Home

De praktische vragen leer je niet uit boeken, maar op de werkvloer, en vooral van verpleegkundigen

van de Goor is huisarts en columnist van de Volkskrant.

‘Mag de drain eruit?’, vraagt de verpleegkundige. Ik werk als arts-assistent chirurgie, als onderdeel van mijn opleiding tot huisarts, in een klein ziekenhuis. De patiënte heeft een borstoperatie ondergaan vanwege borstkanker. Uit haar huid steekt een slangetje met een zakje troebel vocht.

Ik kijk naar de verpleegkundige en weet het antwoord niet. Ze ziet het en zegt, zonder spot of verwijt: ‘Volgens het protocol mag de drain eruit als hij minder dan dertig milliliter per dag loopt.’ Ik blader in het dossier. ‘Twintig milliliter’, zegt ze. ‘Dank, dan mag hij eruit’, zeg ik. Ze noteert het in het dossier.

De verbazing over dit soort momenten heb ik inmiddels achter me gelaten. In het begin voelde het ongemakkelijk, bijna beschamend. Verpleegkundigen kennen de protocollen beter dan ik. Ik heb geleerd over tumorgroei, histologische afwijkingen, T-celactivatie en genetische aanleg, maar praktisch gezien weet ik weinig. Hoeveel zuurstof geef je bij benauwdheid? Wanneer mag een drain eruit? Wat is normale postoperatieve pijn? Dat leer je niet uit boeken, maar op de werkvloer, en vooral van verpleegkundigen.

Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Maar zo werkt het systeem: alleen een arts mag beslissen of een drain verwijderd wordt, of medicatie wordt aangepast, of iemand naar huis kan. Op de afdeling werken verpleegkundigen die precies weten wanneer iets kan of niet kan. En om de paar maanden verschijnt er weer een nieuwe dokter op zaal. Soms ervaren, vaak ook beginnelingen zoals ik.

Ik leer snel hoe te overleven. Het is onmogelijk om elk protocol te raadplegen, zeker niet met een kring verpleegkundigen om je heen, wachtend op een antwoord dat zij allang kennen. Ik leer dus ook hoe afhankelijk ik van hen ben. En ik leer wie mij wil helpen, wie corrigeert zonder te kleineren, wie het verschil kent tussen formele hiërarchie en feitelijke deskundigheid.

Toch blijft het wringen. De formele verantwoordelijkheid ligt bij mij, ook wanneer ik die nauwelijks kan dragen. Dat besef maakt nederig, maar ook nerveus. Want ik neem verantwoordelijkheid op geleende kennis.

Het systeem draait op snelheid. De verpleegkundigen willen hun ronde afmaken, hun werk doen, en misschien zelfs nog een pauze halen. Dus zeggen zij wat er moet gebeuren, ik spreek het uit, en zij voeren het uit. Het is een ritueel dat iedereen kent.

Na drie maanden op zaal werk ik zes maanden op de spoedeisende hulp. Dat is spannender. Er werkt een norse oudere verpleegkundige met een uitgesproken hekel aan arrogante jonge dokters. Zij ziet onmiddellijk wie denkt dat kennis gelijkstaat aan kunde. Arrogantie verdraagt ze slecht. Dan laat ze je eerst even aanklooien, zwijgend en zichtbaar tevreden, om daarna genadeloos duidelijk te maken welke opdrachten ontbraken, wat fout ging en dat zij het opnieuw heeft moeten oplossen om te voorkomen dat de patiënt daaronder zou lijden.

Mij gedoogt ze. En voor patiënten is ze fantastisch: snel, scherp en ervaren.

Op een dag roept ze me weg bij een andere patiënt. ‘Je moet nú komen.’ Een enkelluxatie (ontwrichting, red.), zegt ze. Met een bedreigde voet. ‘Je moet nú reponeren (op zijn plaats leggen, red.).’

De voet van de man staat vrijwel naast zijn enkel. Hij heeft ondraaglijke pijn. Twee ampullen liggen klaar: pijnstilling en een spierverslapper. ‘Die enkel moet nú terug’, zegt ze.

Normaal overleg ik hierover met mijn supervisor. Ik pak mijn pieper, maar ze schudt haar hoofd. ‘Hij staat op de ok. Jij doet het.’ Ik zeg dat ik hier geen ervaring mee heb. ‘Ik wel’, zegt ze. ‘Jij trekt. Ik praat je erdoorheen.’

De medicatie werkt. Ik pak de voet vast. Twee verpleegkundigen fixeren het bovenbeen. ‘Harder’, zegt ze. Ik trek. We zweten. De man kermt. ‘Iets naar buiten. En nu: zo hard als je kan.’

Dan een doffe ‘klonk’. Ik laat los. De voet zit terug. De enkel is dik en blauw, maar anatomisch weer herkenbaar. De man ontspant iets. ‘Foto?’ ‘Ja graag.’ De man wordt weggereden voor een röntgenfoto.

Als hij weg is, ga ik zitten en merk dat ik tril. De verpleegkundige komt naast me zitten. ‘Dankjewel’, zeg ik. ‘Jij ook’, zegt ze.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next