Euthanasie is geen recht dat je even kunt ophalen, zoals Danka Stuijver schreef. Maar waarom hebben we artsen in Nederland gemaakt tot loket, scheidsrechter, uitvoerder én risicodrager van euthanasie, terwijl het om zelfbeschikking gaat? Het kan namelijk ook anders.
‘Euthanasie is geen recht, geen service en geen vanzelfsprekendheid’, schreef huisarts Danka Stuijver in haar column van 19 januari. Ik las haar stuk met herkenning én met zorg. Zij beschrijft precies wat er in spreekkamers en aan balies gebeurt: het sterven ‘duurt te lang’ omdat de begrafenis al is gepland, familie vrij heeft genomen en er een vakantie nadert. En de patiënt of familie die, soms scherp en eisend, zegt: nú euthanasie. Stuijver heeft gelijk dat euthanasie geen consumentenproduct is. Het is geen recht dat je even komt ophalen, geen service die je ‘regelt’ met één telefoontje. Het is een ingrijpende, uitzonderlijke handeling die vraagt om tijd, gesprekken, nuance en zorgvuldig handelen.
Maar waar Stuijver vooral de maatschappelijke verwachtingen wil begrenzen, zou ik de vraag willen omdraaien: waarom leggen we die verwachtingen überhaupt zó zwaar bij één beroepsgroep?
Hans Peltenburg is initiatiefnemer van stervensbuddy’s en oprichter van Stichting Steungroep Dappere Burgers.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
In Nederland hebben we euthanasie volledig bij de arts geparkeerd. Daarmee hebben we artsen tot poortwachter gemaakt van een fundamentele vorm van zelfbeschikking: het recht om zelf te beslissen over je eigen levenseinde. En precies daar ontstaat de spanning. Niet omdat mensen per definitie onredelijk zijn, maar omdat het systeem burgers richting één deur duwt: die van de huisarts. Dat maakt de huisarts onbedoeld tot loket, scheidsrechter, uitvoerder én risicodrager tegelijk.
Wie wil begrijpen hoe het anders kan, moet naar Zwitserland kijken. Daar is hulp bij zelfdoding al sinds 1942 mogelijk, zolang het niet uit zelfzuchtige motieven gebeurt. De wet trekt de grens bij misbruik: winstbejag, druk, eigenbelang. Dat is een principieel verschil met Nederland, waar de kernvraag in de praktijk vaak wordt: ‘Durft de arts het aan?’ In Zwitserland ligt de kernvraag waar hij hoort: ‘Is de beslissing van deze burger vrij, weloverwogen en duurzaam, en vindt de begeleiding plaats op altruïstische gronden?’
Zwitserland heeft bovendien iets gedaan wat Nederland niet heeft gedurfd: het proces organisatorisch uit de huisartspraktijk gehaald. Zwitsers kunnen lid worden van organisaties die begeleiding bij zelfdoding op altruïstische gronden organiseren; voor grofweg rond de vijftig frank (54 euro) per jaar ben je een lid van een organisatie die informatie geeft en ook een zorgvuldige route biedt.
Deze organisaties doen dit als sinds 1942 en bieden triage, vaste stappen, documentatie en gesprekspartners voor naasten. En zij werken met geschoolde vrijwilligers. Dat kán. Begeleiden bij sterven is daar géén medisch exclusief ambacht. Het systeem in Zwitserland voorkomt dat de balie van de huisarts een frontlinie wordt in een maatschappelijk conflict over maakbaarheid, angst en controle.
En ja: in Zwitserland neemt de burger zelf het middel in. Dat is de essentie van zelfeuthanasie. Het is geen ‘doktersdaad’, maar een daad van de burger, begeleid door anderen. Dat maakt een wereld van verschil in beleving en verantwoordelijkheid. Artsen zijn daar nauwelijks nog betrokken bij de uitvoering van de zelfdoding, omdat het ‘maakbare overlijden’ in handen ligt van de burger zelf moet liggen. De arts wordt vooral betrokken waar medische duiding, veiligheid of verslaglegging noodzakelijk is, niet als morele poortwachter.
Natuurlijk blijven er situaties waarin een arts technisch-medisch onmisbaar is. Denk aan mensen bij wie een infuus noodzakelijk is omdat inname van een drankje met het euthanaticum niet (meer) kan, waarbij de patiënt desnoods met een teen of met de mond zelf de knop indrukt voor de toediening. Dan is de arts onvermijdelijk betrokken. Maar ook dan hoort de rol van de arts anders te zijn: een medische service, na een zorgvuldig besluitvormingsproces dat niet op haar of zijn schouders rust. De arts levert een medische handeling, niet het maatschappelijke mandaat voor iemands levenseinde. Dat is de cruciale verschuiving: de burger beslist, de samenleving borgt, de arts ondersteunt wanneer dat noodzakelijk is.
Stuijver benoemt terecht de lastige categorieën: dementie, psychisch lijden, en wilsverklaringen die worden gezien als een soort tegoedbon. Dat zijn precies de dossiers waar ‘alles via de huisarts’ vastloopt. Een gespecialiseerd, onafhankelijk traject kan strakker triëren en betere waarborgen bouwen: meerdere gesprekken, onafhankelijke beoordeling, heldere verslaglegging, expliciete controlemomenten, en ruimte om ‘nee’ te zeggen zonder dat het meteen de behandelrelatie vergiftigt. Het haalt ook een deel van de emotionele druk uit de spreekkamer. Niet omdat het lijden minder is, maar omdat het systeem niet langer uitnodigt tot een botsing tussen ‘ik eis’ en ‘jij moet’.
Wat moeten we in Nederland doen? Organiseer een wettelijk erkend traject voor zelfbeschikking. Met criteria voor vrijwilligheid, wilsbekwaamheid, consistentie en onafhankelijkheid. Met onafhankelijke organisaties onder publiek toezicht, inclusief klachtenroutes, transparante rapportage en periodieke audits. En met geschoolde vrijwilligers die nabijheid bieden, grenzen bewaken en naasten ondersteunen en het sterven begeleiden. En handhaaf de rol van de arts bij de ‘lastige categorieën’.
Stuijver heeft gelijk: euthanasie is inderdaad geen bestelling. Maar als we blijven doen alsof de huisarts het logische loket is voor autonomie, blijven we druk creëren en conflicten oproepen. Haal euthanasie weg bij de arts als primaire drager. Organiseer zelfeuthanasie zorgvuldig, toetsbaar en menselijk. Geef de regie terug aan de burger, zoals Zwitserland dat in de kern al 83 jaar laat zien. En laat artsen weer arts zijn.
In haar column verkent Danka Stuijver de spanningen die kunnen ontstaan wanneer patiënten euthanasie benaderen als een afdwingbare aanspraak. Die spanning is herkenbaar voor veel artsen en vraagt om begrenzing. Haar column laat fraai zien waar het kan schuren in de dagelijkse praktijk. Tegelijk roept haar woordkeuze (euthanasie als ‘gunst’) vragen op over hoe we deze zorgvuldige en beladen praktijk duiden.
Euthanasie is juridisch inderdaad geen afdwingbaar subjectief recht. Maar het recht op zorgvuldige begeleiding, deskundig advies en een serieuze beoordeling van een euthanasieverzoek is wél stevig verankerd in wet en jurisprudentie. In mijn ervaring als voormalig huisarts en SCEN-arts is euthanasie nooit ‘u vraagt, wij draaien’, maar een intensief proces waarin lijden, alternatieven en wilsbekwaamheid zorgvuldig worden gewogen.
Wanneer aan alle zorgvuldigheidscriteria is voldaan, voelt euthanasie voor mij niet als een gunst, maar als een uiterste vorm van professionele en menselijke zorg. Zorgvuldige begrenzing van het proces en respectvolle relatie tussen patiënt en arts zijn daarbij essentiële fundamenten. De opmerking van Stuijver dat steeds minder artsen euthanasie zouden willen uitvoeren, wordt niet gestaagd door cijfers van de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie. Die laten juist zien dat er de afgelopen jaren juist sprake is van een toename van het aantal meldingen.
Een beroep op een ‘recht’ kan onrealistische verwachtingen oproepen. Maar spreken over een ‘gunst’ draagt het risico van een ongelijkwaardige, bijna paternalistische verhouding. Euthanasie vraagt geen onderhandeling tussen machtsposities, maar een respectvolle en zorgvuldige dialoog tussen patiënt en arts, waarin professionele verantwoordelijkheid en autonomie elkaar ontmoeten.
Marten Japenga, onderzoeker medische antropologie en SCEN-arts
Een ontluisterende column van huisarts Danka Stuijver onlangs in de Volkskrant. Niet vanwege de extreme voorbeelden die zij noemt, die zijn natuurlijk te gek voor woorden. Maar omdat dit blijkbaar haar beeld is van mensen die euthanasie vragen voor hun stervende naasten die uitzichtloos lijden.
Vervolgens stelt Stuijver dat gevallen waarin wel sprake is van een zorgvuldig en lang en kwetsbaar proces – waarbij uitzichtloos en ondraaglijk lijden herhaaldelijk is vastgesteld en notariële akten en wilsverklaringen met euthanasiewens voor handen zijn – eveneens geen soelaas bieden. Zo spreekt zij over ‘een waardebon’.
Er is volgens haar maar één wezenlijke kans om de wens van je dierbare in vervulling te laten gaan, en dat is middels gesprekken met je arts zodanig dat hij of zij bereid is die gunst te verlenen. En laat dat nou net een onmogelijke opgave zijn.
Toen mijn 88-jarige moeder begon te sukkelen met haar gezondheid, kreeg ze in vijf afspraken met vier verschillende, vervangende huisartsen te maken. Die elk opnieuw aangaven haar dossier niet goed te kennen en haar kwalen daarom nog even aan te willen kijken. Laat staan dat je het over euthanasie zou willen hebben. Bovendien, als jouw huisarts niet blijkt te beschikken over wat Stuijver beschrijft als ‘morele moed’, dan kun je niet zomaar van huisarts switchen.
De huisarts van vroeger, waarmee je een band opbouwde, die thuis op bezoek kwam, bestaat al lang niet meer. De huisarts van nu heeft andere bezigheden en al zijn/haar taken gedelegeerd aan een leger van assistentes, praktijkondersteuners, hulp bij dementie en wat niet meer. Van ‘gesprekken met je arts’ is al lang geen sprake meer.
Drie honden hebben we na een voltooid leven van ruim 13 jaar laten inslapen. Dat was mooi. Rustig afscheid kunnen nemen en de hond sliep comfortabel in. Dit in groot contrast met onze onlangs overleden vader die al rochelend en reutelend op 90-jarige leeftijd, halfzijdig verlamd als gevolg van een hersenbloeding, na een doodsstrijd van dagen het aardse verliet.
De artsen complimenteerden ons nog met de heldere en goed onderbouwde wilsverklaring, waaronder een euthanasieverklaring, die was opgesteld na gesprekken met de huisarts. Bovendien weigerde onze vader te eten en te drinken, om zo zijn wens voor euthanasie te onderstrepen. Artsen gaven aan dat we het heel degelijk hadden geregeld, maar desondanks bleek euthanasie niet aan de orde. We hebben een week naast hem gezeten, maar de laatste uren van zijn leven gemist. Niet omdat we op vakantie gingen, maar omdat we zijn doodsstrijd niet meer konden aanzien – ondanks dat ons werd verzekerd dat hij nergens last van had. Het stervensproces was ondraaglijk.
Dankzij de column van Danka Stuijver begrijp ik nu dat euthanasie een gunst is. Een gunst die mijn vader, ons, dan blijkbaar niet gegund werd. Ontluisterend.
E. Dielissen, Montfort
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant