Discriminatie Het College voor de Rechten van de Mens heeft een openbare middelbare school donderdag schuldig bevonden aan discriminatie op grond van godsdienst. De schoolleiding verdedigde zich met een beroep op „neutraliteit”, maar daarin ging het College niet mee.
Een openbare school in Hoofddorp discrimineerde een islamitische leerling door haar gebed te verhinderen. Dit is volgens het College voor de Rechten van de Mens in strijd met gelijke behandelingswetgeving.
Een openbare middelbare school in Hoofddorp heeft zich schuldig gemaakt aan discriminatie van een islamitische leerling op grond van godsdienst. Dat oordeelde het College voor de Rechten van de Mens donderdag. De leerling in kwestie stapte naar het College omdat het bestuur haar niet toestond te bidden op school. Ook weigerde de schoolleiding ondanks een veel gesteunde petitie om een inclusieve stilteruimte, die niet alleen voor bidden maar bijvoorbeeld ook voor mediteren of gewoon tot rust komen bruikbaar zou zijn, in te richten.
De leerling, die tussen 2018 en 2024 onderwijs volgde aan het Haarlemmermeer Lyceum, wilde in het schooljaar van 2022 voor het eerst bidden op school. Zij vroeg de toenmalige rector om het inrichten van een stilteruimte waar zij in haar vrije tijd het gebed kon verrichten, maar die gaf daar geen gehoor aan – ook niet toen een medeleerling een petitie startte voor het inrichten van een „inclusieve stilteruimte” die 235 keer werd ondertekend.
De leerling zag zich bij gebrek aan een stilteruimte genoodzaakt om verschillende rustige plekken op school op te zoeken om te bidden. Hierbij werd zij door meerdere docenten en de conrector gestoord, die volgens de leerling zeiden dat het verboden was om te bidden op school.
Het schoolbestuur betwist dat er tegen de leerling gezegd zou zijn dat zij niet mocht bidden. Zij zou maar een keer aangesproken zijn tijdens haar gebed, met als reden dat zij de doorgang blokkeerde. Bij het afwijzen van de petitie voor een stilteruimte beriep de leiding zich op het „gelijkheidsprincipe”, waarbij ze geen uitzondering wil maken voor een specifieke groep. „Bovendien hebben we geen ruimte binnen de school voor een stilte en/of gebedsruimte”, schreef de rector in een mail aan de initiatiefnemer van de petitie.
Tijdens de behandeling van de zaak bij het College kwam de schoolleiding daarop terug. Het ging toch niet zozeer om organisatorische overwegingen „maar vooral om het principiële standpunt dat de school neutraal wil blijven”. Omdat de leiding verwachtte dat de stilteruimte „in de praktijk” alleen gebruikt zou worden door islamitische leerlingen zouden zij daarmee volgens de school een privilege krijgen ten opzichte van andere leerlingen.
Dit laatste zorgt ervoor dat het handelen van de school volgens het College discriminerend was. Openbare scholen zijn niet verplicht om een fysieke stilteruimte te faciliteren. Het ontbreken daarvan op zich is dus geen discriminatie. De crux zit erin dat het schoolbestuur dit motiveerde onder expliciete verwijzing naar de geloofsovertuiging van islamitische leerlingen. Daarmee maakte de school direct onderscheid op grond van godsdienst, en dat is verboden.
Het College benadrukt in een nieuwsbericht op haar eigen website dat zelfs wanneer alleen islamitische leerlingen gebruik zouden maken van de stilteruimte om te bidden, „het hier gaat om leerlingen die uitdrukking willen geven aan een godsdienstige overtuiging”. En daar uitdrukking aan kunnen geven „is geen privilege, maar een fundamenteel mensenrecht”.
Hieruit volgt ook dat een algemeen gebedsverbod, waar docenten volgens de leerling naar verwezen, niet toegestaan is op een openbare school. Het College heeft niet kunnen vaststellen dat er sprake was van een dergelijk verbod, maar wel dat er is ingegrepen terwijl de leerling aan het bidden was.
De school heeft volgens het College onvoldoende kunnen bewijzen dat zij „niet anders kon dan direct ingrijpen” omdat de leerling de weg blokkeerde voor anderen. De leerling gaf zelf aan telkens een plek te hebben gezocht waar zij niemand tot last was, en dit heeft de school niet overtuigend weersproken. Ook hierover oordeelt het College dat er discriminerend is gehandeld.
Voor zover bekend heeft de uitspraak nu geen directe gevolgen. De leerling die de klacht indiende bij het College staat niet meer ingeschreven bij het Haarlemmermeer Lyceum. Namens de school laat rector Brenda Stam aan persbureau ANP bovendien weten zich niet te herkennen in de uitspraak. Het Lyceum blijft er „bewust” voor kiezen „om geen religieuze voorzieningen in te richten voor specifieke groepen”.
Vereniging voor bestuurders in het openbaar onderwijs VOS/ABB laat desgevraagd aan NRC weten de uitspraak van het College nog te bestuderen en te bekijken wat dit verder betekent. Het huidige standpunt van de vereniging is dat het inrichten van een algemene stilteruimte in lijn is met de uitgangspunten en kernwaarden van het openbaar onderwijs: gelijkwaardigheid, vrijheid en ontmoeting. „Door te kiezen voor een algemene stilteruimte laat de openbare school gen voorkeur blijken ten opzichte van een specifieke godsdienst of levensovertuiging”, aldus VOS/ABB.
Source: NRC