Home

Het mooie aan de dagboeken van Mensje van Keulen is dat het geploeter volop aan bod komt

is columnist voor de Volkskrant

‘Door te lang doorwerken en de drank die ik er even bij nodig had, reed ik gisteren met Aldo later op de ochtend pas naar Brabant. We besloten niet eerst naar de Efteling maar naar het Safaripark te gaan.’

Dit is een dagboeknotitie van 7 mei 1986 uit het dagboek van Mensje van Keulen, de derde in een reeks van haar dagboeken. Deze heeft de titel Omgeslagen dagen, dagboek 1983-1987.

In die paar zinnen zit heel Mensje van Keulen uit de jaren tachtig, of nou ja, niet heel, er komt nog veel meer aan bod, maar vooral het deel dat mij intrigeert, ook in eerdere delen van haar dagboeken. Ze werkt een nacht door aan een verhaal, drinkt daar veel bij (‘even nodig’), rijdt vervolgens met haar zoontje naar de Efteling en besluit eerst naar het Safaripark te gaan. Erna komt dus nog die Efteling! En: ze noteert dat dan ’s avonds ook nog allemaal in haar dagboek. Op dezelfde dag schrijft ze ook nog over Tsjernobyl, een boek van Céline, een literatuurlexicon waarin haar werk ‘nogal onheus’ wordt bejegend, en de kat. Een vol leven, allemaal in korte, droge zinnen genoteerd.

Dagboeken van schrijvers, en andere bekende mensen, zijn vaak een fascinerende aaneenschakeling van spannende en intrigerende gebeurtenissen, maar wat zo mooi is bij Mensje van Keulen is dat het geploeter bij haar ook altijd aan bod komt. Het grote geploeter en het kleine geploeter, en de combinatie van die twee. (Naar aanleiding van Tsjernobyl stelt ze zich in haar dagboek de vraag ‘Moet ik de Yoki-drink weggooien?’).

Het geploeter gaat vaak over werk en mannen. Werk dat soms niet wil lukken, en mannen die ook niet echt lukken. Ze heeft een ex, met wie ze haar zoontje heeft, en er dwalen altijd mannen haar leven in en uit. Dan is er nog een eindeloze schare vrienden, bijna allemaal uit de bohemien scene van Amsterdam uit de jaren tachtig. (Ik kom zelf, als kind, ook als figurant in het dagboek voor, als Van Keulen mijn vader, ook schrijver, ziet bij de Sinterklaasoptocht. ‘Ik zag hem hand in hand lopen met zijn kinderen. Hij ziet er goed uit, lijkt op Roald Dahl.’)

Die groep door Amsterdam struinende kunsttypes bestond vooral uit mannen, mannen met nogal grote monden en branie, stel ik me zo voor: Harry Mulisch leefde nog volop. Het prettige aan Van Keulen is dat ze ondanks haar succes ook heel eerlijk is over hoe dingen vaak niet gaan. Ze zit in een pension om te schrijven. ‘Een vloed aan ideeën. Iets ervan opgeschreven? Ho maar.’

Ze schrijft over schrijven, maar ook heel vaak over niet schrijven, wat, vermoed ik, een groot deel van de dagbesteding is van elke schrijver. Maar alleen de beste schrijvers kunnen van dagboekaantekeningen over niet-schrijven een fantastisch boek maken.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next