‘Boos links’ – terroristische actiegroepen die strijden tegen de staat – is in de VS al decennia een dankbaar onderwerp voor filmmakers. Zo gek is het dus niet dat One Battle after Another zo griezelig actueel is: alle ingrediënten waren er al. Een duik in de filmgeschiedenis.
schrijft voor de Volkskrant over film, non-fictie, thrillers, muziek en graphic novels.
Ape-stoned tuurt de uitgerangeerde would-berevolutionair en bommenmaker Bob Ferguson (Leonardo DiCaprio) op zijn schuiladres naar het televisiescherm. Na zestien jaar in de onderduik waant hij zich onbespied, maar zo dadelijk zal dan toch de gevreesde klop op de deur klinken. In zijn verschoten kamerjas slaat hij vervolgens op de vlucht. Het effect is vrij hilarisch, vooral als hij niet meer op het wachtwoord van zijn oude kameraden kan komen als hij ze in paniek om hulp belt. Te veel geblowd.
De film die Bob nu nog bekijkt – waarschijnlijk voor de honderdste keer – is La battaglia di Algeri, internationaal bekend als The Battle of Algiers (1966). Het werkstuk van Gillo Pontecorvo handelt over de Algerijnse opstand tegen de Franse kolonisator, en geldt als schoolvoorbeeld van hoe je een spannende, maar toch genuanceerde politieke thriller kunt maken. Sterker: zowel verzetsorganisaties als de Black Panthers en de PLO , én hun tegenvoeters bij de FBI en het Pentagon gebruikten de film als lesmateriaal.
Mooi dat scenarist en regisseur Paul Thomas Anderson in One Battle after Another een saluut brengt aan zijn verre voorganger overzee. Terecht ook, want lang voordat Amerikaanse regisseurs als Oliver Stone en Sidney Lumet ermee aan de haal gingen, was de politieke thriller eerst en vooral een Europees genre.
Dan valt, naast die van Pontecorvo, al snel de naam Costa-Gavras (1933), Griek van geboorte, maar werkzaam vanuit Parijs. Hij geldt als de peetvader van de Europese politieke film, als een soort eenmansguerrilla. Zijn zo dynamisch gedraaide thriller Z (1969), een reconstructie van de moord op een populaire linkse politicus, was een aanklacht tegen het Griekse kolonelsregime, en zette Konstantinos Gavras – afgekort tot Costa-Gavras – als regisseur op de kaart. Z werd in Griekenland verboden, maar won wel prompt de Juryprijs in Cannes, plus een Oscar voor beste buitenlandse film.
The New York Times concludeerde destijds: ‘In het mijnenveld dat de politieke film heet, springt er één naam uit: Costa-Gavras. Eigenhandig maakt hij dit doorgaans zo sektarische genre toegankelijk voor een breed publiek.’
Waar de zo politiek geladen film vandaan kwam, is wel duidelijk. Europa, worstelde al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog met dictators als generaal Franco en Oliveira Salazar, en vlak de ijzeren vuisten van achter het IJzeren Gordijn ook niet uit. Daar kwamen de Griekse kolonels nog eens bij, en vanaf 1970 linkse terreurorganisaties als de Brigate Rosse en de Rote Armee Fraktion.
Stof genoeg.
In de VS moesten eerst de oorlog in Vietnam en de strijd voor zwarte burgerrechten tot een kookpunt komen, voordat het genre van de politieke thriller daar tot wasdom kwam.
Hoe die maatschappelijke ontwikkelingen precies verliepen, kun je teruglezen in het standaardwerk Days of Rage (2015) van de Amerikaanse journalist Bryan Burrough. Naast de avonturen van lang vergeten groeperingen als Black Liberation Army, Symbionese Liberation Army of het United Freedom Front, wordt vooral de opkomst en ondergang beschreven van de club die zich The Weatherman, of ook wel Weather Underground, doopte. Vernoemd naar een zin uit het liedje Subterranean Homesick Blues van Bob Dylan: ‘Je hoeft geen weerman te zijn om te weten hoe de wind waait.’
Wie waren deze zelfverklaarde vrijheidsstrijders? Ze waren antikapitalistisch, antimilitaristisch, anti-Washington, anti-alles eigenlijk, en gewelddadig bovendien. De leden kwamen uit witte gezinnen van gegoede komaf. Ze studeerden aan de universiteit, kenden hun Che en Marx en Ho Chi Minh, bewogen zich in studentenvakbonden als de SDS (Students for a Democratic Society), en toen demonstreren tegen de oorlog in Vietnam en de achtergestelde positie van zwarten niet hielp, werd dit nieuwe links ‘boos links’. En uiteindelijk kwamen daar ook Amerikaanse films van, met One Battle after Another als recentste voorbeeld.
Sinds die in september vorig jaar in roulatie ging is er de nodige discussie over. Hoe dicht zit regisseur Paul Thomas Anderson op de huid van de tijd? En hoe kan dat bij een film van 150 miljoen dollar die jaren aan voorbereiding vraagt?
Ja, het is waar: zou je de film nu in, zeg, een bioscoop in Minneapolis zien, dan loopt-ie buiten op straat gewoon door. Een briesende president, keiharde immigratiepolitie in de straten, burgerprotest, oorlogssfeer, er vallen doden, krankzinnig allemaal. In die zin valt One Battle precies samen met de tijdgeest, zoals wel vaker met goede kunst.
Ik zou Paul Thomas Anderson zijn hypergevoelige antenne niet willen ontzeggen, maar deels is de timing ook toeval. Hij liep al met dit plan rond sinds 1990, toen Thomas Pynchons roman Vineland verscheen, die gaat over de laatste jaren van het Reagan-tijdperk.
Regisseur en scenarist Anderson zag er een spectaculaire genrefilm in, met een stevige scheut zwarte humor, maar liep daar jaren over te tobben: hoe dan? Hij kwam uit op bommenbouwer en antiheld Bob Ferguson en de laatste resten van zijn fictieve verzetsgroep French 75. Hij strijdt tegen de autoriteiten, geleid door de corrupte officier kolonel Steven J. Lockjaw (een angstaanjagende glansrol van Sean Penn). Ook wilde hij per se een bloedstollende auto-achtervolging in de woestijn, en grofkorrelig jarenzeventigcamerawerk à la The French Connection.
Tussen dit alles door loopt de moeizame relatie van Bob met zijn tienerdochter Willa (sterk gespeeld door debutant Chase Infiniti). Schuldbewust zie je Bob meermalen denken: wat heb ik haar aangedaan met mijn verzetswerk? Het is het eigenlijke thema van de film, of toch in ieder geval een van de belangrijkste.
De casting begon in juni 2023, de eerste opnamen werden in januari 2024 gedraaid (toen Joe Biden nog president was). Alleen al door zijn oog voor detail kun je er wel van uitgaan dat Anderson dat standaardwerk Days of Rage uitputtend heeft bestudeerd. Hetzelfde geldt voor de genrefilms die al eerder over politiek activisme werden gemaakt: The Battle of Algiers en Z, alsook een stapel Amerikaanse producties waaraan One Battle after Another schatplichtig is. Alles in de mix gegooid, en nu heeft hij de film van het jaar, nog eens geholpen door die bizarre kanteling van het politieke klimaat in het tijdperk-Trump.
Je hoeft dus écht geen weerman te zijn om te weten hoe de wind waait.
Dit zijn de belangrijkste voorgangers van One Battle after Another:
Running on Empty van Sidney Lumet (1988). Twee Oscarnominaties.
Deze film van de Amerikaanse regisseur Sidney Lumet wordt – naast de roman Vineland van Thomas Pynchon – vaak genoemd als dé inspiratiebron voor One Battle after Another. Het verhaal is losjes gebaseerd op de lotgevallen van Bernardine Dohrn en Bill Ayers, de oorspronkelijke leiders van de Weather Underground.
In Running on Empty volgen we Annie (Christine Lahti) en Arthur Pope (Judd Hirsch) met hun twee zoontjes, die onder een valse identiteit en door steeds maar weer te verhuizen al twintig jaar uit handen van de FBI blijven. In 1971 hebben ze een bomaanslag gepleegd op een napalmlaboratorium waarbij een conciërge – die daar niet werd verwacht – zijn gezichtsvermogen verloor.
Langzaamaan daalt bij de ouders het besef in dat dit geen leven is voor die jongens, inmiddels tieners. Altijd op de vlucht, terwijl zij geen aandeel hebben in dat activistische verleden. Danny (de een paar jaar later betreurde acteur River Phoenix) mag als eerste, hij gaat piano studeren aan de deftige Juilliard School of Music in New York.
Licht tegensputterend wordt hij op zijn fiets gezet. Ze geven hem nog een paar laatste woorden mee. ‘Ga nu maar. Je opa weet ervan, hij zal voor je zorgen. Probeer het verschil te maken, zoals je moeder en ik dat hebben geprobeerd. En laat je niet wijsmaken dat het niet zo was.’ En dan stuiven ze in hun gebutste pick-uptruck weer weg. Getroebleerde ouders en dito kind, net als bij Bob en Willa.
How to Blow Up a Pipeline van Daniel Goldhaber (2022)
Hoe maak je eigenlijk een bom? Bob Ferguson zit daar eindeloos mee te pielen, en hij kijkt daar heel link bij. In How to Blow Up a Pipeline krijgt de kijker bijna een spoedcursus. Draadje hier, draadje daar, veel ammoniumnitraat (kunstmeststof), timer, ontsteker en: bammm! Toch gaat het nog regelmatig mis bij het clubje, dat je mag omschrijven als een regenboogcoalitie van twintigers, studenten nog.
Allemaal hebben ze hetzelfde manifest gelezen: How to Blow Up a Pipeline: Learning to Fight in a World on Fire van de Zweedse klimaatactivist Andreas Malm uit 2021. Daarin wordt gesteld dat sabotage een legitiem wapen is in de strijd tegen de fossiele industrie. Het mikpunt van hun eerste aanslag is een oliepijpleiding in West-Texas.
‘Als de Amerikaanse regering ons straks terroristen noemt, dan doen we iets goed.’ Zulke teksten geven deze ecothriller net een tikkeltje te veel pamflettisme mee, waar One Battle toch ook grossiert in zelfspot.
Night Moves van Kelly Reichardt (2013).
Nóg een ecothriller, maar dan wat minder agitprop. Om een natuurgebied in Oregon te beschermen, besluiten drie snel geradicaliseerde activisten – Josh, Dena en Harmon – om ’s nachts een dam op te blazen. Het verloopt op rolletjes, ze zullen elkaar nooit meer bellen of zien, dit was hun bijdrage, en ze zijn er trots op.
Niet veel later komt het nieuws naar buiten dat bij de overstroming een kampeerder is omgekomen. Dit kun je geen nevenschade noemen. Tegen alle afspraken in belt Harnon (Peter Sarsgaard) met Josh (Jesse Eisenberg) en hij vertelt de vrees te hebben dat Dena (Dakota Fanning) onder haar schuldgevoel zal bezwijken. Ze kon weleens naar de politie gaan.
Onderlinge onmin, je komt dat bij de French 75 ook tegen. Hier wordt het – heel knap – een thriller in een thriller. De suspense draait 180 graden als John aan Harnon belooft om Dena te bezoeken. Weliswaar heeft zij de hele operatie met de creditcard van haar rijke papa betaald, hardliner Josh vertrouwt de zachte Dena niet. Straks slaat ze door, en gaat ze voor strafvermindering in het getuigenbeschermingsprogramma van justitie. Dit kan niet goed aflopen.
The Company You Keep van Robert Redford (2012).
De kijker zal de ironie niet zijn ontgaan. Zoals de jonge honden Dustin Hoffman en Robert Redford in All the President’s Men (1976) achter president Nixon en Watergate aangingen, zo richt de overijverige onderzoeksjournalist Ben Shepard (Shia LaBeouf) zijn pijlen op advocaat Jim Grant, gespeeld door Redford.
De verslaggever van de onbeduidende Albany Sun-Times denkt landelijk te kunnen scoren met het verhaal dat Jim Grant (schuilnaam voor activist Nick Sloan) als lid van de Weather Underground (hij ook al) betrokken was bij een bankoverval in Michigan waarbij een bewaker om het leven kwam. Dat is in dit specifieke geval niet waar, hij was er een keer niet bij, maar om zijn onschuld te kunnen bewijzen moeten Grants voormalige kompanen zijn verhaal publiekelijk willen bevestigen.
Groot probleem: als hij ze al kan vinden hebben die daar helemaal geen trek in, want daarmee zouden ze hun eigen nieuwe identiteit prijsgeven. Goed gemaakte oldskool paranoiafilm – en paranoia is natuurlijk ook een sleutelwoord in One Battle after Another.
Nixon van Oliver Stone (1995). Vier Oscarnominaties.
In politieke thrillers is het een vast gegeven dat je opeens onbedoeld oog in oog met de vijand komt te staan. In One Battle after Another is dat Perfidia, die door kolonel Lockjaw wordt betrapt als ze een bom plaatst. Hij laat haar gaan als ze belooft later seks met hem te hebben.
Oliver Stone houdt wel van dit soort botsingen. Geïnspireerd door zijn grote voorbeeld Costa-Gavras (ook van Missing; 1982) besloot hij ook politieke thrillers te gaan maken. Zo wilde hij met JFK (1991) een ‘tegenmythe’ creëren bij de officiële lezing van de moord op Kennedy. En in 1995 waagde hij zich aan een biografisch portret van de gevallen president Richard Nixon. Hoewel hoofdrolspeler Anthony Hopkins niet voor iedereen het toonbeeld was van een door en door Amerikaanse politicus (‘té Brits voor het Witte Huis’), bevat de film een aantal memorabele scènes.
Die van de botsing is de beste.
In de nacht van 9 mei 1970 kan Nixon de slaap maar niet vatten. Hij besluit op eigen houtje, dus zonder beveiliging, naar het Lincoln-monument ten zuiden van het Witte Huis te lopen. Daar verzamelen zich iedere dag bij zonsopgang demonstranten tegen de oorlog in Vietnam. Een Babylonische spraakverwarring is de uitkomst van deze hoogst curieuze ontmoeting.
Nixon: ‘Hi, ik ben Dick Nixon. Waar kom jij vandaan?’
Demonstrant: ‘Syracuse.’
Nixon: ‘O, daar hebben ze een geweldig American football...’
Demonstrant 2: ‘We zijn hier niet gekomen om over football…’
Nixon: ‘Hoe oud ben jij, jongedame?’
Zij: ‘19.’
Nixon: ‘Oké. De meeste jongelui zullen mij wel een SOB (son-of-a-bitch, klootzak, red.) vinden, ik besef dat. Ik voel jullie pijn, maar weet je: ik wil ook vrede, maar wel een eervolle vrede.’
Zo gaat het verder, en nooit zullen ze het eens worden. Nog gekker wordt het als je weet dat dit niet uit de koker van Oliver Stone komt: deze ontmoeting heeft in werkelijkheid plaatsgegrepen.
Judas and the Black Messiah van Shaka King (2021). Zes Oscarnominaties.
De nachtmerrie van iedere tegenbeweging: een infiltrant. Het gebeurt in Judas and the Black Messiah en de uitkomst is verschrikkelijk. J. Edgar Hoover, de onaantastbare baas van de FBI, heeft het niet zo op de Black Panthers, en al helemaal niet op de 20-jarige Fred Hampton. De rijzende ster van de afdeling Chicago haalt in zijn bevlogen speeches, eind jaren zestig, Martin Luther King, Malcolm X, en Muhammad Ali aan, en voor zijn toehoorders krijgt hij al snel Messiaanse proporties.
Dat moet stoppen, besluit Hoover, en een infiltrant wordt gevonden in de 19-jarige kruimeldief Bill O’Neal. Hij is net gepakt voor autodiefstal en krijgt de keus: ‘Zes jaar cel of rijkelijk beloond worden?’
Na lang aarzelen stemt hij in, en weet het zelfs tot chef beveiliging van de Black Panthers te schoppen. Hij speelt zijn nieuwtjes door aan zijn contactpersoon bij de FBI, maar O’Neal krijgt steeds meer wroeging. Hij is het eigenlijk wel eens met het gedachtegoed van de charismatische Fred Hampton.
Dat loopt in de smiezen, en om zijn loyaliteit te testen krijgt hij van de FBI de opdracht om Hampton te drogeren. Die nacht, op 4 december 1969, valt de politie het appartement binnen, en wordt Hampton in zijn slaap geliquideerd.
Heftige materie, niet als geschiedenisles geserveerd, maar als historische thriller met slechte afloop. Daniel Kaluuya kreeg voor zijn rol van Hampton een Oscar. De échte O’Neil, in de film gespeeld door LaKeith Stanfield, pleegde na nieuwe onthullingen over zijn aandeel in 1990 suïcide.
Civil War van Alex Garland (2024).
Als je genoemde films achter elkaar nog eens bekijkt, kan de conclusie wel luiden dat ze in toon en timbre, thematiek, muziek en kleding de tijdgeest allemaal aardig hebben weten te vangen, een paar historische verdichtingen daargelaten. Wel is het meestal achteraf, dat reconstrueert wat makkelijker, en deels geldt dat toch ook voor de door de jaren zeventig geïnspireerde film One Battle.
Eén film is een uitzondering. Als laatste moet het dystopische Civil War wel worden genoemd, gezien de actuele politieke situatie in de VS.
Het is een genre op zich: het ‘wat als?’-scenario, speculatieve fictie. In Civil War is in de VS een burgeroorlog uitgebroken, met ontspoorde milities, scherpschutters, liquidaties, massagraven en alles. Wie tegen wie is allang niet meer duidelijk. Een groepje journalisten rijdt kriskras door de VS om de toestand in kaart te brengen. Voorheen kenden we zulke beelden alleen van die lange reeks aan oorlogsfilms over Vietnam, maar nu bevinden we ons op Amerikaans grondgebied. In de grote steden en op het platteland. Een angstaanjagende ervaring, visueel en rationeel gesproken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant