Home

De republiek van Weimar ging ten onder aan de minachting van de conservatieve elite

Duitse geschiedenis In zijn nieuwe boek laat Volker Ullrich zien dat de Weimarrepubliek ondanks een moeilijke start wel degelijk kans had om te overleven. Vooral de manipulaties van de conservatieve elite zorgden ervoor dat het anders verliep.

Kanselier Adolf Hitler en president Paul von Hindenburg in 1934 bij het oorlogsmonument voor de Slag bij Tannenberg.

Na 1945 hebben de westerse democratieën het niet eerder zo zwaar te verduren gehad, nu Rusland en Amerika door onvoorspelbare, autoritaire presidenten worden geleid. Is in Rusland de grondwet een wassen neus, in de Verenigde Staten is die vooralsnog heilig en kunnen het Hooggerechtshof en het Congres de presidentiële macht beknotten. Maar wat zal er gebeuren als die hoogste rechterlijke en wetgevende instanties worden uitgeschakeld, omdat de president meent dat hij een vermeende burgeroorlog de kop moet indrukken?

Volker Ullrich: Noodlotstijden van een democratie. De onstuitbare ondergang van de Weimarrepubliek. (Schicksalstunden einer Demokratie. Das aufhaltsame Scheitern der Weimarer Republik) Vert. Alexander van Kesteren en Suzanne Willekens. De Arbeiderspers, 480 blz. €27,99

Het lijkt onvoorstelbaar, maar het is eerder gebeurd. Niet zozeer in de VS maar in de Weimarrepubliek, die bestond tussen 1918 en 1933. In de eerste twaalf jaar van haar bestaan was deze uit het autoritaire Duitse keizerrijk voortgekomen staat een toonbeeld van een jonge democratie, die ondanks grote economische en politieke problemen op de goede weg was om een modern westers land te worden. Dat Hitler in 1933 aan de macht kwam en Weimar prompt de nek omdraaide, was een bedrijfsongeval dat voorkomen had kunnen worden.

Eind 2021 beweerde ook de Leidse historicus Patrick Dassen dit in zijn boek De Weimarrepubliek 1918-1933. Over de kwetsbaarheid van de democratie. De Duitse journalist en historicus Volker Ullrich, die in 2013 en 2018 furore maakte met zijn originele, tweedelige Hitler-biografie, verschilt in dat opzicht niet van hem, zo blijkt uit zijn nieuwe boek Noodlotstijden van een democratie. Ook Ullrich benadrukt dat de republiek ten onder ging als gevolg van verkeerde politieke beslissingen en intriges van met name de conservatieve politici, industriëlen, landjonkers en generaals, die terugverlangden naar de autoritaire verhoudingen van de Obrigkeitsstaat van voor 1918 waarin zij het voor het zeggen hadden.

Die overeenkomst betekent niet dat je het boek van Ullrich ongelezen kunt laten. Want waar Dassen vooral de politieke gebeurtenissen op een rij zet en laat zien hoe  die de kunst en cultuur hebben beïnvloed, richt Ullrich zich vooral op de partijpolitieke machinaties en intriges, waarbij hij uitvoerig gebruik maakt van de archieven. En dat heeft een spannend geschiedverhaal opgeleverd, dat een welkome aanvulling is op het boek van Dassen. Zo neemt Ullrich je mee in tal van manipulaties van conservatieve politici, die voortdurend bezig zijn met het onderuithalen van de belangrijkste pijler van de republiek, de sociaaldemocratische SPD. Ter illustratie van de toenemende chaos in het dagelijks leven haalt hij soms voorspellende dagboekfragmenten aan, zoals van de Joodse hoogleraar Victor Klemperer en de liberale graaf Harry Kessler.

Ullrich begint ieder hoofdstuk met een spannende gebeurtenis, zoals een opstand, een staking of een mislukte staatsgreep. Dankzij die aanpak worden de overeenkomsten met het huidige wankele tijdsbestek nog duidelijker dan ze toch al zijn. Gaandeweg besef je dan ook des te meer dat je voor het tackelen van een democratische rechtsstaat genoeg hebt aan een noodwet, die de zittende premier of president de vrije hand geeft om te doen wat hij wil.

Tangverlossing

Niemand zal ontkennen dat de Weimarrepubliek met een tangverlossing ter wereld kwam. Als verliezer van de oorlog had Duitsland in 1918 te buigen voor de door de vredesconferentie van Parijs opgelegde herstelbetalingen, die als een grote vernedering werden ervaren, hoewel ze veel minder genadeloos waren dan de herstelbetalingen die Duitsland in 1917 aan Rusland had opgelegd. Maar waar de sociaaldemocraten zich aan de aflossingsverplichting wilden houden, gebruikten de conservatieven die als propagandamiddel om hun tegenstanders te belasteren.

Daartoe brachten ze een mythe in de wereld: die van de Kriegsunschuldlüge, waarin ze ontkenden dat Duitsland in 1914 de aanstichter van de oorlog was geweest door de Oostenrijkse keizer aan te moedigen een oorlog tegen Servië te beginnen. Voeg daarbij de bekendere Dolkstootlegende, die beweert dat de socialisten en Joden het keizerlijke leger aan het thuisfront hebben verraden, en de basis voor een giftig politiek klimaat is gelegd.

Dat laatste heeft Ullrich als hoofdmoot voor zijn boek gekozen. Door diep in de conservatieve machtspraktijken te duiken schetst hij een beangstigend beeld van de manier waarop de democratie in Weimar wordt verstikt. Als opmaat daartoe voert hij de Kapp-putsch van maart 1920 aan, die volgens de conservatieve coupplegers een tijdelijke dictatuur had moeten opleveren. Dat die putsch mislukte, was te danken aan de arbeidersklasse, die als reactie massale stakingen ontketende en daarmee de coupplegers terug in hun holen dreef.

Maar er waren veel grotere dreigingen van rechterzijde. Zo weigerde de Duitse elite uit misplaatst standsbesef productief samen te werken met de sociaaldemocratische premier Friedrich Ebert, een zadelmaker van beroep. Wel werd hij om het minste geringste door zijn tegenstanders voor verrader uitgemaakt. Ook studenten namen aan die hetze deel, omdat ze in de republiek vanwege haar linkse uitstraling een obstakel zagen voor hun toekomstige carrière nu gewone arbeiders hun concurrenten in het landsbestuur waren geworden.

Hoever die tegenstanders zouden gaan, bleek toen in juni 1922 de liberale minister van Buitenlandse Zaken Walther Rathenau door een extreemrechtse groepering werd vermoord en de daders er met zeer lichte straffen vanaf kwamen, waarmee zelfs de rechterlijke macht kleur bekende.

Maar ook de linkse partijen droegen bij aan de ondermijning van de nieuwe politieke orde, zo laat Ullrich nadrukkelijk zien. Eind 1923 bracht bijvoorbeeld de SPD de liberale kanselier en minister van Buitenlandse Zaken Gustav Stresemann ten val, terwijl deze juist zo succesvol was met de aanpak van de inflatie. President Ebert was woedend en zei tegen zijn sociaaldemocratische partijgenoten dat de gevolgen van hun domheid hen nog tien jaar zouden achtervolgen.

Grootste fout

De grootste fout die werd gemaakt was volgens Ullrich echter de verkiezing van de bejaarde, aartsconservatieve veldmaarschalk Paul von Hindenburg tot president na de dood van Ebert in 1925. Die fout was volgens Ullrich te danken aan de even anti-republikeinse KPD, die haar aanhangers bleef aanmoedigen om in de tweede ronde op de communist Ernst Thälmann te stemmen in plaats van op de door de sociaaldemocraten gesteunde pro-republikeinse Zentrum-kandidaat Wilhelm Marx. De sociaaldemocraten hadden met hun steun verstandig gehandeld, omdat ze inzagen dat in de eindstrijd een sociaaldemocratische kandidaat het niet goed zou doen bij de burgerlijke kiezers.

Marx had zeker gewonnen als ook de communisten zich achter hem hadden geschaard. Maar nu zat het land opgescheept met Hindenburg, die van meet af de grondwettelijke mogelijkheden van zijn ambt zou gebruiken om de macht van het parlement te beknotten. Toen in 1929 ook nog Stresemann, het geweten van Weimar bij uitstek, plotseling overleed en in het jaar daarop de grote coalitie, de laatste regering die op een parlementaire meerderheid kon bogen, door de manipulaties van de gewiekste en allerminst dementerende Hindenburg ten val kwam, was het einde zoek.

Ullrich ziet 1930 daarom als het grote keerpunt in de geschiedenis van Weimar. Vanaf toen was de beer los en daarvan zou Hitlers populistische NSDAP profiteren. Toen ook nog het ingekrompen Duitse leger zijn slagkracht hoopte te vergroten door Hitlers paramilitaire SA te incorporeren, werd diens partij een nog interessantere coalitiepartner voor de oude elites. En ook al zag Hindenburg neer op de voormalige korporaal Hitler en weigerde hij hem aanvankelijk om hem als kanselier van een conservatieve coalitie aan te stellen, uiteindelijk gebeurde dat in januari 1933 toch.

Dat Hitler een tijdelijk instrument zou zijn om de macht van de conservatieven te bestendigen, bleek al gauw een wensdroom. Ook al dachten velen, van politici tot aan progressieve journalisten en buitenlandse diplomaten dat het allemaal wel mee zou vallen. De Rijksdagbrand van een maand later en de daaropvolgende vestiging van de dictatuur zouden die hoop spoorslags laten verdampen.

Ullrich laat met zijn boek zien hoe kwetsbaar een democratie kan zijn als politici van links tot rechts hun verantwoordelijkheid niet nemen en populistische rattenvangers van hun onderlinge geruzie profijt trekken. Alleen dat al maakt zijn boek in het huidige chaotische tijdsbestek meer dan de moeite waard.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next