Mira Feticu In deze volstrekt niet-brave novelle verlangt een weduwe naar de broer van haar overleden man. Dat blijkt minder eigenaardig dan het klinkt. In deze gewaagde en vernieuwende novelle confronteert Mira Feticu de kille Hollander met een redeloze, maar heel waarachtige manier van rouwen.
Mira Feticu: Gewone Hollandse jongens. De Geus, 107 blz. € 14,99
Een vrouw geilt – we kunnen het niet anders zeggen – op de broer van haar overleden man. „Mijn speeksel wordt heet in je buurt”, fluisterschreeuwt ze hem toe. Haar „door menopauze verstopte poriën zweten stilletjes van een plezier dat niet mag, dat niet deugt”. Wat zou haar schoonmoeder ervan denken als ze wist „dat mijn ogen als twee bloedzuigers op de huid van haar jongste lopen, kruipen, kreunen, spuiten, klaarkomen, kwijlen”?
Er overspoelt je meteen een eruptie van zinnelijkheid, wanneer je begint aan de novelle Gewone Hollandse jongens van Mira Feticu. En dan ook nog zinnelijkheid waar een taboe op rust, want: een weduwe, een niet-jonge vrouw, de broer. Dat is lef hebben.
En dan te bedenken dat Mira Feticu (1973) deze volstrekt niet-brave novelle inzond als potentieel Boekenweekgeschenk! Die wedstrijd won Gerwin van der Werf met zijn aimabele en heel publieksvriendelijke De krater, maar we kunnen wel stellen dat de fall-out van de wedstrijd ook zeer de moeite waard is geweest. Gaea Schoeters’ geweldige Het geschenk haalde de longlists van alle drie de grote literatuurprijzen en de Libris-jury selecteerde ook deze week, naast Roderik Six’ In het wit (dat zijn oorsprong vond als inzending), deze grensverleggende novelle van Feticu. Al in augustus verschenen, tot nu toe hier aan onze aandacht ontglipt (excuses).
Maar deze vertelling heeft een wezenlijk verhaal te vertellen, een vernieuwend verhaal bovendien, over rouw, want hier hult die zich niet in de bedekte, donkere tinten die meestal de gedaante van zo’n verhaal bepalen. Het is niet teergevoelig, niet bedroefd, niet uit het veld geslagen, maar duizendmaal krachtiger. Dit rouwverhaal is heftig en intens als een oerkreet, hard als aangespannen spieren in een radeloze hunkering naar wat verloren is gegaan, maar vooral gulzig naar het leven dat er nog wél is en dat nu, geconfronteerd met de dood, zo priemend voelbaar is.
Klinkt het misschien niet meteen vanzelfsprekend, die stap van rouw om de verloren geliefde naar lust voor diens broertje Benjamin? Het is particulier misschien; Feticu verloor zelf haar man (en heeft daarover geschreven). Maar het knappe, misschien wel frappante aan Gewone Hollandse jongens is dat die stap helemaal niet zo groot blijkt en na lezing zelfs volstrekt voorstelbaar is.
„Je zou met vals medelijden kunnen zeggen dat ik het lichaam van mijn man in dat mooie jongere lichaam zoek”, zegt de verteller zelf. Waarom ‘vals medelijden’? Omdat het zo rationeler en verklaarbaarder lijkt dan het voelt: wat er in haar omgaat is in feite redeloos en onoplosbaar. Ze hunkert naar de dichtst bij hem staande, jonge en nog levende versie van hem – dat is in feite natuurlijk irrationele logica.
Maar het is waar ze zich aan vastklampt, fantaserend wel te verstaan, want Benjamin geeft niet thuis. Dus: „Ik masturbeer me wezenloos, want een weduwe zoals ik kan niet veel meer doen met haar verlaten lichaam.” Tijdens de luttele seconden van een orgasme voelt ze zich even opgetild, verdwenen uit het hier en nu, uit het onaanvaardbaar aardse waar de tijd onbarmhartig voortschrijdt. „Maar kun je oneindig masturberen om de werkelijkheid te ontwijken?”, vraagt ze zich af, want als het effect weer wegebt, sleept ze zich weer voort in „de marathon voor weduwen, de eindeloze marathon naar nergens”.
Haar huidhonger is misschien een onorthodoxe manier van rouwverwerking, maar: „Ik schaam me niet voor wat ik voel, want mijn lichaam heeft een eigen functie.” Die lichamelijke wil is waar dit proza om draait – zoals bijvoorbeeld Oersoep (2023) van Bregje Hofstede dat ook deed. Als je dat niet meteen kunt meevoelen, spreekt Feticu’s verteller je wel even streng op je scepsis aan. Oh, gaat dit soort hysterisch rouwbeklag wat ver voor gewone Hollandse jongens zoals Benjamin en wie weet ook wel de lezer? De prototypische Hollander (m/v) is het contact met het lijf verloren, weet de vertelster – die zelf in een Oost-Europese, ‘warmbloediger’ cultuur grootgebracht werd, en nu onze maatschappij een spiegel voorhoudt.
Oh, deugt de huidhonger niet? „Zijn heeft niets met deugen te maken.” En: „Deugen is overrated, Benji. Je blijft in een relatie niet omdat de ander deugt, maar omdat je zijn speeksel uniek vindt.” Is dat dan meteen oppervlakkig? Misschien zoals de huid oppervlakkig is, maar die is ook, om met dichter Paul Valéry te spreken, „het diepste dat we hebben”. Want, aldus Feticu’s vertelster: „Huid is het antwoord op alle dringende vragen, huid op huid, want zolang je je huid hebt ben je ergens.” Leven is in de eerste plaats: een lijf hebben. Aanraking is existentieel.
En de novelle Gewone Hollandse jongens is ook existentieel. Ze is daarom verteld als monoloog, die de roezigheid van de verteller weerspiegelt – weergegeven in massieve tekstblokken die doen denken aan een stream of consciousness à la Virginia Woolf of Astrid H. Roemer. Die vorm leent zich goed om de ervaring van het onderbewuste weer te geven, waar de waarheid zich ophoudt, maar ook de beschaving wegvalt – en de gezonde Hollandsheid, zou je in dit geval kunnen zeggen. Feticu mengt de gevoelvolle fantasieën van haar verteller met haar filosofische reflecties, en weet zo ratio en emotie onlosmakelijk met elkaar te verbinden; ze toont dat dat, als je onder de oppervlakte bent aanbeland, geen verschillende werelden zijn.
Evenzo erkent ze dat wat we doorgaans banaal, abject of grensoverschrijdend vinden een onvervreemdbare plek heeft in de menselijke ervaring. Ze schrijft: „Ik bevredig me in de trein, in de wc waarin zwervers soms een uur lang blijven.” Dat is ‘vies’, ja, maar het staat ook voor iets groters: dat wc-hokje is kennelijk de plek waar de ongemakkelijke, vieze waarheid de ruimte krijgt. De buitenwereldrealiteit van de treinreis die de vertelster gedurende de novelle maakt, dringt op meer momenten de vertelling binnen: „‘We waren onderweg naar IKEA, we moesten van alles hebben,’ zei het meisje naast me in de trein.” Het contrast waarvoor zo’n mededeling zorgt, is onthullend. Díé werkelijkheid is pas echt banaal, laat Feticu ermee zien. Wat er in het rouwende roeshoofd van haar verteller gebeurt, dát is waar.
De tekst stroomt als lyriek, de volgende zin lijkt steeds te ontspruiten uit de vorige, of een redenering wordt na een mentale hinkstapsprong weer vervolgd. Tegelijk ontwikkelt zich een overkoepelend betoog. „Ik hou van again and again”, monkelt de verteller, maar gaandeweg verandert de monoloog ook van ‘kleur’. Wat begint met scherpe geilheid en supersensueel verlangen, wordt doffer, bitterder, berustender. Dan vraagt de vertelster zich ook af of haar navelstaarderij wel te verantwoorden is. Ze weet, met haar Oost-Europese achtergrond, dat lijf en leven soms opgeëist worden door de wereld. „Ik kom uit een verandering waarvoor veel jonge doden vielen. Sommigen zo jong dat ze nooit een vriend of vriendin hadden, nooit andere huid dan de moederhuid aangeraakt hadden.” Maar: „Ik kies voor huid, voor wat er gevoeld en ervaren kan worden.”
Is het een keuze? Dat brengt je ook terug in de particuliere ervaring waarvan Gewone Hollandse jongens getuigenis aflegt. De vertelster kán niet anders dan terugcirkelen naar het gemis dat haar gevangen houdt. Maar deze novelle weet die ervaring op zo’n manier bij je te injecteren dat het een lichaamseigen gevoel wordt, alsof je even die radeloze weduwe bent, hoe gewoon Hollands je eigen (jongens)lijf ondertussen ook blijft. Is dat niet waar literatuur om draait?
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC