Wisselkoersen Sinds president Trump begin vorig jaar terugkeerde in het Witte Huis is de dollar aan een glijvlucht bezig. Dat lijkt goed nieuws voor Europa, maar schijn bedriegt. Vier vragen over een wereldmunt.
Beeldschermen bij wisselkantoor Gaitame.com in Tokio tonen de koers van de Japanse yen tegenover de Amerikaanse dollar.
„Wij geven geen commentaar op de dollar.” Met dit simpele en heldere antwoord reageerde de baas van de Amerikaanse centrale bank, Fed-voorzitter Jerome Powell, woensdagavond op een vraag over de gestaag verzwakkende munt. „De koers van de dollar is de taak van de regering en meer specifiek die van de minister van Financiën”, zei Powell. „Wij gaan over het monetaire beleid.”
Dat Powell een vraag kreeg over de dollar is niet vreemd: sinds het aantreden van president Trump een jaar terug is de waarde van de Amerikaanse munt ruim 15 procent gedaald ten opzichte van belangrijke andere valuta. Dat heeft grote gevolgen voor Amerika zelf, en voor zijn handelspartners. En via de handel en de wisselkoersen heeft de dollarkoers ook invloed op de inflatie in de Verenigde Staten.
Trump liet dinsdagavond juist weten dat hij zich geen zorgen maakte over de koers van de dollar. Hij noemde het zelfs „geweldig” dat die zo laag staat. Die opmerkingen deden de munt verder dalen, zodanig dat minister van Financiën Scott Bessent een dag later moest ingrijpen. De VS streven „altijd een sterke dollar” na, zei hij. Waarop de koers wat herstelde.
De belangrijkste oorzaak die op de financiële markten wordt genoemd, is toenemende onzekerheid over het Amerikaanse economische en monetaire beleid. Mondiale onzekerheid leidt doorgaans tot een vlucht van beleggers in de Amerikaanse munt. Maar onder Trump kwam het al meermaals voor dat er juist een vlucht ontstond úít de dollar.
Dat is nauwelijks verwonderlijk, omdat de oorzaak van alle nervositeit nu de Verenigde Staten zélf zijn. De prijs van goud, een alternatieve vluchtheuvel, bedroeg tijdens Trumps eerste termijn gemiddeld 1.300 dollar per troy ounce (31,1 gram) en liep onder president Biden vervolgens op tot 1.800 dollar. Sinds Trump opnieuw aan de macht is, heeft de prijs een hoogterecord bereikt. Deze week kwam de prijs op ruim 5.200 dollar.
Zwitserland, nóg zo’n alternatief, zag zijn franc in een jaar tijd stijgen met meer dan 20 procent ten opzichte van de dollar. Het land hanteert nu noodgedwongen een rente van 0 procent om de franc zo onaantrekkelijk mogelijk te maken.
Een andere oorzaak van de dollardaling betreft het Amerikaanse monetaire beleid. In de VS is de inflatie hoog, en dat kan de waarde van de munt drukken, anders dan in landen of gebieden met een lagere inflatie, zoals de eurozone.
Die neerwaartse druk wordt doorgaans geneutraliseerd met een relatief hoge rente, die de munt aantrekkelijker maakt. Maar de voortdurende pressie van het Witte Huis op de centrale bank om de rente juist te verlagen, maakt beleggers extra nerveus. Een te lage rente maakt de dollar onaantrekkelijk én kan leiden tot een inflatie die hoog blijft of zelfs stijgt. Dat holt de dollar extra uit.
Gezien het niveau van de dollar is er geen reden tot paniek. De munt is nu hetzelfde waard als toen de euro begon, eind 1998. Door de tijd heen heeft de dollar diepere dalen gekend. Het gaat de autoriteiten, met name de centrale banken, meer om de snélheid van een stijging of daling dan om de koers zelf. Want als een munt te snel stijgt of daalt, kunnen banken, beleggers, beleidsmakers en vooral bedrijven zich lastiger aanpassen aan de nieuwe verhoudingen. Daalt de dollar vanaf nu verder en sneller, dan zijn er dus redenen tot zorg.
De terminologie rondom valutakoersen wekt niet zelden verwarring. Want een ‘zwakkere’ dollar, dat klinkt nadelig voor de Amerikanen. Vanuit Europees perspectief zou je dan kunnen denken: hun verdiende loon, met al die handelsoorlogen. Maar wisselkoersen hebben meer effecten.
Als de dollar laag staat, wil dat zeggen dat Europese invoer van Amerikaanse goederen goedkoper is geworden. Een euro is immers meer dollars waard, en dus ook meer Amerikaanse goederen.
Amerikaanse bedrijven die hun spullen in Europa willen slijten, zien hun positie tegenover Europese concurrenten door de lagere dollar verbeteren. Omgekeerd wordt Europese export naar de VS duurder, en dus onaantrekkelijker. Per saldo zal het Amerikaanse handelstekort met Europa hierdoor afnemen.
Er is een keerzijde: de Amerikaanse import. De VS zijn afhankelijk van heel veel invoer – ze consumeren meer dan ze maken – en dat is niet snel anders te organiseren. De zwakke dollar maakt import relatief duur en dat jaagt de inflatie óók op. En die is al best hoog, mede door de importheffingen van Trump. Loopt de inflatie nog verder op, dan moet de Fed via een renteverhoging op de rem trappen. Zo gaat Jerome Powell indirect wel degelijk over de dollar.
De tweeslachtige reactie van de Amerikaanse overheid op de ontwikkeling van de dollarkoers maakt vooruitzien moeilijk. Trump wil een zwakke dollar, Bessent een sterke. Trump ziet een zwakke dollar als dé manier om de handelstekorten met de rest van de wereld – voor hem reden afgelopen april zijn handelsoorlog te beginnen – te verminderen. Verzwakking van de dollar maakt ook deel uit van Trumps huidige economische blauwdruk. In woord en daad heeft hij in zijn tweede termijn geprobeerd de positie van de munt te ondermijnen, met redelijk ‘succes’.
Maar als de dollar verder wegzakt, kan de centrale bank niet anders dan de rente gelijk houden of zelfs verhogen. Zo zal Trump moeten kiezen tussen zijn twee stokpaardjes: een lagere dollar óf een lagere rente. Gedwongen door de financiële markten, de enige factor die machtiger is dan hij – nog wel.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC