Home

Wanhoop, repressie en honger zijn stille tragedie in het overstromingsgebied op Sumatra

Indonesië Modderstromen overspoelden in november grote delen van Sumatra en vaagden hele dorpen weg. Twee maanden later is de verwoesting nog overal zichtbaar. Kritiek op de gebrekkige hulpverlening vanuit Jakarta is taboe. „We waren naar de moskee gevlucht. Er was niets.”

Muhammad Nasrul met zijn vrouw Supriatni in hun door modderstromen vernielde huis in Karang Baru, Atjeh.

Mohammed Nasrul (66) probeert met een scheermesje baardharen van zijn kin te schrapen. Hij heeft geen spiegel. Zeep en water zijn schaars. Hij staat voor zijn huis tussen vernield huisraad, een met modder doordrenkte matras, gebroken servies en een kapotte ventilator. Elke dag staan hij en zijn vrouw Supriatni (53) aan de weg in de hoop dat iemand stopt en hen wat voedsel toestopt. Ze schamen zich dat ze moeten bedelen om eten.

Nasrul woont aan de hoofdweg van Tamiang, honderddertig kilometer ten noorden van de Sumatraanse miljoenenstad Medan. Op 26 november ontketenden slagregens van cycloon Senyar verwoestende modderstromen in grote delen van het eiland. Vooral op plekken waar het natuurlijke bos was gekapt, stortten metersdiepe modderstromen de hellingen af. Ook in gebieden met palmplantages kwamen de lawines –vaak met boom en al – naar beneden.

De ramp trof een gebied van ruim duizend kilometer lang. Zeker duizend mensen werden gedood. Twintig dorpen zijn van de kaart weggevaagd. Vijftig districten zijn onleefbaar. Tweehonderdduizend ontheemden wonen bij familie of bivakkeren in tenten voor hun vernietigde huis. Het nationale leger bouwde noodbruggen om de vele geïsoleerde gebieden te ontsluiten. Maar het gebied is zo uitgestrekt, dat de noodhulp lang niet iedereen bereikt. Regenbuien blijven zorgen voor nieuwe modderstromen.

Hulpverleners spreken van stille doden in een langzame tragedie. Mensen overlijden door gebrek aan medicijnen, hygiëne en eten. Hoeveel is niet bekend. Kritische stemmen over het gebrek aan hulp worden gesmoord.

Schoon drinkwater is schaars in Karang Baru, Atjeh.

Muhammad Nasrul met zijn vrouw Saifulla in hun zo goed mogelijk schoongemaakte huis.

De weg van Medan naar het Atjehse district Tamiang is gerepareerd. Het ergste puin is geruimd, maar de meeste winkels in Tamiang zijn nog steeds gesloten. Bewoners zitten aan de weg of zoeken beschutting onder een tentzeil. Het leven is tot stilstand gekomen. Er is amper overheidshulp en de mensen die NRC sprak hebben geen idee hoe het verder moet.

„De modderstroom kwam tot aan de deurpost”, vertelt Nasrul. „Auto’s stonden dagen onder water.” Het lukt hem en zijn vrouw niet om hun huis weer schoon te krijgen. De drek zit overal. In stopcontacten, in meubels. Ook de koelkast is niet meer te repareren. Net boven zijn hoofd hangen aan de muur drie bloemdecoraties. Het echtpaar organiseerde huwelijksfeesten. De plastic bloemstukken zijn de enige restanten van hun bedrijfsvoorraad. „Alles is weg. We hebben geen inkomen. Hoe moeten we overleven?” fluistert Supriatni betraand.

Verwarring over nieuwe woningen

Het echtpaar woont tegenover zestig spiksplinternieuwe woningen, in sneltreinvaart door het leger gebouwd, nadat de Indonesische president Prabowo op Nieuwjaarsdag als reactie op protesten vanwege te schaarse hulp een bezoek aan Tamiang bracht. Hij beloofde een daadkrachtige wederopbouw. Maar er is vooral verwarring. De nieuwe wijk is nog onbewoond. Het terrein oogt verlaten. „De woningen zijn niet voor ons”, zegt Supriatni. „Onze muren staan nog overeind, zeiden ze.”

Buurvrouw Fenti Mavika (37) is sinds drie dagen met haar man, vader, zus en drie kinderen terug in haar woning. Op de geschrobde vloertegels van de woonkamer ligt een kleed. Op het terras heeft ze plastic stoelen gezet. Ze werkt als vroedvrouw voor de lokale kliniek. „We zijn nog niet open. Alles is weg. De computer. We zijn alle gegevens kwijt. Alle medicijnen, instrumenten. We zijn nog steeds aan het schoonmaken.”

Ook zelf is ze nog niet de oude. Vier dagen na de ramp voelde haar moeder (59) zich niet lekker. „We waren naar de moskee gevlucht. Er was niets. We hadden zo’n honger. We hebben na vier dagen ingebroken in de supermarkt.”

Fenti Mavika schikt haar hijab in haar huis in Manyak Payet.

Fenti Mavika toont een foto van haar moeder die overleed doordat hulp niet snel genoeg het getroffen gebied in Manyak Payet (Atjeh) kon bereiken.

Haar moeder verzwakte snel. „Ze had hartproblemen en raakte in ademnood. En het was koud. Ze had zuurstof nodig, maar dat was er niet.” Mavika’s moeder overleed diezelfde dag. Pas na dertien dagen kwam er hulp. Voor Mavika lag in die dagen leven en dood dicht bij elkaar. „Tijdens onze vlucht zagen we midden op de weg een vrouw in barensnood.” Mavika heeft de baby op doeken op een droog stuk van de weg ter wereld gebracht. Ze worstelt met haar emoties. „De baby heb ik kunnen redden, maar mijn moeder niet.”

Ze heeft begrip voor de late overheidshulp. „Zelfs Medan stond onder water. Ze konden ons niet bereiken.” Wel is ze ongerust over de toekomst. De overheid communiceert niet. Ook zij kijkt uit op de nieuwe woningen, maar ze heeft geen idee voor wie ze bedoeld zijn. „De huizen zijn gebouwd door werklui, ingevlogen vanuit Jakarta.” Onbegrijpelijk, vindt ze. „Waarom hebben ze die banen niet aan lokale mensen gegeven?” 

Tijdelijke behuizing die de overheid regelde voor de bewoners na een bezoek van de Indonesische president Prabowo, staat nog leeg.

Bouwarbeiders werden ingevlogen vanuit Jakarta om een wooncomplex uit de grond te stampen.

De overstromingsramp is erger dan de tsunami van 2004, stelt Atjehse overheidsadviseur Iskandarsyah Bakri in de Australische podcast Reformasi Dispatch. Destijds nam een vloedgolf van twintig meter hoog in één klap het leven van tweehonderdduizend mensen. „Maar toen arriveerde er heel snel internationale hulp. Nu zitten tweehonderdduizend overlevenden twee maanden na de ramp nog steeds in een noodsituatie.”

Het Atjehse nationalisme duikt weer op

De adviseur laakt het handelen van de centrale overheid. In december zwaaiden mensen in Atjeh in een wanhopige oproep voor meer hulp met witte vlaggen. Ook de Atjehse vlag doemde daartussen op. De provincie vocht tot 2004 een felle onafhankelijkheidsstrijd tegen de Indonesische overheid en heeft nu een autonome status. „De Atjehse vlag was een uiting van frustratie en woede, aldus Bakri. ,,Als de hulp niet verbetert, kan dat het Atjehse nationalisme aanwakkeren.”

President Prabowo houdt vol dat alles onder controle is en Indonesië sterk genoeg is om zelf hulp te bieden. Internationale hulp wordt geweerd. „Er is inmiddels vanuit de regering een militaire hulptaskforce aangewezen, maar er is geen samenwerking met lokale overheden”, vertelt Bakri in de podcast. „Atjeh heeft ervaring met noodhulp en wederopbouw. Geef ruimte aan onze expertise.”

Bewoners van Lubuk Sidup en andere mensen in de buurt moeten de rivier met een wankel bootje over nu de brug is weggeslagen door de modderstroom.

Bakri erkent fouten van de lokale overheden. „In de oorlog was het bos een belangrijke uitvalsbasis voor het verzet. In vredestijd zijn we vergeten hoe belangrijk de bossen zijn. We hebben in het streven naar economische groei te veel mijnbouw- en plantagevergunningen uitgegeven. Maar plantage-industrie geeft geen echte welvaart. Dat moeten we beter doen.”

Marliono voor zijn totaal verwoeste huis in Paya Kulbi, Atjeh.

Op satellietbeelden is te zien dat de modderstromen het hevigst waren in gebieden waar het oorspronkelijke bos is gekapt. Ook palmplantages hielden het water niet tegen. In het dorp Paya Kulbi zijn veel inwoners afhankelijk van de plantage-industrie. Marliono (58), die zoals veel Indonesiërs maar één naam heeft, woont bij zijn zoon. Van zijn huis is slechts een betonnen vloer over. Hij wist op tijd de modderstroom te ontvluchten. „Er waren vaker overstromingen. Maar dit was veruit de ergste.” Marliono werkte twintig jaar in de plantage-industrie. Hij weigert te accepteren dat ontbossing ten gunste van palmplantages de modderstromen hebben verergerd. „De palmplantages geven een goed inkomen.”

God waarschuwt met de overstromingen

Yusmerun (59), onderwijzer van het dorp, ziet dat anders. „De overstromingen zijn een waarschuwing van God, omdat we te veel bomen kappen. We moeten beter omgaan met de natuur.” Op de binnenplaats scheppen bouwvakkers rondslingerende schoolboeken doordrenkt in modder op één hoop. De schoollokalen zijn leeg. Er zijn geen stoelen, geen lesmateriaal. De onderwijzer heeft geen idee wanneer een nieuwe voorzieningen komen. „We zijn sinds zijn deze week weer open, maar aan lesgeven komen we nog niet toe. De kinderen zijn getraumatiseerd. We laten ze over hun ervaringen praten.” 

Hoe verder NRC het achterland inrijdt, hoe hopelozer de situatie is. Het landschap toont kaalgeslagen heuvels. Huizen, rijstvelden en fruitplantages zijn weggespoeld. Er is geen drinkwater, geen riolering. De meeste noodhulp komt van onafhankelijke hulporganisaties. Af en toe stopt een auto een delen mensen uit Medan op eigen initiatief dekens en eten uit.

De restanten van een woonhuis nadat een modderstroom het dorp Lubuk Sidup overspoelde.

Anuar en zijn vrouw Jamiah bij hun verwoeste huis in Lubuk Sidut

Het dorp Lubuk Sidup, een uur buiten Tamiang, is weggevaagd. Balken van kapotte huizen steken uit opgedroogde modder. Aan de oever van de rivier, tussen alle puin, staat één houten hut. In de deuropening zit Jamiah (46). Haar man Anuar MJ (50) heeft hun onderkomen eigenhandig uit stukken puin getimmerd. „Ik kreeg de spijkers van een hulporganisatie”, vertelt hij. Ze krijgen eten van hulpverleners die af en toe aan de weg eten uitdelen. Het echtpaar had twee hectare land, een rubberplantage en palmolienotenbomen. Het akkerveld is weggespoeld. „We wonen in een gevaarlijke zone”, zegt Anuar. Het kan elk moment weer overstromen. Hij begrijpt dat het beter is elders opnieuw te beginnen. „Maar waar moeten we heen?” Het echtpaar hoopt dat ze in aanmerking komen voor een nieuw huis. Maar ze hebben geen idee of dat zo is.

Een kilometer verderop coördineert hulpverlener Riky Destian (45) van hulporganisatie ASAR een voedseldistributiepost voor zestig gezinnen. „De meeste mensen overnachten in de tenten die we hebben neergezet. Overdag gaan ze naar hun erf om hun huis weer op te bouwen.” De organisatie heeft twee drinkwatertanks neergezet. Een vrouw kookt onder een zeil in een grote pan rijst. Destian vertelt dat er ziektes zijn. „Mensen hebben koorts, diarree. Kinderen hebben huiduitslag, omdat ze zich niet kunnen wassen met schoon water.” De hulpverlener wil uit vrees voor represailles geen commentaar geven op overheidshandelen. 

Riky Destian, een vrijwilliger van NGO Asar Humanity, temidden van hulpgoederen voor het getroffen gebied in en rond Lubuk Sidup.

Bewoners komen hulpgoederen halen die worden aangevoerd door vrijwilligers.

Er is grote behoefte aan drinkwater in het getroffen gebied.

Een wateropslag voor bewoners van het getroffen dorp Lubuk Sidup , Atjeh.

Indonesische media die wel kritiek lieten horen, moesten offline of hebben achter de schermen een standje gekregen. Toen een journalist van Kompas TV tijdens live-verslag op het vliegveld van Banda Atjeh ontdekte dat hulpgoederen uit Maleisië werden teruggestuurd, moest hij van aanwezige autoriteiten zijn uitzending afbreken. De beelden werden gewist. Ook beelden van een verslaggever van CNN Indonesia die in december Tamiang bezocht, zijn offline gehaald.

De journalist stond voor een verwoeste brug bij het dorp Babu. Ze zag huizen bedolven onder modder en toen ze aan de overkant van de rivier mensen om hulp hoorde roepen, barstte ze voor de camera in huilen uit. Toen de beelden viraal gingen, greep de overheid in en haalde de video van het internet. Twee dagen later belegde een regeringswoordvoerder een persconferentie. Er waren elementen in de samenleving die de mensen lieten denken dat de overheid niet genoeg hulp zou bieden, zei hij. „Maak het ons niet moeilijk,” voegde een generaal toe. „Als je kritiek hebt, laat het ons rechtstreeks weten en niet via de media.”

Afgelopen zaterdag bezocht Agus Yudoyono, de minister van Infrastructuur, het weggevaagde dorp Luduk Sidup. Hij beloofde noodwoningen voor de mensen die er nu in tenten bivakkeren. Wanneer en waar werd echter niet duidelijk. Het is niet duidelijk of voor hen ook een noodwoning wordt gebouw. Ook is onbekend of voor mensen als Jamiah en Anuar zo´n noodwoning wordt gebouwd.

Volgens de laatste update van de overheid wonen nu nog zo’n honderdduizend mensen in tenten. De overheid wil dertigduizend noodwoningen bouwen. Daarvan zijn nu 1056 woningen gerealiseerd, schreef de Indonesische krant The Jakarta Post maandag.

Kota Lintang dorp.

Source: NRC

Previous

Next