Een grote overzichtstentoonstelling in Hart Museum in Amsterdam richt zich op de periode dat hij besloot de schilderkunst te verruilen voor zijn vernieuwende fotografie.
is schrijver en kunstjournalist
Aan het eind van de persbijeenkomst en een dag voor de opening van zijn tentoonstelling Jan Dibbets 1966-1976 – Toward Another Photography poseert de 84-jarige kunstenaar voor de persfotografen. Hij kijkt ernstig. Lichtjes leunend op zijn stok en geheel in het zwart gekleed staat hij onder zijn Big Comet Sky-Land-Sky 3° - 60°, twintig landschapsfoto’s die in een flauwe curve hoog aan de muur hangen. Het is een typisch Dibbets-werk, met die horizon die steeds een stukje verder kantelt, precies en wiskundig uitgemeten en toch ook poëtisch.
De kunstenaar oogt klein, maar dat komt vooral doordat deze ruimte, in het hart van het Hart Museum in Amsterdam, zo monumentaal is. Een soort kerkschip, hoog en lang. De zaal is het pièce de résistance van de expositie. Dibbets’ werk hangt er aan alle muren, veelal foto’s van allerlei formaten en in een uitgekiende compositie, sommige zo hoog dat je je hoofd in je nek moet leggen om ze te kunnen zien.
Alles grijpt hier in elkaar: zijn kleurstudies (foto’s van spiegelende autocarrosserieën, sommige afgedrukt op enorm formaat), een fotosequentie van de kortste dag van het jaar, en zijn beroemde ‘perspectiefcorrecties’ (ingrepen om te bewijzen dat de ervaring van ruimte op een foto een optische illusie is, wat heet: dat een foto überhaupt niets met de werkelijkheid te maken heeft).
Eerdere overzichtsexposities vonden plaats in het Stedelijk Museum Amsterdam (1972), in het Van Abbemuseum in Eindhoven (1988) en in De Pont in Tilburg (2001). De nadruk ligt nu op de periode 1966-1976, een ‘scharnierpunt’ in het oeuvre van de kunstenaar, die Piet Mondriaan zijn artistieke ‘grootvader’ noemt. In deze jaren verruilde hij, jong en fanatiek op zoek naar vernieuwende manieren om kunst te maken, de schilderkunst voor fotografie.
Dat gebeurt meteen in de eerste expositieruimte: daar liggen acht monochrome schilderdoeken op een stapel. Stacked Painting (My Last Painting) heet het werk uit 1967. Vanaf dan richt Dibbets zich op het medium waarvan de waarde hem destijds, zoals hij zelf zegt tijdens een gesprek met enkele journalisten, ‘als een bom in de nek’ sloeg.
Die waarde, zegt hij, had tot dan toe ‘nooit aandacht gehad’. In zíjn beleving althans. Toen Jan Dibbets zich met de fotografie ging bezighouden, constateerde hij meteen dat het ‘een volledig nieuw medium was, dat niet begrepen werd’. Vroeger niet, aan het eind van de jaren zestig niet, en nou ja, vandaag de dag eigenlijk nog steeds niet.
Vanaf het prille begin hebben de meeste fotografen (én fotografiehistorici én het fotografiepubliek) zich volgens hem alleen maar beziggehouden met het wát. Het onderwerp van de foto, dat wat erop staat. Of, in de woorden van Dibbets: ‘je opa’ (familiefoto’s) of ‘twee benen die onder de tram uitsteken’ (nieuwsfoto’s).
Van alle foto’s die worden gemaakt, is maar een fractie interessant, vindt hij. Dat zijn de afbeeldingen die zich toeleggen op het hóé. Die de werking van de fotografie ter discussie stellen, de verbeelding aanjagen, het experiment aangaan, de beeldende kunst verder brengen. De rest: herhaling, documentaire, trucjes. Géén kunst – het hoogste van het hoogste.
Zijn stelligheid verankerde zich met de jaren in een vast repertoire van anekdotes en voorbeelden, die samen het verhaal van de kunstenaar Dibbets vertellen. Hoe weinig hij bijvoorbeeld heeft opgestoken van de tekenopleiding in Tilburg en hoe weinig het huidige Stedelijk Museum begrijpt van fotografie. Hoe prettig het is om met je kop boven het Hollandse maaiveld uit te steken, omdat je er dan niet meer bij hoort en dus vrij bent.
Daar hoort blijkbaar ook enige mythevorming bij. Zo benadrukt hij steeds hoezeer zijn carrière, vooral tijdens het decennium dat in deze overzichtstentoonstelling centraal staat, in het teken heeft gestaan van incidentele ontmoetingen en toeval. De wereld van de conceptuele kunst (minimal art in de Verenigde Staten, arte povera in Italië) was een internationale wereld, waarin de afzonderlijk werkende kunstenaars elkaar vaak per toeval ontmoetten en inspireerden.
Zo vertelt Dibbets graag het verhaal over hoe hij als jonge kunstenaar in Duitsland een lift kreeg van twee mannen, die galeriehouders bleken te zijn en hem introduceerden bij de belangrijke kunsthandelaar Konrad Fischer.
En van daaruit ging het, weer na allerlei toevalligheden, naar Londen, waar Dibbets bevriend raakte met de kunstenaars Richard Long en George (toen nog zonder zijn latere artistieke wederhelft Gilbert). Aan tafel bij de journalisten maakt Dibbets de vergelijking met Pablo Picasso en Georges Braque, de oervaders van het kubisme. Hun ontmoeting is bijna alsof het zo had moeten zijn, alsof hogere machten daar een hand in hadden.
Het is wonderlijk (en ook wel een tikje ijdel) om een groot deel van je kunstenaarschap aan deze vals bescheiden theorie op te hangen, maar vooruit. Het kunstenaarschap draait tenslotte om verbeelding. En in Hart Museum in Amsterdam is nu een mooi eerbetoon te zien aan de man die ontegenzeglijk een belangrijk stempel drukte op de beeldende kunst van de jaren zestig en zeventig en het denken over de rol van perspectief, ruimte en tijd binnen de fotografie.
Of Dibbets er zelf trots op is, valt tijdens het gesprek moeilijk vast te stellen. Gokje: stiekem best wel.
Jan Dibbets 1966-1976. Toward Another Photography, t/m 5/4 in Hart Museum, Amsterdam.
Hoewel Jan Dibbets (Weert, 1941) doorgaans wordt gezien als belangrijke Nederlandse representant van de conceptuele kunst, waartoe ook kunstenaars als Wim T. Schippers, Ger van Elk, de Engelsman Richard Long en de Amerikaan Sol LeWitt behoren, is de kunstenaar daar zelf altijd ambivalent over geweest. ‘In conceptuele kunst is niets te zien’, heeft hij eens gezegd. ‘Hun uitgangspunt is te literair. Ik wil gewoon wat zien.’
Kunst moest zich volgens hem uitdrukken in beelden, niet alleen in woorden. Met zijn werk, of het nu tekeningen, schilderijen, foto’s of performances waren, begaf hij zich altijd in het spanningsveld tussen abstractie en realiteit. Met zijn ‘perspectiefcorrecties’ nam hij de menselijke waarneming op de korrel. Zijn werken zijn opgenomen in de collecties van onder meer Centre Pompidou in Parijs, Tate Modern in Londen en Moma in New York.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant