Coalitieakkoord Het kabinet is helder over waarin het gaat investeren, maar zwijgt over waarmee het wil stoppen, ziet Hans Stegeman. We zijn het huis aan het verbouwen terwijl het fundament verder wegzakt.
Politie-optreden bij protest door klimaatactivisten op de A12.
Het coalitieakkoord heet ‘Aan de slag’. Twintig miljard voor stikstof. Vier kerncentrales. 100.000 woningen per jaar. Wind op zee. Defensie naar 3,5 procent van het bbp. Het is een akkoord van grote ambities en grote getallen. Eindelijk beweging na jaren stilstand, zou je zeggen.
Hans Stegeman is hoofdeconoom bij Triodos Bank.
Maar wie het akkoord aandachtig leest, merkt dat er iets fundamenteels ontbreekt. Het kabinet is helder over waarin we gaan investeren. Over waarmee we stoppen blijft het vrijwel stil. Dat is een blinde vlek. Stoppen is geen gebrek aan ambitie, maar essentieel voor beleid in een vol land.
Echte verandering begint niet met investeren, maar met kiezen. Met afscheid nemen. Wie gezonder wil eten, koopt niet alleen groenten, maar gooit ook de koekjes weg. Wie zijn huis wil verbouwen, sloopt eerst wat niet meer deugt. En wie een economie wil verduurzamen, kan niet eindeloos blijven doen wat diezelfde economie ondermijnt. Zeker niet in een land waar ruimte, mensen en grondstoffen schaars zijn.
Neem de fossiele subsidies. Nederland geeft jaarlijks tientallen miljarden euro’s uit aan belastingvoordelen voor fossiele brandstoffen: vrijstellingen voor kerosine, kortingen voor de glastuinbouw, lage accijnzen op diesel. Het akkoord zegt daarover één ding: afbouwen gebeurt „in Europees verband”. Dat is diplomatentaal voor: we doen het niet. Sterker nog, fiscale voordelen worden eerder bestendigd dan afgebouwd.
Of neem Tata Steel in IJmuiden: verantwoordelijk voor 7 procent van onze totale CO₂-uitstoot en bron van ernstige gezondheidsklachten in de omgeving. Het akkoord spreekt over „groene staalproductie”. Maar past een fabriek van deze omvang nog in een land dat in 2050 klimaatneutraal wil zijn? En moeten we daar miljarden publiek geld aan uitgeven? En zo nee, hoe bouwen we dat dan fatsoenlijk af? Die vraag wordt niet gesteld.
Hetzelfde patroon zien we bij de luchtvaart, de landbouw en de industrie: investeren, moderniseren, verduurzamen, maar zelden expliciet stoppen. We praten uitgebreid over het nieuwe. Over het oude zwijgen we. Onder al deze keuzes ligt een dieper geloof: groei is altijd goed. Meer economische activiteit is vooruitgang. Dus sturen we op 1,5 procent bbp-groei, zonder te vragen: groei van wát?
Alles wat geld kost, telt mee als groei – ook als het schade herstelt die we zelf veroorzaken. Een extra soldaat telt economisch net zo hard mee als een extra verpleegkundige. Groei van schadeherstel na overstromingen net zo goed als groei van onderwijsuitgaven. Wie de richting van groei ter discussie stelt, wordt al snel weggezet als naïef. Alsof minder van het verkeerde automatisch minder welvaart betekent. Maar dat is geen natuurwet. Het is een aanname.
Sommigen zullen zeggen: laat de markt het doen. Bedrijven die geen toekomst hebben, verdwijnen vanzelf. Er komen betere voor terug. Dat klinkt logisch, maar het gebeurt niet. Een paar dagen voor het coalitieakkoord verscheen het -rapport Staat van de Markt van de Autoriteit Consument & Markt. De conclusie: concurrentie neemt al jaren af, gevestigde belangen worden sterker, en nieuwe toetreders krijgen minder ruimte. Juist de sectoren die zouden moeten krimpen weten hun positie te beschermen met lobby’s, vrijstellingen en uitzonderingen. De markt is geen frisse wind, maar steeds vaker een gesloten bastion.
Afbouwen gebeurt dus niet vanzelf. Het vraagt sturing, regie en politieke keuzes. En precies daar blijft dit akkoord vaag.
Sommige zaken móéten kleiner worden. Het gebruik van fossiele brandstoffen. Het aantal vluchten. De stikstofuitstoot van de intensieve veehouderij. Niet omdat iemand mensen iets wil afpakken, maar omdat de fysieke werkelijkheid grenzen stelt. De atmosfeer kan niet eindeloos CO₂ opnemen. De bodem kan geen onbeperkte stikstof aan. Dat zijn geen meningen, maar feiten.
En er is nog een reden. De mensen die nu werken in sectoren die per saldo meer schade dan waarde opleveren, zijn hard nodig elders – in de zorg, bij defensie, in het onderwijs, in de energietransitie. De ruimte die nu wordt ingenomen door vervuilende activiteiten, hebben we nodig voor woningen, natuur en toekomstbestendige bedrijvigheid.
Niet stoppen is geen neutrale keuze. Het is actief kiezen om schaarse mensen en schaarse ruimte verkeerd te blijven inzetten.
Stoppen hoeft geen ramp te zijn. De Britse mijnindustrie werd in de jaren tachtig in één klap gesloten, met desastreuze sociale gevolgen die generaties doorwerken. Maar Duitsland bouwt de bruinkoolsector geleidelijk af, met herscholing en regionale investeringen. Spanje doet hetzelfde met steenkool.
Goede afbouw vraagt vier dingen. Ten eerste: een einddatum. Niet morgen alles dicht, maar wel een helder moment waarop vervuilende activiteiten ophouden. Dat geeft bedrijven en werknemers duidelijkheid. Ten tweede: een eerlijk verhaal. Zeg wat geen toekomst heeft en waarom. Niet om te straffen, maar om mensen serieus te nemen.
Ten derde: sociale bescherming. Herscholing, regionale investeringen, zekerheid voor gemeenschappen. Afbouw mag nooit betekenen dat mensen worden achtergelaten. En ten vierde: een alternatief dat klaarstaat. Stop pas met het oude als het nieuwe er is.
Dit is geen radicale agenda; het is volwassen beleid.
Deze minderheidscoalitie wil aan de slag. Ze heeft plannen, geld en daadkracht. Maar zolang investeren in het nieuwe niet gepaard gaat met afscheid nemen van het oude, zijn we het huis aan het verbouwen terwijl het fundament verder wegzakt. De vraag is niet alleen waar we geld aan uitgeven; de echte vraag is waar we mee durven stoppen.
Zolang die vraag onbeantwoord blijft, is ‘Aan de slag’ vooral een akkoord van goede bedoelingen. En uitstel.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC