Toen journalist Lisanne van Sadelhoff ziek thuis kwam te zitten, overviel haar een belangrijke maar ongemakkelijke vraag: wie ben ik eigenlijk zonder werk?
schrijft voor Volkskrant Magazine.
De afgelopen maanden heb ik vaak op de drempel van mijn huis gestaan met een steek van jaloezie in mijn 36-jarige lijf. Vanaf die drempel zwaaide ik mijn vriend uit die naar zijn kantoor ging (hij wel), ik zag mijn overbuurvrouw naar haar school fietsen (zij wel) en mijn buurman in de auto stappen, laptoptas op de bijrijdersstoel (zijn laptop wel).
Nee, dan ik. Ik stapte stilletjes op mijn sokken weer terug mijn woonkamer in, want ik, journalist, naar eigen zeggen behoorlijk ambitieus en evenzo enthousiast, zat voor het eerst van mijn leven thuis. Door één moment van onoplettendheid van een medeweggebruiker werd op de A12 mijn altijd weggewuifde doemscenario (zoiets overkomt ánderen) ineens bewaarheid: ik had een fikse hersenschudding. Ik wist niet dat een mens zoveel pijn kon hebben. Ik lag urenlang naar mijn plafond te staren (er zitten twaalf scheurtjes in). Ik telde de minuten weg op de klok (het zijn er 1.440 in één dag). Ik vroeg me elke dag om 20.00 uur af of het al geoorloofd was om naar bed te gaan.
De artsen raadden me een schermloos bestaan aan; ik stapte uit groepsapps, verwijderde Instagram en LinkedIn van mijn telefoon, stelde een autoreply in voor al mijn opdrachtgevers en belde mijn vriend huilend op dat ik een autoreply had ingesteld voor al mijn opdrachtgevers [insert een hoop gevloek].
Ik legde me toe op het bakken van bananenbrood, het lezen van kinderboeken (iets anders lukte cognitief niet), het verven van tuinkabouters (ja, echt) en het kleuren van mandala’s uit Misha’s mandala’s, symmetry in action. Als ik dan aan het eind van de dag naar dat stapeltje ingekleurde kleurplaten keek, overviel schaamte me.
Terwijl collega’s boekcontracten binnenharkten, hele tv-programma’s op poten zetten, artikelen publiceerden en in hun vrije tijd Strava uitspeelden of op terrassen neerploften, verdween ik een beetje uit mijn eigen leven. Van iemand die graag en vaak het licht uitdeed, werd ik iemand tegen wie vrienden, na een feestje, zeiden: ‘Ze vroegen nog naar je.’ De enige levenstekenen die mensen nog van me kregen, waren online en betroffen oproepjes als ‘kaartje Dropkick Murphys te koop’, ‘iemand zin in een hotelovernachting in Antwerpen, gratis over te nemen!’ Mijn gevoel van nutteloosheid werd helemaal compleet toen ik na een paar weken, uit nieuwsgierigheid, weer in mijn mail inlogde. Enkel reclame van Hallmark, Rituals en de nieuwsbrief van de plaatselijke bibliotheek wisten me nog te vinden.
In al die plafonduren heeft een mens veel tijd om veel na te denken, en dus drong zich een ongemakkelijke vraag op: wie was ik nog zonder werk? En vond ik – opgegroeid met het idee dat alles om liefde, vriendschap en ‘een fijn mens zijn’ draait – werk echt zó belangrijk? Hoe is dat zo gekomen?
‘We hebben geleerd dat hard werken beter is dan ontspannen, dat onze waarde als mens afhangt van onze productiviteit en dat het nooit genoeg is’, schrijft filosoof Lieke Knijnenburg in haar essay Een schitterende leegte (2025), waarin ze zich verzet tegen onze (en haar eigen) obsessie met productiviteit. ‘Tot de industriële revolutie waren mensen gewend te werken tot ze genoeg hadden om van te leven, arbeid op zich had geen waarde en winst maken werd gezien als moreel verwerpelijk.’
Tegenwoordig houdt kapitalisme ons gevangen in een door onszelf gecreëerde spiraal. We verlangen naar succes, status, verre reizen en mooie spullen, en dat zijn stuk voor stuk dingen die we kunnen krijgen door veel te werken (net als een burn-out). Hoewel de generaties Y en Z steeds vaker vrijheid boven overwerken verkiezen, is in politiek Den Haag de hardwerkende Nederlander altijd nog het stokpaardje, en ook bij oudere generaties is hard werken nog steeds de norm, sterker: haast stoer.
Op LinkedIn zet je niet dat je werkloos bent, maar ‘op zoek naar een nieuwe uitdaging’ en als ik een bekende vraag hoe het gaat, krijg ik negen van de tien keer een werkgerelateerd antwoord: ‘nieuwe baan’, ‘spannende dingen op werk’. Iets wat weinig vertelt over hoe iemand zich voelt, maar vooral wat iemand belangrijk vindt. Werk geeft ons een plekje in de samenleving.
De Britse filosoof Alain de Botton vergelijkt in zijn boek Ode aan de arbeid (2008) onze samenleving met een ‘menselijke bijenkorf’. Hierin is ieder werkend mens een radertje in een groter geheel, dat – als iedereen zijn betaalde taken goed uitvoert – als een geoliede machine functioneert. Ga maar na: een leraar kan naar zijn werk door de automonteur die zijn auto heeft gerepareerd, de monteur kon naar de werkplaats doordat de tandarts hem hielp met die ontstoken kies, de tandarts is in staat om gebitten te behandelen doordat zijn kroost naar school gaat.
Maar in die bijenkorf zitten ook mensen in die géén (betaald) werk doen. Afgaande op cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek waren er eind vorig jaar 13,4 miljoen mensen in ons land tussen de 15 en 75 jaar die zouden kunnen werken. Van die mensen behoorde 10,3 miljoen inderdaad tot de beroepsbevolking, en 3,2 miljoen dus tot de zogenoemde niet-beroepsbevolking. Verreweg het grootste deel daarvan bestaat uit mensen die met pensioen zijn of niet in staat zijn om te werken wegens ziekte of andersoortige arbeidsongeschiktheid (in totaal 2,9 miljoen).
Bij die laatste twee groepen zit doorgaans veel verdriet en eenzaamheid achter de gemiddelde autoreply, of afscheidsborrel, weet re-integratiepsycholoog Janske van Eersel. Ze begeleidt al jarenlang uitvallers en zag ‘heel wat tranen’. Zo zal ze nooit de succesvolle kunstenares vergeten. Ineens kwam er niets meer uit haar handen. ‘Opgebrand’, zei de arts. ‘Al mijn zelfvertrouwen kwijt’, zei de vrouw zelf nadat ze een tijdje thuis zat. De eerste vraag die cliënten dan ook vaak aan Van Eersel stellen, is: ‘Wat moet ik doen om weer aan de bak te kunnen?’ ‘De meesten maakten zich meer zorgen om hun werkzaamheden dan om hun gezondheid.’ Ook een veelvoorkomende zorg: wat moet ‘de rest’ wel niet denken? ‘Je moet er maar eens op letten, op verjaardagen. Eén van de eerste vragen die wordt gesteld, is ‘wat voor werk doe je?’
Dat we werk ‘vaak veel te hoog’ hebben zitten, komt volgens Van Eersel onder andere door het gemakzuchtige idee dat iedereen die wil werken ook kán werken. ‘Maar daar zijn bepaalde voorwaarden, zowel fysiek en mentaal, voor nodig. Je hoeft maar één of twee keer in het leven pech te hebben, en jij bent het die bij de bedrijfsarts zit.’
Het viel Van Eersel in alle gesprekken op dat veel klachten leken op die van rouw: slecht slapen, somberte, onrust, piekeren, lusteloosheid en het gevoel buiten de samenleving te staan. Om haar hypothese te toetsen, speurde Van Eersel naar wetenschappelijke publicaties. Ze stuitte wereldwijd slechts op een handvol artikelen. ‘Terwijl er tal van boeken zijn verschenen over hoe we onszelf productiever en succesvoller maken.’
Dan doe ik het zelf wel, dacht Van Eersel. Ze promoveerde aan de Universiteit Utrecht op het onderwerp rouw om baanverlies. Bij haar onderzoek ging ze uit van de theorie dat werk een ‘manifeste functie’ had, door voor brood op de plank te zorgen, en ‘latente functies’: het hebben van sociale contacten, samen aan iets groters werken, ergens bijhoren, status vergaren, een reden om op te staan. ‘Ik was er heilig van overtuigd dat de rouw die mensen ervoeren bij baanverlies, werd veroorzaakt door het verlies van die latente functies.’
Wat bleek: ‘Het is niet per se het verlies van betaald werk dat ons zo somber maakt, maar de zinloosheid. Het verlies van je nuttig voelen. Daarom helpt het ook niet om tegen mensen zonder werk te zeggen: ‘Je moet gaan sporten, ga schilderen, weet je wat: begin een hondenuitlaatservice!’ De thuiszittende moet het zélf zinvol vinden.’
Toch vroeg ik me af of ik de enige was die hier zo mee worstelde. Ik ging te rade bij mensen bij wie mijn eigen situatie (een tijdelijke) in het niet valt, zoals Marja van Wissen (43). Ze werd ruim zes jaar geleden afgekeurd door een hevige vorm van reuma. ‘Ik ben jaloers op mensen die een hele dag kunnen werken, daarna sporten, en daarna nog kunnen douchen. Ik moet mijn douchebeurten inplannen op dagen dat ik niet veel anders heb gepland.’
Van Wissen studeerde ergotherapie en gezondheidswetenschappen en ging aan de slag bij een gemeente, waar ze zich bezighield met ondersteuningsaanvragen en bijstandsuitkeringen. Toen ze moest overstappen naar andere medicijnen, werd ze blijvend ziek door de opvlammende reuma en de bijwerkingen van die medicatie. ‘Ik hoorde twee stemmetjes. Het ene zei: dit gaat niet meer, het andere: maar jij bent die hardwerkende Marja.’
Ondanks een lang revalidatietraject kreeg het eerste stemmetje gelijk. Ze belandde in wat ze zelf haar ‘vervroegde midlifecrisis’ noemt: wat voor doel heb ik nog? ‘Ik miste mijn werkplek zó. En ineens had ik veel minder te melden. Als mijn toenmalige man dan na een werkdag thuis kwam, hing ik aan zijn lippen: vertel me wat je hebt meegemaakt, wie, wat, waar – vóéd me.’
Onze eigenwaarde is deels afhankelijk van onze daginvulling. Ikzelf heb nooit een oordeel gehad over mensen die niet werken, je weet immers niet waar iemand fysiek of mentaal doorheen gaat, maar ik oordeelde wél over mezelf, omdat ik niet werkte. Uit schaamte meed ik vragen als ‘hoe was je dag?’ door de vraag direct terug te kaatsen. Vertel me éérst over de jouwe. Waar ik ook een handje van kreeg: alleen vertellen over wat ánderen bezighield. Zat ik bij vriendin A., dan vertelde ik hoe het met de nieuwe baan van B. ging.
‘Als je niet werkt, is het moeilijker om aansluiting te vinden bij je omgeving’, zegt Marieke van der Bijl (54), die als twintiger definitief werd afgekeurd wegens hevige hoofdpijn en migraine. ‘Yoga en aikido zijn bijvoorbeeld belangrijk voor mij, maar geen familielid dat daar naar vraagt. Ik kon me lang verschuilen achter mijn kinderen, daar haalde ik eigenwaarde uit. Nu die hun eigen gang gaan, merk ik dat ik het weer lastiger vind. Als mijn man ’s ochtends het huis verlaat om naar kantoor te gaan, denk ik weleens: ja, en nu?’
Toch werd ze er óók beter in, in de loop der jaren. ‘Ik werd actief in de aikidovereniging en bleef me na mijn opleiding tot biochemisch analist verdiepen in het lichaam. Ik bestel veel boeken, duik in wetenschappelijke publicaties. Fascinerend hoe pijn in het brein ontstaat. Wat dat betreft haal ik zingeving uit dingen leren. Het kostte me wel tijd, hoor, voordat ik dat zo kon zien.’
Die tijd noemt re-integratiepsycholoog Van Eersel de ‘liminale fase’, een soort tussentijd, afkomstig van het Latijnse limes, wat drempel betekent. Het oude is niet meer, maar het nieuwe is nog niet begonnen, ‘een perfect moment om te kijken wat je nog meer waardevol vindt’.
Zo begon Marja van Wissen de blog Reuma Leeft, waarin ze haar ervaringen deelt en lotgenoten advies geeft. ‘Dat is nu een deel van mijn identiteit. Mensen in hetzelfde schuitje helpen. Inspireren. Ik leerde hoe leuk ik dat eigenlijk vond. Iets voor anderen betekenen is toch eigenlijk veel belangrijker dan geld verdienen?’
En daar precies zit de paradox. Want we vinden werk heel belangrijk, en toch, uiteindelijk, ook weer helemaal niet. De Australische verpleegkundige Bronnie Ware publiceerde in haar bestseller The Top Five Regrets of the Dying – A Live Transformed by the Dearly Departing (2011) de spijtbetuigingen van haar vele patiënten die wisten dat ze zouden sterven. Twee van de meest genoemde regrets? ‘Ik wou dat ik niet zo hard had gewerkt’ en ‘ik wou dat ik meer contact had onderhouden met vrienden’.
In het boek Het goede leven – Lessen van het langstlopende wetenschappelijke onderzoek naar geluk (2023) komen Harvard-onderzoekers met eenzelfde soort conclusie. Zij stellen dat er één ding cruciaal is voor een goed en gezond leven: betekenisvolle relaties.
‘Ik heb de meeste tijd van mijn leven toch wel in mijn werk geïnvesteerd’, zei een collega die ook noodgedwongen thuis kwam te zitten. Ik had hetzelfde besef, en dat voelde ineens best oppervlakkig. Want de vraag wie je bent, kan ook worden vertaald naar de vraag: hoe wil je dat anderen je zien?
Deze vraag is voor mijzelf de afgelopen tijd relevanter dan ooit geworden, want terwijl mijn leven stilstond, ontstond er nieuw leven: ik draag nu zo’n twintig weken een onvermoeibaar groeiend miniatuurmensje in mijn buik.
Ik wil niet enkel worden herinnerd als workaholic – nu al helemaal niet meer. Bovendien: ik had lieve werkgevers die bloemen stuurden, fantastische collega’s die contact onderhielden, maar dat zijn de betekenisvolle relaties die je op de werkvloer ontmoet. Werk an sich zet geen pan dampende soep op mijn stoep met extra vermicelli omdat ik daar zo van houd. Werk houdt niet je hand vast bij neurologische onderzoeken. Werk is om half 11 ’s avonds niet bereikbaar voor een anti-paniekpraatje (‘het komt goed lieffie’). Ik hield van mijn werk, maar mijn werk hield niet heel erg veel van mij toen ik het moeilijk had.
Dat ervoer ook fotograaf en filmer (‘en duiker, motorrijder, reiziger’) Jacco van de Kuilen (58). In 2022 belandde hij door long covid thuis, gevoelsmatig in het lichaam van een 100-jarige. ‘Mijn werk was mijn leven’, vertelt hij. ‘Ik heb gevochten om niet uit het arbeidsproces te geraken. Inmiddels weet ik dat long covid zich steeds hardnekkiger in een mens graaft als hij tegen de ziekte vecht.’ De afgelopen jaren is hij de kleine dingen in het leven meer gaan waarderen; vrienden, familie, de natuur, een vriendelijk praatje, een goed boek, een plantje, zijn geduldige vrouw, het gevoel van onthaasting, contact met lotgenoten, de hond die zijn kop op zijn schoot legt, een zonnestraal, blauwe lucht en zijn hulpverleners. ‘Die hebben eraan bijgedragen dat ik toch weer de energie had om verder te ploeteren.’
Mijn ergotherapeut haalde in een van onze gesprekken de theorie van de Amerikaanse socioloog Ray Oldenburg aan. Oldenburg stelt dat er drie categorieën van plekken zijn die voor ons belangrijk zijn. De first place is ons huis, thuis, second places zijn werk of school, en third places zijn plekken waar mensen samenkomen voor ontspanning: een park, kroeg, bibliotheek, zwembad, sportschool of een buurtcentrum.
Wat ik opvallend vond: de volgorde die mijn bedrijfsarts en mijn ergotherapeut aanhielden voor mijn herstel. Eerst was het belangrijk dat ik me goed voelde in mijn first place, en daarna moest ik mijn third places opzoeken. Geheel tegen mijn arbeidsethos in, diende ik me te richten op koffie met een vriendin in een café, een boswandeling met mijn broer, een stoeppraatje met de buren.
‘En wat als collega’s me zien?’, vroeg ik.
‘Lisanne’, zei mijn ergotherapeut.
‘Ja, die denken dan: moet jij niet op je werk zijn, in plaats van op dit terras?’
‘Wat is er nu belangrijker in je leven?’
Die vraag stelt Van Eersel ook geregeld aan mensen die ongezond veel belang hechten aan werk. Sommigen vonden het antwoord op die vraag doordat ze zich toelegden op vrijwilligerswerk. ‘Ze ervoeren dat ze energie kregen van anderen helpen. Oprechte verbinding.’ Afgelopen jaar deed de helft van de Nederlanders een vorm van vrijwilligerswerk; een percentage dat de vraag oproept of het niet tijd wordt om vrijwilligerswerk, alsook mantelzorgtaken, als heilige graal te gaan beschouwen in plaats van enkel betaald werk. Want: zijn vrijwilligerswerk en mantelzorg niet (bijna) altijd nuttig, en gestoeld op te koesteren prachtwaarden als barmhartigheid, behulpzaamheid, liefde, zingeving?
Dat brengt me op het volgende: eigenlijk zou ik de benamingen die socioloog Oldenburg gebruikt, willen herzien, en de second en third place naast elkaar willen plaatsen, op een gedeeltelijke tweede plek. Dit verhaal is namelijk geen pleidooi om te stoppen met werken, die menselijke bijenkorf, dat is iets prachtigs, ik hoop er snel weer volledig in mee te mogen draaien, maar dit verhaal is vooral bedoeld als oproep tot herwaardering van alles waar we niet voor betaald krijgen. Of een oproep tot ‘risicospreiding’, zoals Van Eersel zegt. ‘Net zoals dat je je in de liefde niet alleen van je partner afhankelijk moet maken, moet je je identiteit ook niet alleen laten afhangen van je baan. Het is geen gegeven, hè, dat je kunt blijven werken tot je pensioenleeftijd.’
Van Eersel zou mensen willen vragen: wat vind je nog meer belangrijk? ‘Koken voor die buurman, schilderen, een sportclub, concerten, een fietsgroepje, ruil een werkdag in voor een dag helpen in het plaatselijke zwembad. En sta erbij stil. Hoe waardevol dat is, dat er dingen zijn waar je vrolijk van wordt. Naast dat ik re-integratie-expert ben, ben ik ook iemand die veel van dieren houdt. Ik kan uren naar mijn katten kijken.’ Ze lacht. ‘Eerlijk? Ik moest zelf ook worden ontslagen en op de bank belanden, om die kant van mezelf te herontdekken.’
Mijn trage thuiszitactiviteiten, en die van de andere thuiszitters die ik sprak, doen me denken aan het boek Dingen die je alleen ziet als je er de tijd voor neemt (2017), van de boeddhistische monnik Haemin Sunim, die mensen wil helpen rust te vinden in hun drukke wereld. Ikzelf wandel al acht jaar (ácht jaar!) vier keer per dag met mijn hond, maar pas toen ik thuis belandde, zag ik ineens hoe prachtig sommige onkruidsoorten in de berm eigenlijk zijn, een paars hondsdrafje, de hoge wilgenroos, en hoe vrolijk ik van bloemen werd. Ik zag hoe ijverig de bijen erop af kwamen (en hoe zacht ze eruitzien, als je ze van dichtbij begluurt, zie je dat ze kleine haartjes hebben).
Daarop transformeerde ik van 20-graden-tuinierder (een titel die mijn vader me gaf) naar iemand die uren content fluitend doorbracht in haar tuin, en er ’s zomers insectenwaterdrinkpunten (ja, die bestaan) plaatste. Bij regen bakte ik bananenbrood – voor het eerst in mijn leven – voor mijn buurman. Ik maakte een studie van kinderboeken, alvast een voorproefje op het moederschap, knutselde kaarten van mijn mandala’s en stuurde die op naar mensen die het nodig hadden. Ik kocht kraaltjes en reeg armbandje na armbandje.
‘Ik heb het kind in mij teruggevonden!’ riep ik gekscherend naar mijn vrienden. Maar van een collega kreeg ik juist knipogend een geranium cadeau om mijn langzame leven aan te moedigen. In die zin is mijn thuiszitperiode tweeledig: ik ging terug naar het kind in mij, maar ook naar de misschien wel toekomstige pensionado in mij. Misschien is dát wel een belangrijk onderdeel van onze identiteit: de dingen waar we gelukkig van worden aan het begin en aan het einde van ons leven. De levensfasen waarin werk er helemaal niet toe doet.
Dit is een verhaal uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant