Poëzie Luchtig én doorwrocht dicht Deckwitz in Metamorfosen over de pijn van de verbreking van een liefdesrelatie. In beeldrijke en innemende vertellingen deelt ze de innerlijke onafhankelijkheidsstrijd die afscheid nemen en accepteren is.
Ellen Deckwitz: Metamorfosen. PoëzieCentrum, 29 blz. Gratis bij aankoop van poëzie ter waarde van € 12,50
De dichtbundel Metamorfosen, uitgegeven ter gelegenheid van de Poëzieweek 2026, ontvouwt het landschap van een binnenwereld die in lichterlaaie staat wanneer een liefdesrelatie strandt. Aan de hand van negen gedaanteverwisselingen reist de lezer mee in een verwerkingsproces.
De cyclus kan worden gelezen als verzet tegen de leegte, het alleen-zijn dat zo wordt gevreesd. Soms luchtig en humoristisch, dan weer doorwrocht en klankrijk, gooit Ellen Deckwitz (1982) – gelauwerd dichter, columnist en pleitbezorger van de poëzie (onder meer met zelfhulpboeken voor de poëzielezer als Eerste hulp bij poëzie) – alles in de strijd. Tegen hardnekkige maatschappelijke opvattingen in laat ze tussen de regels zien: je hoeft geen geliefde of kinderen te hebben om een volledig mens te zijn.
De eerste metamorfose begint zo:
Op een dag werd je verliefd. Je vel dwong jeop een strooptocht naar troost,
een ander om als een branddekenover je heen te trekken.
Hormonenroedels raasden door haarvaten,werden sledehonden in een sneeuwstorm
de ander liet eeuwenoude kurenin je ontwaken […]
Omdat de sterk lichamelijke beschrijvingen om eigen ervaringen lijken te gaan, is het alsof de ik-figuur hier zelf verliefd is – op zich een aannemelijke metamorfose. Pas uit het slot („Het was magisch/ en fantastisch, en ik bleef achter”) blijkt dat het haar partner (de ‘je’, inderdaad) is die redeloos verliefd is. Hier ontstaat, behalve een anekdotische transformatie, een talige metamorfose die meer biedt dan alleen een grappige uitwerking. Door de wending van ‘je’ naar ‘ik’, valt de lezer uit wat deze dacht te begrijpen, zoals de ik-figuur uit haar liefdesrelatie wordt gekiept.
Via aanvankelijke verbijstering van de in de steek gelaten ik-figuur reist de lezer mee in verschillende stadia van verdriet: gedaantewisselingen, pogingen er in het wilde weg met anderen maar iets van te maken, herinneringen, verlangens, paniek en angst. In de laatste metamorfose volgt er, bij gebrek aan enige conclusie, een inzicht:
Uiteindelijk vond het Grote Loslaten niet plaatsop een Klif bij Zonsondergang, en ook kwam het niettoen er een nummer van Aretha Franklin over Eigenwaardewerd ingezet.
Het einde van een verwerkingsproces is niet groots en meeslepend. Na twee jaar angstvallig zoeken naar een manier om alleen verder te kunnen en te begrijpen wat er nu eigenlijk is gebeurd, bereikt de ik-figuur een holle catharsis. Op „camping De Kom in Steenwijk”, „wc-rol onder de oksel”, merkt ze dat er voor het eerst helemaal niets gebeurt wanneer ze denkt aan „wat twee jaar lang/ verdriet en paniek in me had losgemaakt”: „Genezen was blijkbaar een vorm van verdwijnen.// Wat had ik gevochten voor deze leegte./ Wat was ik bang geweest// voor mezelf, elke ochtend mijn geest aftastend naar kalmte/ zoals je ’s nachts in een tas naar voordeursleutels graait.”
Het beeld van de geest als volle handtas waar de voordeursleutels onvindbaar zijn, maakt de ontreddering compleet.
Nu gebeurde er helemaal niets en het was magisch en fantastisch.Dus dit is nou overleven, dacht ik. Ik liep het flauwe toiletlicht in,de geur van verse urine tegemoet.
De ik-figuur hoeft zich niet meer te verzetten tegen haar eigen demonen en kan een toekomst tegemoet, al hangt daar een pislucht. Het is een bedenkelijk portaal naar de toekomst, maar – o opluchting – wel een realistisch portaal, stevig verankerd in het hier en nu.
Dit slot ligt al besloten in de opening van de bundel. Door de woorden „het was magisch en fantastisch” uit het eerste gedicht te herhalen, sluit Deckwitz de cirkel. Alleen is de ik-figuur nu geen figuur meer die zich laat verwarren met een ‘je’: ze is zichzelf, en daarmee onafhankelijk geworden.
De negen metamorfosen die tezamen naar onafhankelijkheid leiden, zijn stuk voor stuk sterke gedichten, al zit de neiging van de dichter om zichzelf te verduidelijken de poëzie soms in de weg. Op zich past deze verklaardrift inhoudelijk wel bij de ik-figuur die grip probeert te krijgen op het leven. Maar wanneer in de derde metamorfose de gezichtsloze ander naar wie altijd werd verlangd „geen voorkant” blijkt te hebben, wordt het een overbodige invuloefening om vervolgens te lezen: „Geen ogen,/ geen neus. Geen borst om je tegenaan/ te drukken.// Jij bleef achter met jezelf,/ dat wil zeggen de vele bochten/ waarin je was beland/ omdat je dacht dat er een ander bestond/ alleen voor jou, een mens die alles/ goed zou maken.”
Des te overtuigender zijn de momenten waarop innerlijk tumult niet wordt verklaard maar zichtbaar en invoelbaar wordt gemaakt, zoals wanneer de ik-figuur zichzelf ziet veranderen in een gluiperige, ‘sorry, maar’-zeggende regenworm wanneer ze nieuwe relaties, pas begonnen, alweer verbreekt.
Een andere krachtige uitwerking van een complexe binnenwereld is te lezen in een vooruitblik naar een dag waarop uit de glibberige worm armen zullen groeien: „Ik zou tegen die tijd vast/ niet meer de behoefte hebben/ zwaneneieren kapot te smijten/ tegen een voordeur van beton.” Het zwanenei krijgt niet de kans tot wasdom te komen door de woede, de onmacht van degene die het ei kapot wil smijten. Er moet een toekomst zijn waarin dat niet meer hoeft. Waarmee wordt gesuggereerd dat het in het nu van het gedicht noodzakelijk is om iets edels als een zwanenei, de mogelijkheid tot groei – en de hele moedersymboliek die daarin vervat ligt – kapot te slaan. Omdat de titel van het Poëziegeschenk verbanden met de Griekse mythologie suggereert, zou er in het verlangen om het zwanenei stuk te smijten ook een afrekening gelezen kunnen worden met de god die zich vermomt als zwaan. Val mij niet lastig met valse beloften, lijkt Deckwitz hiermee te zeggen, maar, de titel indachtig, bovenal: laat mij mezelf zijn, met mijn eigen metamorfosen.
Daar slaagt ze in. Ze maakt de lezer bovendien deelgenoot van de innerlijke onafhankelijkheidsstrijd die afscheid nemen en accepteren is, met beeldrijke en innemende vertellingen die ontroeren. Het leven is niet voorbij als je alleen bent.
Als je weggaat zal er nog steeds adem zijnen Netflix, de stad stort niet in.
Als je weggaat zijn er nog steeds meevallersen belastingaanslagen, ken ik nog altijd blindde weg over je huid.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC