Home

Op de barre Canadese prairie is de dood altijd dichtbij, maar voor rouw geen plek

Margaret Laurence De klassieke roman De stenen engel is verplichte kost op iedere Canadese school. Vooral omdat het boek van de grote Margaret Laurence het wezen van Canada weergeeft, met zowel somberte als humor.

Margaret Laurence:

De stenen engel (The Stone Angel). Vert. Edith van Dijk.

Cossee, 320 blz. € 26,99

Ik geloof niet dat ze in Canada van een ‘Grote Drie’ spreken zoals wij dat helaas nog steeds doen, maar was dat wel het geval geweest, dan zou de Canadese literaire triniteit waarschijnlijk bestaan uit Margaret Atwood, Alice Munro en Margaret Laurence. (Drie vrouwen! Dat kan dus gewoon.) Atwood en Munro zijn in Nederland vertrouwde namen – Munro won in 2013 de Nobelprijs voor Literatuur en Atwood werd door de tv-serie van The Handmaid’s Tale nog beroemder dan ze al was.

Margaret Laurence (1926-1987) is minder bekend bij ons en om maar meteen met een klacht te beginnen: dat uitgeverij Cossee ervoor gekozen heeft om haar klassieker De stenen engel opnieuw uit te geven (oorspronkelijk verschenen in 1964, de vertaling van Edith van Dijk stamt uit 2007) zónder iets van een inleidend essay is erg jammer. In Canada, en ook op veel plekken in de VS, is dit boek verplichte kost voor ieder schoolkind; voor een Nederlandse lezer was het goed geweest om wat context te krijgen, om kennis te nemen van de invloed die Laurence heeft uitgeoefend op de Canadese literatuur.

Afijn, iets is beter dan niets en dat De stenen engel nu weer in de vaderlandse boekhandels ligt is hoe dan ook een goede zaak, want het is een schitterende roman.

Het verhaal speelt zich af in het kleine prairieplaatsje Manawaka, waar meer van Laurence’s boeken gesitueerd zijn. Manawaka is gebaseerd op haar geboorteplaats Neepawa, in de Canadese provincie Manitoba, al benadrukte ze zelf het universele aspect van deze fictieve plek: „Manawaka is niet zozeer een specifiek prairiestadje als wel een amalgaam van meerdere prairiestadjes,” schreef ze in een essay. „Bovenal is het een town of the mind.” Daarmee hoort het bij een select clubje Noord-Amerikaanse literaire stadjes die allemaal verwerden tot een „town of the mind”, zoals William Faulkners Oxford, Mississippi of Red Cloud, Nebraska, waar veel van Willa Cathers prairieromans zich afspelen.

Zengende zomers, ijzige winters

Alhoewel, ‘stadje’? Gehucht zou beter zijn. Manawaka bestaat uit „niet meer dan een stuk of zes fatsoenlijke stenen huizen” en verder „uit hutten en kotten, krakkemikkige houten skeletten met asfaltpapier, die geen lang leven beschoren waren in de zengende zomers en barre winters waarin waterbronnen en bloed bevroren”. Bekend landschap voor lezers van Laura Ingalls Wilder; dit is het kleine huis op de Canadese prairie, door een donkere spiegel.

‘Fatsoenlijk’ en ‘bar’ zijn sleutelwoorden in deze roman. Wat we lezen is het relaas van de negentig jaar oude Hagar Shipley, dochter van een rijke en zeer fatsoenlijke Schotse winkelier, een pionier, bewoner van een van de zes stenen huizen en daarmee automatisch lid van de Manawakaanse elite. Hagars moeder overleed bij haar geboorte. Ze groeit op met haar strenge vader en twee broers, waarvan er een jong sterft aan een longontsteking. Op de barre prairie is de dood altijd dichtbij, maar voor rouw is geen plek, geen tijd; het leven is een permanente overlevingsstrijd. Rug recht, tanden op elkaar en door.

Hagar heeft een zachte kern. Ze houdt van de poëzie van John Keats en Elizabeth Barrett Browning, is als oude vrouw tot tranen geroerd als een meisje haar plaats afstaat in de bus, en heeft een opvallend oog voor schoonheid, voor detail. Maar haar meedogenloze opvoeding op de onherbergzame prairie heeft haar tot een keiharde vrouw gemaakt – de stenen engel uit de titel verwijst niet alleen naar het marmeren standbeeld op haar moeders graf.

Het heden van de roman is de vroege jaren zestig. Hagar woont in bij haar zoon Marvin en zijn vrouw Doris in Vancouver. Marvin en Doris zijn allebei de zestig gepasseerd en de zorg voor de steeds breekbaardere Hagar wordt hen langzamerhand te zwaar. Hagar is vergeetachtig, piest in haar bed, spookt ’s nachts door het huis en herinnert zich daar de volgende dag niks van, valt om de haverklap en laat overal brandende sigaretten liggen. Zelf vindt ze dat het allemaal reuze meevalt en dat Marvin en Doris niet zo moeten teuten. Als Marvin oppert dat het wellicht tijd wordt voor een verzorgingstehuis neemt Hagar in paniek de benen.

De gebeurtenissen in het nu worden afgewisseld met herinneringen aan Hagars verleden. Deze flashbacks spelen zich in chronologische volgorde af, van haar kindertijd tot een aantal jaar voor het begin van het verhaal. Bij een andere, minder vaardige schrijver zou dit geforceerd overkomen, verwarrend, vervelend. Maar Laurence’s gevoel voor vorm en voor stijl zijn zo sterk dat het opvallend soepel leest. Heel natuurlijk bewegen we van het heden naar het verleden en weer terug, de schakelingen in de tijd komen altijd op een logisch, geloofwaardig moment. De roman leest zo vlot dat je er niet bij stilstaat hoe knap dit is, en ook dat je je dit niet realiseert is een teken van haar kunnen.

In wezen is dit een tragische roman. Om haar vader te pesten trouwt Hagar met een knappe maar arme en weinig fatsoenlijke boer op wie haar familie neerkijkt – „een ordinaire kerel”, vindt haar vader – maar eigenlijk kijkt ze zelf ook op hem neer. Zo trots is ze, zo geobsedeerd met het intact houden van haar zelfrespect, dat ze hem niet wil laten merken hoe hartstochtelijk ze naar zijn lichaam verlangt: „Dat heeft hij nooit geweten. Ik uitte het niet en ik zorgde ervoor dat ik niets van mijn opwinding liet blijken.”

Koppige trots

Nog droeviger is het dat ze niet ziet wat een eersteklas zoon ze in Marvin heeft. Hij is geduldig, zorgzaam, betrouwbaar, sterk, dapper en warm, maar omdat hij haar aan zijn vader doet denken heeft ze geen goed woord voor hem over. Haar lieveling is zoon John, een alcoholische nietsnut die ze zonder aanleiding adoreert. Maar ook tegen hem gedraagt ze zich onmogelijk, ze kan niet anders. Hagar zit gevangen in haar boze, onbuigzame, koppige trots en kan zichzelf daar niet uit bevrijden.

Toch is dit absoluut geen sombere roman en dat komt door de droge humor waarmee Hagar naar de wereld om zich heen kijkt. Ze is een bittere oude brompot maar haar scherpe, komische observaties zijn onweerstaanbaar. Over haar broer, die lui is en altijd ziek: „die jongen koesterde ziektes zoals andere mensen zeldzame planten koesteren”. Over haar schoondochter: „Doris gelooft dat natuurlijke vroomheid met de jaren rijpt, zoiets als een verzekeringspolis die zijn vruchten afwerpt.”

Ook mooi is hoe veel van Hagars gedachten gekleurd zijn door haar plattelandsverleden. Als ze bijna valt gooit ze met een ruk haar hoofd omhoog, „een oude kreupele merrie die vuur hoort of rook ruikt”. Doris „zwoegt en steunt als een kalvende koe”. Hagars man is lui „als een troetelvarken”. Een paar stokoude vrouwtjes zijn „broze witte bolletjes als de pluizige zaadbollen van een paardenbloem”. Het zijn sterke beelden die samen een dicht geweven web van landbouw-leidmotieven vormen, dat de lezer steeds verder Hagars belevingswereld intrekt.

Het maakt dat je ondanks alles aan haar kant blijft staan. Je vervloekt haar op momenten, maar veroordeelt haar niet. Integendeel, tegen wil en dank bewonder je haar om haar pit, haar eigenzinnigheid. Is het niet gebruikelijk om een smeekbede uit te spreken op je sterfbed, vraagt ze zich aan het eind af. „Nee. Dat gaat me te ver. Het enige wat ik kan bedenken is: ‘Heer, zegen mij wel of niet, zoals het u goeddunkt, want ik zal er niet om smeken.’”

Onverbeterlijk.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next