Aan het begin van de Poëzieweek lees ik de door Arie van der Ent mooi vertaalde gedichtenbundel Ik hoor dat je in Nederland bent… van de Oekraïense Daria Lysenko. Sinds de grootschalige invasie van Oekraïne in februari 2022 woont ze in Nederland en dicht ze over haar leven als vluchteling. En dat leven is wrang. Zo vertelt ze over de maandelijkse testsirene in Den Haag, die „loeit op zo’n manier/ als ze alleen maar kan loeien in een stad/ waarin het nooit oorlog lijkt te zijn geweest”. Het is een sirene, die zoetgevooisd loeit, „alsof ze zich verontschuldigt voor geluidsoverlast”.
Juist in dat beschaafde geluid zit hem de crux van haar boodschap. Want in Nederland, ‘beschermd door de atoomparaplu van de NAVO’, beseffen de meesten niet wat oorlog is, laat staan dat ze zich kunnen inleven in het bestaan van een vluchteling. Ook merkt Lysenko dat veel Nederlanders weliswaar altijd over de Tweede Wereldoorlog praten en er botte grappen over maken, maar dat die andere oorlog, die in Oekraïne, „al begint te vervagen/ in de Hollandse werkelijkheid,/ zoals het bevroren gras/ waar de kat over sluipt/ en erin verdwijnt”.
Nog wranger wordt het als ze vertelt dat zij en haar vrienden in Oekraïne op school werden aangespoord hoge cijfers te halen om later geen putjesschepper of bananenboer te hoeven worden. Maar eenmaal afgestudeerd en klaargestoomd als jurist, natuurkundige, musicus, kunsthistoricus of journalist, wachtte hun een desillusie. Want ineens moesten ze vechten, loopgraven aanleggen, gewonden van het slagveld halen, drones in elkaar zetten. En zij die voor het oorlogsgeweld naar het buitenland waren gevlucht, eindigden alsnog als putjesschepper of bananenboer. Lysenko eindigt haar gedicht over die verloren generatie onder meer met: „Nog mooi als je dichter mag zijn,/ in de pauzes van een werkelijkheid/ die geen van ons wilde”.
De gedichten van Lysenko ontroeren me. Ik wil me bijna verontschuldigen voor de botheid, onverschilligheid en desinteresse van mijn landgenoten, die in haar gedicht ‘Nieuw zijn’ tegen haar zeggen: „Trouwens, klopt het dat het daar nog oorlog is?/ Trouwens, is het daar echt zo verschrikkelijk? / Trouwens, ben je niet van plan om terug te gaan?”
Als ze op televisie ook nog hoort zeggen dat de ontvangst van nieuwe vluchtelingen ingeperkt wordt en alle reeds aanwezige vluchtelingen terug naar huis moeten, voelt ze zich in een muizenval beland. Dan beseft ze: „Een vluchteling zal nergens meer een goed heenkomen vinden,/ het is maar goed dat die nieuwsberichten met tussenpozen komen -/ ze slaan je niet in één klap dood.”
Het indringendste gedicht uit deze bundel heeft als titel ‘Vrienden’ en gaat over het onvermogen van haar lotgenoten om over hun diepst verstopte emoties te kunnen praten. Want allen zijn bang dat ze hun familie in Oekraïne niet meer zullen terugzien, bang om „naar huis terug te keren,/ waar alleen de sirenes ons al schrik aanjagen,/ laat staan de raketten en de drones,/ dat we een nieuw verlies te verwerken krijgen,/ dat we geen perspectief zien in welk land ook”.
Tijdens haar ontmoetingen met haar Oekraïense vrienden, beseft Lysenko dat er maar één redmiddel is om een nog enigszins normaal mens te blijven: breed glimlachen alsof de oorlog nooit heeft gewoed. Misschien is dat wel de grootste tragiek van die Oekraïense vluchtelingen. Ook omdat ze niet alleen hier, maar ook in eigen land vreemden zijn geworden.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC