De dag voor de sneeuwstorm in New York, waarop met nauwelijks verholen opwinding werd gewacht, was het in de supermarkt aangenaam rustig. Twee heren bij de koekjes speculeerden over de vraag of er 20 of 40 centimeter sneeuw zou vallen. Ze spraken op een toon alsof ze het over de lengte van hun penis hadden. Maar alles is sublimering, vooral sneeuw.
Mijn zoontje wist niet zo goed wat hij wilde hebben. Ik zei: ‘Misschien is morgenavond niets meer open. Denk er goed over na wat je morgen en overmorgen zou willen eten.’
Hij kwam niet verder dan: ‘Mango.’ En zelfs dat met lichte tegenzin, alsof hij de komende dagen het liefst van de lucht zou willen leven.
We sloegen flink wat mango’s in en daarna bleef mijn zoontje thuis met een babysitter want om redenen die hier maar niet uit de doeken moeten worden gedaan moest ik naar Brooklyn.
Hij had zich al de hele dag op de babysitter verheugd, wat het schuldgevoel van de vertrekkende vader flink verminderde. Zekerheidshalve vroeg ik wel: ‘Wat is er toch zo leuk aan Sarah?’
‘Zij gaat met me knutselen’, antwoordde hij, ‘en dat kan jij niet, pap.’
Na mijn afspraak bezocht ik een vrijwel lege bar. Ik wilde mijn zoontje genoeg tijd geven om te knutselen.
Al snel kwam er een vrouw met een kleine rolkoffer naast me aan de bar zitten.
‘Waar kom je vandaan?’ vroeg de barkeeper. ‘En waar ga je heen?’
‘Chicago’, zei ze. ‘En morgen weer terug.’
‘Dat gaat je niet lukken’, antwoordde de barkeeper. ‘De sneeuwstorm.’
Ik bleef nog even luisteren. Na ongeveer een halfuurtje zei de barkeeper: ‘Ik heb een zitbank, daar kan ik een bed van maken. Als de nood aan de man komt.’
Dat was het teken. Ik betaalde en nam de metro naar huis.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns