Interview Kinderboekenschrijvers Annet Schaap en Daan Remmerts de Vries laten zich in hun werk beiden inspireren door sprookjes. Want sprookjes kunnen bevrijdend werken en maken deel uit van het collectief onderbewuste. „Verhalen moeten over meer dan het grauwe alledaagse leven gaan.”
Kinderboekenschrijvers Annet Schaap en Daan Remmerts de Vries
Ze kennen elkaar eigenlijk niet echt, merken Annet Schaap en Daan Remmerts de Vries op als ze elkaar begroeten in Annets atelier in Utrecht vol illustraties en knipsels aan de muur. En elkaars meest recente boeken ook niet: Juniper in het hierna nogmaals, het zesde en laatste boek dat Remmerts de Vries onder het pseudoniem Henry Lloyd over de sprookjeswereld van het Doolwoud schreef. En Krekel, waarvan Schaap net als voorganger Lampje een op Andersen geïnspireerd sprookjesavontuur maakte. Dus ja, beide schrijvers die ook illustratoren zijn, waren best verrast door de uitnodiging voor dit gesprek over de herkomst en betekenis van sprookjes en sprookjesmotieven in hun boeken, en hoe ze die vormgeven. Maar met een kop thee aan de werktafel van Annet, waarop potten met kwasten en potloden staan en een opengeslagen schrijfboek ligt, is het ijs snel gebroken.
Daan: „Dat ik hier zit voelt toch vrij logisch. Ik ben opgevoed met Paul Biegel en dat soort sprookjesverhalen – niet die waarin een toverfee even alles in orde maakt, maar goede sprookjes. Het sprookjesthema sluit bovendien erg aan bij wie ik als kind was: de werkelijkheid kon voor mij heel overweldigend zijn; als ik bijvoorbeeld fossielen vond, riep dat diepe verwondering op. Het gaf mij het gevoel dat er dingen achter de dingen zaten. Toen ik tien was heb ik vanuit mijn raam een keer een witte hond boven de weg zien zweven. Ik heb dat lange tijd niet durven vertellen, omdat ik het nogal belachelijk vond klinken. Maar nu kom ik er rustig voor uit. Ik ben 63 jaar, dan kan je ertegen om uitgelachen te worden – en ja, dat geloof in het magische heb ik altijd gehouden.”
Na jarenlang andermans werk te hebben geïllustreerd, waaronder de Hoe overleef ik-serie van Francine Oomen, schreef Annet Schaap (Ochten, 1965) Lampje (2017), een voortrazend sprookjesavontuur dat alle denkbare literaire prijzen won. Vorig jaar verscheen de langverwachte opvolger, Krekel (2025) waarin Eliza besluit om samen met haar schimmige broertje Krekel hun weggetoverde broers terug te halen. In 2021 verscheen De meisjes, een bundel met zeven sprookjesbewerkingen.
Annet: „Ik weet niet of ik dat geloofde, dat van die dingen achter de dingen. Ik besef wel dat sinds het verschijnen van Lampje er een romantisch beeld is ontstaan van een meisje dat altijd van De kleine zeemeermin en Andersen heeft gehouden, maar dat klopt niet. Die sprookjes waren slechts een stukje van wat ik als kind las. Eigenlijk las ik gewoon alles. Ik was liever aan het lezen dan aan het leven: in boeken kon ik helemaal weg zijn. Ja, wég – weg van de gewone werkelijkheid, de gymzaal, het jeugdkoor, de kerk, weg van alles wat ik zo vond tegenvallen. Voortgedreven door een groot verlangen naar een werkelijkheid zoals ik die in fictie kon ervaren, naar een magische wereld, naar dat leven achter de dingen, zoals jij dat noemt. Maar tegenover dat verlangen en die hoop klonk dan altijd een strenge stem die zei: ‘Maar zo’n wereld is er niet.’ Pas veel later heb ik een soort van toestemming gevonden om die betovering van de werkelijkheid te mogen zien.”
Daan: „Toestemming – hmmm… Een interessant woord.”
Annet: „Ja, toestemming, omdat er dus altijd dat chagrijnige, rationele tegengeluid was dat zei: die betovering is er niet. Dat is terug te voeren op mijn opvoeding: de kerk, heel erg de kerk en de boodschap: je bent niet bijzonder, accepteer nou maar dat dit het leven is, en dan…”
Daan: „Dan komt het allemaal wel goed?”
Annet: „Nou ja, dan komt het in ieder geval niet slecht. Dat in de pas moeten lopen met je gedachten, heeft mij lange tijd belemmerd. Pas toen ik aan Lampje begon, dacht ik: maar mag dat dan gewoon, zo’n verhaal vertellen? Gelukkig zei de uitgever snel ja. En vanaf dat moment kwam het allemaal naar buiten. Ik zag die vuurtoren voor me, dat eilandje, Lampje en haar vader, een eng huis, een jongen met een vissenstaart. Pas halverwege realiseerde ik mij: oh, de kleine zeemeermin! Daar had ik eerst helemaal niet aan gedacht. Maar ineens was het er. En toen was ik ook ineens een sprookjesschrijver.”
Daan Remmerts de Vries (Leeuwarden, 1962) kreeg in 2021 de Theo Thijssen-prijs voor zijn omvangrijke en veelzijdige jeugdliteraire oeuvre. Veel boeken spelen zich af op de grens van verbeelding en werkelijkheid. Meest ultieme voorbeeld is De harpij (2014), een satanisch epos voor volwassenen (uitgebracht onder het pseudoniem A.N. Ryst) over de wereld na de zondeval. Sinds 2021 schreef hij onder het pseudoniem Henry Lloyd zes kinderboeken die in de sprookjeswereld van het Doolwoud zijn gesitueerd. Juniper in het hierna nogmaals (2025) is het slotstuk. In 2022 verscheen Sneeuwwit, zijn bewerking van Sneeuwwitje.
Daan: „Wat jij nu vertelt, laat zien hoezeer sprookjes bij ons mensen horen en deel uitmaken van ons collectieve geheugen en onderbewuste. En hoe bevrijdend ze kunnen werken. Verhalen moeten over meer dan het grauwe alledaagse leven gaan. Er moeten dingen kunnen gebeuren die een opening creëren in de werkelijkheid. Magische elementen kunnen dat. Die kunnen, door de werkelijkheid op te heffen, een verhaal groter en rijker maken. Goede sprookjes zijn eigenlijk altijd metaforen, ze symboliseren onze hartstochten, duistere dromen en existentiële angsten. Zoals ik net al zei: een sprookje waarin alleen zomaar wat wordt getoverd, is geen goed verhaal. Het moet ergens naar toe gaan.”
Annet knikt instemmend: „Naar een bevrijding, of naar een verandering, om zo die opening te creëren.”
Daan: „Zo komt de eenhoorn Juniper in mijn slotdeel over het Doolwoud in een doolhof terecht waar hij in de vermomming van een wesp de dood ontmoet. Dat is een angstaanjagende overgang. Hoe gaat hij om met het onvermijdelijke voorbijgaan van de tijd? Wat wacht hem?”
Daan: „Soms zijn sprookjes meer dan een metafoor. In Sneeuwwit, mijn bewerking van Sneeuwwitje, zit lichte maatschappijkritiek. Ik wilde de eigentijdse lezer een spiegel voorhouden: hoe verbeelden we meisjes in verhalen? De belangrijkste verandering die ik daarom in het Grimm-sprookje heb aangebracht is dat Sneeuwwitje zélf verandert. Ze blijft in mijn versie niet hetzelfde onnozele kind dat alles alleen maar overkomt en wakker wordt gekust en meegevoerd wordt door die prins. Ze pakt zichzelf aan en wordt een eigenzinnige jonge vrouw die voor zichzelf opkomt. Dat voelde eerlijk gezegd ook heel terecht, na alle ellende die haar door dat rotwijf is aangedaan. Zo heb ik het verhaal naar onze tijd toegeschreven. De omstandigheden zijn die van het klassieke sprookje, maar zoals de figuren handelen, is van deze tijd. Dat schuurt en dat vind ik fijn.”
Annet: „In haar vrijheidsstrijd lijkt jouw Sneeuwwit op Eliza uit Krekel. Zij verandert ook van een onzeker, volgzaam meisje in een iemand die opstaat tegen haar kwade stiefmoeder. Dat vrouwen-thema en die maatschappijkritiek zit trouwens ook in sommige Grimm-sprookjes die ik voor De meisjes bewerkte. Maar ik ben natuurlijk zelf een vrouw. Eigenlijk gaan alle zeven sprookjes in de bundel over mij. Die is ontstaan toen ik met Krekel bezig was. Het schrijven lukte heel lang niet: het moest net zo briljant en succesvol als Lampje – en het voelde alsof iedereen over mijn schouder meekeek. Op een ochtend liep ik gefrustreerd naar mijn atelier. ‘Jezus, ik heb het al een keer gedaan’, dacht ik. ‘Dus dan moet ik het toch nog een keer kunnen? Schrijf gewoon nog een keer zo’n boek!’, sprak ik tegen mijn handen. Waarna direct het beeld in mij opkwam van een meisje dat gevangen zit in een kelder, omdat ze zomaar per ongeluk goud heeft gesponnen van stro en dit kunstje nu van iedereen moet herhalen. Ik dacht: zal ik? Gevolgd door: nee, nee – eerst dat nieuwe grote boek. Maar dat verhaal kwam er toch…”
Daan: „Als metafoor voor jouw leven. Jij had met Lampje goud gesponnen en nu werd je in de kelder opgesloten om nog een keer een Lampje te schrijven.”
Annet: „Ik had mezelf inderdaad opgesloten. Maar die bewerking van Repelsteeltje werkte bevrijdend. Daarna volgden als vanzelfsprekend die zes andere verhalen. Alles wat me aan het hart ging en gaat – zusjes, vroeger, jaloezie – heb ik in die Grimm-sprookjes gegoten.”
Daan: „Ideeën groeien op ideeën, dat is ook mijn ervaring. Het Doolwoud bijvoorbeeld ontstond toen ik Flin opeens had gefantaseerd: een jongetje, een flintertje dat los was geraakt van het grotere geheel. Dat gaf ik vorm door hem door twee arenden in een sprookjesbos groot te laten brengen, waarna hij zijn weg terug naar de mensenwereld moet vinden. Vanuit zo’n gegeven stuit ik dan op allerlei vondsten. Er wordt als het ware een snaar geraakt waarmee je onderbewuste geopend wordt. Zo dook ook Mono de tweekoppige dwerg al snel in het verhaal op. En Juniper de eenhoorn, aan wie ik vervolgens zo verslingerd raakte dat ik na de boeken over Flin, prinses Nola en kleine Fons alleen nog maar over hem wilde schrijven.”
Annet: „Het is betoverend, zoals ideeën op ideeën en verhalen op verhalen groeien. Eigenlijk dienen die ouderwetse sprookjes en sprookjesfiguren als het canvas waarop je iets kunt verven, waarop je een eigen nieuwe verhaalwereld kunt scheppen en personages tot leven kunt wekken. Krekel is min of meer ook zo ontstaan. Na Lampje dacht ik eerst: dat is klaar. Ik wist al wel dat ik een boek wilde schrijven vanuit De wilde zwanen. Want ik vond dat een mooi sprookje en had dat lang geleden al eens bewerkt als theatervoorstelling. Maar het moest dit keer wel een hedendaags verhaal worden. Dat lukte dus niet. En toen dook juffrouw Amalia uit Lampje ineens weer op en dacht ik: oh ja, en dan zus en zo, waarna ik van mezelf weer mocht terugkeren naar de sprookjeswereld van Lampje. Of lezers zich voldoende kunnen herkennen in zo’n sprookjesavontuur? Daar denk ik niet over na. Als de taal en het verhaal overtuigen ga je vanzelf mee met de hoofdpersoon, en dan wil je niets liever dan ontdekken wat het leven in die andere wereld te bieden heeft, de verrukkingen en de verschrikkingen.”
Daan: „Dat gedoe tegenwoordig dat iedereen zich maar in de personages moet kunnen herkennen. Inclusie, diversiteit – het is allemaal heel belangrijk hoor, dat ontkent niemand. Maar uiteindelijk is het enige wat echt telt dat een boek goed geschreven moet zijn. Ieder woord moet raak zijn. Daarnaast mogen je personages geen bordkartonnen karakters zijn. Je moet ze dubbelzinnige of tegenstrijdige dingen laten zeggen, zodat de lezer voelt dat ze twijfelen of een zwakheid hebben – ook de slechteriken.”
Annet: „Je moet je ze bovendien niet willen ijken aan de werkelijkheid. Als een kat kan praten, hoef je dat niet uit te leggen. De vraag waarom die kat dat kan, is niet interessant. Binnen de verhaalwerkelijkheid is het een gegeven, een stilzwijgende afspraak die je met je lezers hebt gemaakt. En de plot moet natuurlijk kloppen: de gebeurtenissen moeten coherent zijn, de afloop mag niet zomaar uit de lucht komen vallen.”
Daan: „Sprookjes moeten een aanmoediging zijn om de fantasie te gebruiken, om voorbij de werkelijkheid te kijken. Als dat je lukt, dan heb je een rijker leven dan wanneer je alleen maar de regels volgt, welke regels dan ook.”
Annet: „Juffrouw Amalia is zo iemand. Aanvankelijk is de wereld van Krekel een wereld waarin dingen gebeuren die volgens haar helemaal niet kunnen, waarin ze volstrekt niet gelooft. Maar langzaam, heel langzaam – eigenlijk door de liefde – ontdekt ze dat er zich toch een andere werkelijkheid achter haar werkelijkheid schuilhoudt.”
Daan: „Kunnen geloven in het leven achter de dingen, precies dat is de kracht van sprookjes.”
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC