Er is een bestand tussen de Syrische regering en de Koerdische strijdgroep SDF. Maar in het Koerdisch gebied zijn er meer twijfels dan zekerheden, blijkt in de steden Hasakah en Qamishli. ‘We zitten nog in de mist.’
is correspondent Midden-Oosten van de Volkskrant. Hij woont in Amman.
In een wolk van lawaai en dieseldamp komen de tanks tevoorschijn. De rupsbanden brullen. Achter elkaar rollen de monsters richting een rotonde aan de rand van de stad Hasakah. Soldaten hebben zich op de geschutskoepel genesteld, Koerdische vlaggen in paraatheid. Hup, gas geven, een demonstratierondje voor de persfotografen en dan gelijk nog maar een. Twee vingers gaan in de lucht, de oorlog is voorbij.
In het noordoosten van Syrië is het zaterdag the day after. In ieder Koerdisch huishouden zijn mensen wakker geworden met meer vragen dan antwoorden, meer twijfels dan zekerheden. Als de tankbemanning uitgelaten oogt, is dat schijn. Er ligt een politiek akkoord (plus een staakt-het-vuren), vrijdag beklonken, tussen de Syrische regering van president Ahmad al-Sharaa en de Koerdische strijdgroep SDF (voluit de Syrische Democratische Strijdkrachten), maar wat betekent die deal in de praktijk?
‘We zitten nog in de mist’, zeggen Koerden elkaar na. Of: ‘We wachten nog op de implementatie.’
De meesten zijn opgelucht dat een bloedige confrontatie met Damascus voorlopig van tafel is, en toch voeren boosheid en ontreddering de boventoon. Logisch ook, want de deal met Sharaas regering leest als een nederlaag. De Koerdische droom van autonomie is doorgeprikt. De SDF, verstoken van bondgenoten en dus met de rug tegen de muur, heeft zichzelf opgeheven. Maandag zullen de eerste politietroepen uit de hoofdstad naar verwachting de Koerdische straten van Hasakah en Qamishli binnenrijden.
Naast de rotonde waar de tanks hun show geven, warmt een handvol SDF-soldaten zich aan een smeulend vuurtje. Hoewel ze hun leiders niet af willen vallen, staat de ontevredenheid op hun gezichten getekend. ‘We hadden door moeten gaan met vechten’, bast de 21-jarige Masoud (een pseudoniem, SDF’ers geven zelden hun echte naam). ‘Natuurlijk zullen we dit akkoord uitvoeren, maar zonder enig vertrouwen. Die HTS-bende (afkorting voor Hayat Tahrir al-Sham, Sharaa’s voormalige militie, red.) blijft onze vijand.’
Over de uitwerking van het akkoord lopen de versies uiteen. Aan Koerdische kant klinkt bijvoorbeeld de uitleg dat de politietroepen uit de hoofdstad ‘tijdelijk’ komen met een ‘symbolische’ aanwezigheid, terwijl die kwalificaties in Damascus uitblijven. Duidelijk is wel dat het oude, semi-autonome gebied van de SDF bijgeschreven gaat worden in de geschiedenisboeken. Een echte staat was het nooit, maar met eigen vlaggen, logo’s, ministers, grensposten, schooldiploma’s en semidiplomatieke ‘vertegenwoordigingen’ in het buitenland kwam het daar toch bij in de buurt.
Bij de SDF willen functionarissen begrijpelijkerwijs geen woord kwijt over dit verlies; partijwoordvoerders blijven zaterdag urenlang onbereikbaar. Bij de wachtpost heeft de tengere Cigdem (19) zich in een mantel gewikkeld tegen de ijzige kou. Afgaande op de eerste berichten zal ook haar eenheid, de ‘Vrouwelijke Beschermingseenheden’ (YPJ), op termijn gaan integreren in het Syrische leger. Deze kleine, eigengereide vrouw – sigaret in de mondhoek, kalasjnikov om de schouder – zal dan moeten luisteren naar de bevelen van de orthodox-islamitische generaals tegen wie haar groepering jarenlang streed.
Cigdem schudt het hoofd. ‘We houden onze eigen commandanten’, zegt ze stug. ‘Zij gaan hun vlaggen planten en wij de onze.’ Sharaas mannen hebben volgens haar ‘geen waarden. Ze zijn onmenselijk. Internationaal kennen veel mensen vrijheid en democratie. Dat willen wij ook.’
In Hasakah hoef je niet ver te zoeken naar een ander geluid. De stad is gemengd. Behalve Koerden wonen er ook Arabieren, onder wie zowel christenen als moslims. Velen zien de SDF graag verdwijnen. In koffiehuis Amigos wisselen vrouwen lurkend aan een waterpijp de laatste nieuwtjes uit. ‘Hopelijk kunnen we nu terug naar één Syrië’, zegt de 45-jarige uitbater Johnny Babougian (van Armeense komaf). ‘We hebben veiligheid nodig, zoals die er ook was onder president Assad (de gevallen dictator, red.), vóór de uitbraak van de burgeroorlog.’
Als onderdeel van het akkoord mogen honderdduizenden ontheemden terug naar huis. Zes à zeven jaar geleden werden ze verdreven toen buurland Turkije tweemaal noordelijk Syrië binnenviel, met de bedoeling de SDF te verdrijven. Nu er een akkoord ligt, lijkt de weg voor Koerden vrij om terug te gaan naar huis – met de nadruk op ‘lijkt.’
De praktijk is, zoals vaker in het door oorlog vernielde land, een tandje of drie ingewikkelder. In een moskee in Qamishli, anderhalf uur rijden verderop, slapen tientallen gezinnen op dunne matrasjes. Ze waren al ontheemd, maar tijdens deze laatste gevechtsronde zijn hun levens voor de tweede keer overhoop gehaald. Soms krijgen ze wat te eten van een Iraakse liefdadigheidsorganisatie.
Neem de 35-jarige Mustafa Abdelkader, vader van drie kinderen. Hij durft onder geen beding terug naar Ras al-Ain, de streek waar hij vandaan komt. De pro-Turkse milities die hem ooit verdreven (en die er de dienst uitmaken), zijn opgegaan in Sharaas leger, maar daarmee zijn ze volgens Abdelkader niet van karakter veranderd. ‘Het zijn radicalen met lange baarden. Ik kan ze niet vertrouwen.’
Dat laatste sentiment leeft breder. Een akkoord kun je uitonderhandelen, vertrouwen niet. Op de lokale bazaar, tussen het winkelend publiek, verkoopt de 21-jarige Hamo Faris Koerdische vlaggen van koffietafelformaat. Zijn toon wordt grimmig als hij het over de aanstaande komst van nationale politieagenten heeft. ‘We zullen niet toestaan dat ze ook maar een centimeter grond komen bezetten.’
Een vriend die erbij is komen staan, tilt zijn jas op en toont de wapenholster op heuphoogte. Hij zegt dat hij ’s nachts met het wapen slaapt. Faris knikt, hij doet hetzelfde. De oorlog is voorbij, de waakzaamheid allerminst.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant