Home

Hoe verwerk je in een roman wat er van generatie op generatie doorgegeven wordt?

Nederlandse literatuur Twee romanschrijvers wagen zich aan de eigen familie – om te onderzoeken wat er in de opvoeding werd doorgegeven. Koos Meinderts schrijft ogenschijnlijk eenvoudig maar heel geraffineerd, Josephine Rombouts verslikt zich in de constructie.

Nederlandse vrouwen en kinderen in het Japanse interneringskamp Kampong Makassar, Batavia/Jakarta. 1945.

Josephine Rombouts: Vleugelslag. Querido, 277 blz. € 22,99

Koos Meinderts: Zien wat van gisteren overbleef. Hoogland & Van Klaveren, 192 blz. € 22,50

Fien zwijgt, Fien talmt, wijkt, vlucht en ze heeft daar schoon genoeg van. Josephine Rombouts (1971), bekend van haar autobiografische boeken over haar verblijf als huishoudster op een Schots kasteel, voert zichzelf op als personage, Fien dus, in de roman Vleugelslag. Het gedrag dat ze onder de loep wil nemen ziet ze terug bij haar kinderen, maar ook bij haar vader en haar grootmoeder. Waar komt het vandaan? En hoe kan het stoppen? In het qua inhoud onthutsende Vleugelslag doet ze verslag van een zoektocht. Zij duikt in het verleden van haar familie, onderzoekt wat werd doorgegeven, van generatie op generatie, en waarom.

Ook Koos Meinderts (1953), vooral bekend als kinderboeken- en liedjesschrijver, waagt zich aan een dergelijk boek. Minder direct dan Rombouts, maar ook zijn Zien wat van gisteren overbleef schampt dicht langs de autobiografie. Hoofdpersoon Jaap Hegge is een succesvol kinderboekenschrijver uit een groot katholiek gezin, net als Meinderts zelf. Hegge staat op een keerpunt in zijn leven na wat hij een „bliksembezoek van de dood” noemt. „Voorwaarts en snel vergeten” lukt niet, temeer daar zijn ooit zo blitse middelbare schoolvriend wel degelijk echt en eenzaam op sterven ligt: hij ziet overal „zwarte sneeuw” en zijn werk staat hem tegen.

Hegge moet het zoveelste deel van zijn kinderverhalenserie ‘Monkel en Glop’ schrijven, maar walgt en baalt en vraagt zich af wat er van hem geworden is. Tijd om iets anders te gaan maken, iets „echts”: „een boek waar niemand om had gevraagd, waarin niets gebeurt en waarop niemand zat te wachten, behalve ikzelf.” Dat wordt het levensverhaal van zijn ouders – zijn eigen ontstaansgeschiedenis. Hij voert ze op in hun jonge jaren, vanaf hun kennismaking in 1940. Moeder, die een dienstertje is, staat een Heilig Hartbeeld af te stoffen, vader is op kraambezoek bij zijn zus, haar werkgeefster, en valt als een blok voor haar, alleen al door de aanblik van haar kuiten.

Verwanten opvoeren als personages is riskant. Het vergt afstand en zeker ook lef, een mate van nietsontziend durven zijn, het is een toe-eigening die niet schoorvoetend dient te gebeuren. De hoofdpersoon van Meinderts leest zijn broers en zussen op enig moment een gedeelte voor van wat hij maakt. Meteen komen er bezorgde vragen: gaat hij ook opschrijven dat vader een tijdje voor de Wehrmacht heeft gewerkt? Een broer wil het niet hebben, een zus verwacht een hagiografie. Jaap Hegge beraadt zich en belt zijn al lang overleden moeder er maar eens over: „‘Wat valt er nou over ons te schrijven?’ ‘Genoeg. […] u fantaseerde over hem, ’s avonds in bed.’ ‘Dat ga je er toch niet inschrijven, Jaap!’ ‘Dus het klopt?’”

Zien wat van gisteren overbleef is een slim lied van schijn en wezen: Meinderts speelt met de vraag wat ‘werkelijkheid’ is, met wat de lezer aanneemt van de aannames van zijn hoofdpersoon. De hoofdstukken over de ouders Joop en Dora zijn even zorgvuldig geschreven als die over hun zoon Jaap, vol fijnzinnige observaties en knappe dialogen. Meinderts doet niet aan mooischrijverij en heeft nergens in het oog springende kunstgrepen nodig om te overtuigen. De roman vertelt een klein verhaal, rechttoe-rechtaan, lijkt simpel en terloops te zijn, maar zit geraffineerd in elkaar, als een spiegelpaleisje.

In de windsels van generaties

Vleugelslag is een zwaarder boek, zowel door de thematiek als door de toon. „Ergens diep beneden onder de waterspiegel ligt de blauwdruk”, schrijft Rombouts. Fien voelt zich „smoren in de windsels van generaties”, in trauma dat op haar werd overgedragen. Ze is een tweedegeneratie kampslachtoffer. Haar vader verbleef met zijn moeder en zus tijdens de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp op Java. Die moeder had toen al ander levensbepalend trauma opgelopen: zij werd in 1922 als kind vanuit een Oostenrijks bergdorp naar Nederland gestuurd om aan te sterken, maar keerde nooit weerom. Haar Noord-Hollandse gastouders misbruikten haar op tal van manieren. Als ze ontsnapt is door te trouwen en alsnog gelukkig dreigt te worden in Nederlands-Indië, ontploft haar echtgenoot tijdens de Slag in de Javazee. En daarna wacht haar en haar kroost dus nog het kamp.

Hoe prangend de inhoud van Vleugelslag ook is, de vorm is hinderlijk, de roman blijft te bedacht aanvoelen. Rombouts portretteert in het eerste deel van het boek zichzelf en een hele hoop andere familieleden, zoals haar oom Harm en haar vader Peter, in diverse tijdvakken gedurende een week. In 2022 gaat zij met haar peettante in Oostenrijk op zoek naar de wortels van haar grootmoeder. Haar oom Harm deed met zijn gezin hetzelfde in 1992, haar vader Peter ook, zelfs tweemaal, met zijn eerste twee kinderen in 1977 (daar is Fien er een van) en in 1991, met zijn derde en vierde kind. Rombouts volgt al deze verhaallijnen: dat is duizelingwekkend op een manier die de bedoeling niet geweest kan zijn. Je moet steeds terugbladeren naar die stamboom voorin.

De personages komen ook niet tot leven. Hun gesprekken zijn vaak stijf, gekunsteld, vreemd uitgesponnen, en eigenlijk gericht op informatieoverdracht aan de lezer: „‘Harm’, onderbrak Christina zijn gedachten, ‘je moeder kwam met een trein vol Weense bleekneusjes naar Nederland, maar ze kwam niet uit Wenen, hoe zit dat?’” Er staan ook vreemd veel uitroepen in de roman, zoals ‘Jasses’, ‘Hallo’, ‘Verdomme’ en ‘Verrek’. Misschien om de boel te verlevendigen, maar het werkt helaas averechts. In het tweede deel van de roman, getiteld ‘Vader. Zeven dagen sterven’ blijft Rombouts binnen het ik-perspectief van Fien. Dit leest prettiger en overtuigt meer, maar een eenheid is Vleugelslag niet.

Boekenbakkers

Zien wat van gisteren overbleef van Meinderts is ook een familiegeschiedenis, maar gaat over meer. Zoals over de taak van een schrijver. Het leest als een weerslag van een literatuuropvatting: verhalen hoeven niet ‘echt gebeurd’ te zijn om waar te zijn. En: „de grootste bedreiging van het succes is het succes zelf”. Een schrijver met succes loopt het risico toe te treden tot het „Gilde der Boekenbakkers”. Dat zijn „schrijvers zonder eigen stem, die het ene na het andere inwisselbare puinboek eruit kakten, reeksen het-geheim-van of het-mysterie-van boeken”. Hoofdpersoon Jaap is natuurlijk zelf zo’n schrijver, met zijn Monkel en Glop-reeks. Overigens had hij de succesvolle figuren aanvankelijk Kuik en Vark willen noemen, maar dat mocht niet van zijn uitgever. In het echt schreef Meinderts wel degelijk Kuik en Vark-verhaaltjes, zij het niet in negentien delen. Zulke knipogen maken de roman extra geestig.

De roman van Meinderts eindigt met twee geboortes: die van hoofdpersoon Jaap Hegge zelf en die van zijn kleindochter, voor wie hij een hoogstpersoonlijk twintigste deeltje Monkel en Glop schrijft, alsnog. De twee delen van Vleugelslag van Rombouts eindigen met een sterfbed, dat van de grootmoeder en dat van de vader. In deze hoofdstukken houdt Rombouts het klein en weet zij te ontroeren. Maar verder maakt vooral het feitelijke, echt gebeurde leed uit Vleugelslag indruk. Rombouts is interessant door wat er staat; Meinderts veeleer door hoe het er staat.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next