Home

Goede politiek opereert vanuit liefde

Politieke deugden In een wereld waar mensen elkaar steeds minder lijken te gunnen lijkt de caritas ver weg. Maar zonder caritas, bedoeld om de publieke ruimte als geheel te laten gedijen, gaat het niet, zeggen Beatrice de Graaf en Rik Peels.

De Berlijnse Muur was net gevallen, op 9 november 1989. Op 13 november werd in de Volkskammer, het Oost-Duitse parlement, over het lot van de DDR gedebatteerd. Voor het eerst (en het laatst) nam de gevreesde minister van Staatsveiligheid, Stasi-chef Erich Mielke, het woord. Hij probeerde uit te leggen waarom de Stasi zo goed bezig was geweest, en daarom moest blijven bestaan. „We hebben ons altijd voor onze samenleving ingezet. We hadden met iedereen contact. [..] Want ich liebe doch alle, alle Menschen!.” Daarop brak er een aanhoudend en daverend gelach uit over zoveel cynisme en verlies van realiteit. Kort daarna werd Mielke gearresteerd en uiteindelijk tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld voor betrokkenheid bij moord. De Stasi werd in juni 1990 opgedoekt.

Beatrice de Graaf is faculteitshoogleraar en bekleedt de leerstoel Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Utrecht.

Rik Peels is hoogleraar en bekleedt een onderzoeksleerstoel godsdienstfilosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Ze werken samen bij onderzoeksconsortium Adapt!

Dit voorbeeld is één van de meest extreme illustraties bij de uitspraak dat liefde in de politiek niets te zoeken heeft. Wie suggereert dat hij macht uitoefent uit liefde, maakt zichzelf tot doelwit van spot of irrelevant. Ook de grote politieke filosoof Reinhold Niebuhr heeft uitgebreid uitgelegd waarom liefde in de politiek niets te zoeken zou hebben. Liefde kan alleen bestaan in onderlinge verbondenheid, als je elkaar kent dus. Hoe groter de groep, hoe kleiner de gemene deler. Daarom is het hoogst haalbare ideaal in de politiek niet liefde tot alle mensen, maar recht en gerechtigheid voor en tussen mensen. Dus niet ‘ik houd van alle mensen’, maar ‘laten we aan alle mensen recht doen’.

Liefde in de politiek maakt meer kapot dan je lief is, wist Homerus al die in de Ilias magistraal uit de doeken doet hoe lust en liefde een beschaving in de oorlog kunnen storten.

Maar hierdoor wordt wel het kind met het badwater weggegooid. En dat is onnodig, want het weggooien van liefde berust eigenlijk op begripsverwarring. In de Oudheid werd liefde namelijk gezien als een verschijnsel dat meerdere varianten kent. Een bekende indeling in vijf soorten liefde is deze: liefde als eros – lust, seksueel verlangen, als philia – vriendschappelijke liefde, waar ook Platoonse liefde onder viel, als storge – liefde door overeenkomsten, zoals de liefde van ouders voor hun kinderen, als philautia: zelfliefde, en tot slot liefde als agape: onvoorwaardelijke en zelfgevende liefde, liefde die niet afhangt van hoe iemand daarop reageert. De ene soort liefde is de andere niet.

Dit maakt nogal uit voor de betekenis van liefde in de publieke en politieke ruimte. Want wij denken bij ‘liefde’ direct aan eros als lust en romantiek, of aanliefde voor je ouders of kinderen. Maar het christendom heeft vanaf het begin juist niet eros, of storge, maar vooral de laatste, agape in het Grieks en caritas in het Latijn, op het schild geheven. Wie de Bijbel leest, kan er niet omheen. Als iemand Jezus vraagt wat het belangrijkste gebod is, zegt hij: je naaste en God liefhebben als jezelf (Mattheüs 22:37-39). De schrijver van de eerste brief van Johannes zegt dat God liefde is (1 Johannes 4:8), wat door paus Benedictus XVI breed werd uitgemeten in zijn encycliek Deus caritas est, God is liefde. En Jezus gaat zelfs zover om te zeggen dat we onze vijand moeten liefhebben (Mattheüs 5:43).

Naastenliefde als wilsbesluit

De Joods en Romeins geschoolde apostel Paulus maakt dat gebod nog wat politieker en publieker. Hij introduceert de drie theologale deugden van geloof, hoop en liefde, als aanvulling op de vier klassieke uit de Oudheid. Waarbij hij onomwonden stelt dat van deze drie de liefde de hoogste is (1 Corinthiërs 13:13). Inderdaad werd in de eeuwen daarna dit ook door de paus zo vastgelegd, er waren voortaan niet vier maar zeven klassieke deugden, met caritas als de kroon.

Het basisidee achter caritas als deugd is dat het monotheïstische christendom alle mensen zag als schepselen van God. Omdat God die mensen naar zijn evenbeeld had geschapen (imago dei), was er in eenieder een intrinsieke waardigheid gelegd, die ook betekende dat mensen die waardigheid in elkaar moesten erkennen. Bovendien, als God de mensen het leven had gegeven (door de schepping, en ook nog eens door de kruisdood van Zijn zoon), diendenmensen die onvoorwaardelijke liefde van God ook aan elkaar te betonen. En wel helemaal onvoorwaardelijk, dus onafhankelijk van onze prestaties.

Enter Caritas. Dat is de bewuste actie om de ander te respecteren en zelfs diens welzijn te zoeken, omwille van zijn bestaan als mens, niet omwille van eigen voordeel of gewin. Het is dus ook helemaal niet een gevoel. Het is een wilsakte, iets waarvoor je kiest. Caritas is opnieuw een handelingsgerichte deugd. Je hebt de ander niet daadwerkelijk lief als je die liefde niet ook bewijst door het goede voor de ander te zoeken. De Tenach en het Nieuwe Testament formuleren het dan ook als gebod: je moet God liefhebben en je naaste als jezelf. Er staat niet dat je je naaste lief of leuk moet vinden, of er fijne emoties bij dient te hebben. Je moet gewoon een beetje je best doen en de opdracht uitvoeren.

Deze vorm van liefde – agape of caritas – is daarmee wezenlijk anders van aard dan zijn soortgenoten. De Engelse schrijver C.S. Lewis liet in The Four Loves zien dat bij die andere liefdes er ook een zeker belang of emotie in het spel kan zijn (ouderlijke verbondenheid, familiebelang, aantrekkelijkheid bij eros en storge). Je wilt wat van die ander, je vindt hem nuttig, mooi of spannend. Caritas daarentegen stelt ons in staat om dat lief te hebben wat van nature helemaal niet aantrekkelijk is: criminelen, vijanden, zieken, idioten, mensen die humeurig, arrogant of neerbuigend zijn.

En dat brengt ons dus toch weer terug in het publieke en politieke domein. Want waarom zou je in hemelsnaam belasting betalen voor uitkeringen aan mensen die je niet kent en misschien helemaal niet leuk vindt? Caritas leert ons dat je je toch gewoon belangeloos moet inzetten voor kwetsbaren in de samenleving, voor de lokale en nationale gemeenschap, voor een land, voor de derde wereld, voor de natuur, ongeacht wat je ervoor terugkrijgt. Allicht zijn er ook mensen die min of meer van nature warmlopen voor de minder bedeelden of voor het bevorderen van de biodiversiteit. Maar het is dus eigenlijk de plicht van iedereen om zich voor het welzijn van de ander in te zetten, ook wanneer je daartoe niet zo’n natuurlijke neiging hebt.

Caritas zegt: liefde is een keuze en een opdracht. En of je dat nu uit het christendom wilt halen, of meent het anderszins te kunnen vinden, het heeft in de geschiedenis van de westerse beschaving mede de basis gelegd voor de wil om gezamenlijk te komen tot een betere samenleving voor elk mens, en uiteindelijk tot een democratische rechtsstaat.

Belangeloze inzet voor anderen

Maar zulke liefde is als deugd niet onomstreden, ook niet onder vermeende beschermers van die christelijke beschaving zelf. „Empathie is zwakte”, orakelde tech-gigant Elon Musk onlangs nog. Vicepresident J.D. Vance probeerde als vrome katholiek het dilemma van die opdracht van Jezus en Paulus op te lossen door te stellen dat je caritas wel met een soort prioritering (ordo amoris) mocht uitleggen. Liefhebben doe je toch vooral eerst naar je familie toe, dan naar je buren, dan naar de mensen uit je gemeenschap, dan naar je volk en tot slot, als er nog wat over is, naar de mensen buiten je eigen land. De paus moest hem vervolgens uitleggen dat Vances interpretatie onzin was, en in ieder geval geen caritas.

Liefde werkt als politieke deugd langs twee lijnen. De eerste is door de filosoof en theoloog Augustinus in zijn De laudibus caritatis uitgetekend. Volgens Augustinus kan een samenleving niet bestaan zonder het aan elkaar onderwijzen en het elkaar voorhouden van de vita virtutum: „het leven van de deugden”. Je kunt pas wat met elkaar, als je de levensadem van de liefde ook de publieke ruimte in blaast en de andere deugden bezielt. We hebben eerder uitgelegd dat prudentia het vermogen is om te onderscheiden wat goed en slecht handelen is in een bepaalde situatie. Maar je hebt er de adem van de caritas voor nodig om je vervolgens ook belangeloos in te zetten voor de mensen die het betreft. Je moet willen verlangen naar het zoeken van het goede voor stad en land.

Thomas van Aquino vatte in zijn Summa Theologiae in navolging van Aristoteles caritas kernachtig samen als ‘het goede voor de ander willen’. En dat is precies wat we nodig hebben in de publieke en politieke ruimte. In Nederland en daarbuiten. Een samenleving functioneert pas als de leiders, ongeacht hun eigen gevoelens en ergernissen, er toch voor kiezen het welzijn van íedereen na te streven. Als ze dat niet doen, dan zullen ze hun gemeenschap uiteindelijk van binnenuit uithollen en breken.

De tweede lijn waarlangs caritas de publieke ruimte en alle andere deugden bezieling geeft, is dat er vanouds een verband wordt verondersteld tussen liefde en waarheidsvinding. Augustinus schreef al: non intratur in veritatem nisi per caritatem, ‘men kan de waarheid niet binnentreden dan door de liefde’. Volgens de Engelse criticus en kunstenaar John Ruskin kon je dat wat grote schrijvers uit het verleden hadden gezegd, alleen maar echt begrijpen als je bereid was ze het voorschot van je liefde te geven en „je te laten onderwijzen in hun denken”. Kortom, als je liefde ziet als de veranderlijke eros, of als de voorwaardelijke storge, dan werkt het niet. Dan treed je de waarheid van de ander niet binnen. Maar als je de bloei van íedereen in een samenleving nastreeft, ook van mensen die je tegenstaan, zul je meer leren en meer gaan begrijpen. De caritas-liefde maakt dus niet blind, maar vermeerdert juist kennis en inzicht.

Wie liefde romantiseert, zwelgt erin als hij geluk heeft, en wordt cynisch als hij pech heeft. Voor de negentiende-eeuwse Amerikaanse schrijver Ambrose Bierce bijvoorbeeld was liefde een aandoening, een „temporary insanity curable by marriage”. Maar daar gaat het dus niet om bij de deugd van de caritas. Die deugd omvat de kunst om elkaar te leren je te blijven inzetten voor de bloei van íeder mens, door alle tegenslagen heen. Het doel? Om de polis, de publieke ruimte als geheel te laten gedijen. We zien in Rusland wat er gebeurt als je de gemeenschap vernauwt tot een etnonationale krijgerscultuur. En in Amerika hoe snel je zonder caritas jegens migranten, andersdenkenden of politieke tegenstanders kunt radicaliseren en je eigen rechtstaat en democratie begint uit te hollen en op te eten.

Caritas is zelf de levensadem van de andere deugden, maar heeft die deugden wel nodig om effectief te kunnen opereren in een wereld waar steeds minder genade lijkt te zijn, waar mensen elkaar steeds minder gunnen. Er is prudentia (onderscheidingsvermogen) nodig, fortitudo (moed), iustitia (rechtvaardigheidszin), een beetje temperantia (gematigheid) en fides (geloof) om door te blijven gaan. Maar bovenal gaat caritas gepaard met spes (hoop), je blijven inzetten voor het goede, ook wanneer de kans daarop klein of bijna nihil geworden is.

Source: NRC

Previous

Next