueklassieker Jules et Jim. Een fantasy-folie die vanuit 1910 de lof van het experiment zingt. Een krankzinnige gijzelingsthriller. Een Italiaans tennis-melodrama. Ik vind de films geweldig en slecht. En prachtig en achterlijk. En ik word hartstochtelijk tegengesproken. Dat is het geheim van een filmfestival: je zag hetzelfde en je maakte iets heel anders mee.
Source: NRC