Home

Hoe houden we hoop in duistere tijden? Tien vrouwen in hun strijd tegen het kwaad

Filosofie Wat te doen wanneer fundamentele waarden als vrijheid, tolerantie en pluralisme onder druk staan? In Vrouwen in duistere tijden schetst filosofe Alicja Gescinska het leven en werk van tien vrouwen die „allen het kwaad in de ogen hebben gekeken en hun rug recht hebben gehouden.”

Hannah Arendt

Sommige gebeurtenissen raken een vrouw tot in het diepst van haar ziel. Neem de Poolse filosofe Barbara Skarga, die tussen 1944 tot 1956 gevangen zat in verschillende goelagkampen en op een afgelegen kolchoz in het uiterste oosten van Siberië. In haar autobiografische aantekeningen, uitgegeven als Na de bevrijding (1985), schreef ze over de Russische hel waarin ze terechtkwam: over de honger, de vernederingen, de angst om verkracht te worden en, in een hoofdstuk over liefde in het kampleven, over een verdwaalde bastaardhond die op een dag verscheen in de steenfabriek waar ze werkte. Het dier werd de lieveling van alle vrouwen. „Uit de keuken kreeg hij de beste soep. Wanneer iemand een pakje ontving, werd hij er meteen bij geroepen en kreeg hij het verrukkelijkste hapje. De Oekraïense vrouwen noemden hem Rex, de Russische noemden hem Tsjoerik.” Het dier gaf een sprankje hoop, maar nadat de hond een bewaker had aangevallen, werd hij doodgeschoten door een bewaker. „Zelfs van een hond mochten we niet houden.” 

Alicja Gescinska: Vrouwen in duistere tijden. Tien denkers van blijvende betekenis. De Bezige Bij, 429 blz. € 29,99

Denk ook aan de Zwitserse filosofe Jeanne Hersch die, tijdens een bijeenkomst in 1933 op de Universiteit van Freiburg, zich ineens in een zee van opgejutte studenten bevond die allen hun rechterarm gestrekt hielden terwijl ze het Horst Wessel-lied zongen. Een situatie die haar volledig deed verstijven, de armen strak tegen het lijf gedrukt.

Of neem de Amerikaanse journaliste Martha Gellhorn, die op 7 mei 1945 in Dachau arriveerde.  Als een van de eersten was ze getuige van de half verbrande lijken die waren achtergebleven, de foltercellen en de „ademende skeletten” die er nog rondliepen. Een ervaring die haar, toen ze het kamp verliet en in een veld ging zitten, in een toestand bracht die grensde aan oncontroleerbare hysterie. De duisternis die ze er zag, zou voorgoed in haar ziel kruipen. 

Hoe hoop te houden in donkere tijden? Hoe mens te blijven in onmenselijke omstandigheden? En wat te doen wanneer fundamentele waarden als vrijheid, tolerantie en pluralisme onder druk staan? Het zijn grote thema’s die Alicja Gescinska behandelt in Vrouwen in duistere tijden. Met dit boek, de vrucht van twintig jaar denken, wil de Pools-Belgische filosofe zo een eigentijds antwoord geven op Hannah Arendt, die in 1968 Men in Dark Times publiceerde. Arendt portretteerde destijds tien denkers (acht mannen en twee vrouwen) die volgens haar bronnen van hoop en licht vormden in tijden van duisternis. Op soortgelijke wijze schetst Gescinska nu het leven en werk van tien vrouwen die „allen het kwaad in de ogen hebben gekeken en hun rug recht hebben gehouden.”

Het zijn onderwerpen die Gescinska al langer bezighouden. Zo verbond ze in De verovering van de vrijheid (2011) het persoonlijke verhaal over haar vlucht als kind uit communistisch Polen naar België met het vraagstuk van de betekenis van vrijheid. En verdiepte ze zich in het essay Van angst bevrijd (2012) in ressentiment als oorsprong van het kwaad. Ook in Humanitas (2023) pleitte ze voor het belang van universele menselijke verbondenheid. 

Met Vrouwen in duistere tijden zoekt Gescinska opnieuw naar wat ons overeind kan houden in de donkerste uren van de mensheid. Indien het kwaad intrinsiek in de mens zit, dan ook het goede, is haar stelling. Het resultaat is een uiterst rijk boek, dat qua opzet en inhoud sterk doet denken aan het essay Troost (2021) van Michael Ignatieff of Baltische zielen (2010) van Jan Brokken. Ook zij schreven in die boeken over het aanhoudende optimisme van denkers, schrijvers en kunstenaars in helse perioden. Met haar blik op heldhaftige vrouwen kiest Gescinska op haar beurt voor een aantal bekende denkers, zoals Hannah Arendt, Simone Weil, Etty Hillesum en Rosa Luxemburg, maar ook schrijft ze over de Russische dichteres Anna Achmatova, filosoof Edith Stein en de Letse politiek denker Judith Shklar.

Edith Stein (links) en Etty Hillesum

Het gevaar van onverschilligheid

Voor deze portretten gebruikt Gescinska telkens dezelfde opzet. Na een korte, biografie – soms helaas wat te opsommerig – gaat de schrijfster telkens over op de theorie. Welke tragische gebeurtenissen hebben het denken en handelen van deze vrouwen beïnvloed? Hoe droegen zij hun medemenselijkheid uit? Welke rol speelde (gedwongen) ontheemding in hun leven?

Het levert een rijkdom aan inzichten op. Ze beschrijft hoe Barbara Skarga – de enige van de tien vrouwen die Gescinska ooit in levenden lijve ontmoette – als geen ander besefte wat het kwaad met een mens kan doen. Zo beschouwde de Poolse filosofe niet de aftakeling of fysieke martelingen als de grootste kwelling, maar het gevaar om als gevangene onverschillig te worden ten opzichte van het leed van de ander. Hierover schreef ze in haar goelagmemoires: „Dag na dag sijpelt er met de honger, en met het werk dat onze krachten overstijgt, en met de hopeloosheid van de tijd, iets in ons binnen, druppel na druppel, iets wat men bij naam hoort te noemen. Wat in ons naar binnen sijpelt is de permissie van het kwaad. We kunnen ons er niet meer druk om maken, we halen er enkel onze schouders voor op.”

Toch wist Skarga de onverschilligheidsmachine te doorstaan, schrijft Gescinska. Ze werd niet rancuneus, haatte haar bewakers of de Russen niet, schreef zelfs vol medelijden over de bewakers („mannen met ketenen in hun hoofd”) die haar folterden en kwelden. Het ergste kwaad probeerde ze te boven te komen door het vuur van de innerlijke vrijheid te laten branden: „Een vuur dat aangewakkerd wordt door muziek, literatuur, sprankjes medemenselijkheid en hoop.” 

Het is die innerlijke vrijheid die Gescinska ook behandelt in haar portret van de Joodse dagboekschrijfster Etty Hillesum, die er bewust voor koos tijdens de Tweede Wereldoorlog niet onder te duiken en in 1943 in Auschwitz werd vermoord. Hillesum die volgens haar „nooit naïef was ten aanzien van het kwaad” streed hartstochtelijk tegen „de haatatomen van de wereld”. Gesteund door „de God die ze in zich droeg” zocht ze naar een sleutel om zich open te blijven stellen voor de wereld om zo de destructieve krachten om haar heen de baas te kunnen.

Die oproep om mens te blijven, en in anderen steeds een mens te blijven zien, is dus één manier om het kwaad in de wereld te bevechten. Dat weet Gescinska overtuigend te brengen in de passages over Skarga en Hillesum. Maar is dat het enige wat een mens kan doen in duistere tijden? Wie wil blijven strijden voor medemenselijkheid, moet zich niet alleen richten op innerlijke vrijheid, maar zich ook afvragen hoe je in zo’n wereld naar buiten kunt treden. Daarin speelt ook de taal een belangrijke rol. Over het belang daarvan vertelde Gescinska al eerder in haar audio-essay Over menselijkheid (2023), wat ze laat terugkomen in haar hoofdstuk over Rosa Luxemburg, die vlijmscherp schreef over de gevaren van nationalistisch chauvinisme.

Filosofe en revolutionaire Rosa Luxemburg

Moorden door woorden

Alles begint met taal, stelt Gescinska: „Moorden begint met woorden.” Taal is de kanarie in de kolenmijn: „Wanneer het publieke discours verschuift in de richting van systematische haatspraak, is bloedvergieten niet meer veraf. Je zou het kunnen vergelijken met een seismograaf. In de taal kunnen we de bewegingen onder het oppervlak van de samenleving registreren die uiteindelijk aardverschuivingen, -bevingen en -schokken veroorzaken.”

Dichteres Anna Achmatova

Het is een terecht punt – denk aan de haatdragende retoriek op de Russische staatsmedia die vooraf ging aan de grootschalige Russische inval in Oekraïne in 2022. Maar evenzo, stelt Gescinska, kan taal juist worden aangewend als wapen tegen repressie en onderdrukking. Daarvoor neemt ze als voorbeeld Anna Achmatova, de ‘muze van de weeklacht’, die tijdens de Sovjet-terreur in een permanente noodtoestand leefde – haar eerste echtgenoot werd geëxecuteerd, haar derde stierf in de goelag en haar zoon spendeerde vele jaren in straf- en werkkampen. Voor Achmatova was het de poëzie, die ze jarenlang in het geheim schreef, waarmee ze de teneur van de alomtegenwoordige terreur kon verwoorden, aldus Gescinska. Woorden die, na publicatie, wel degelijk werden opgevat als een politiek testament, zoals haar beroemde gedicht ‘Requiem’. 

Deze vorm van protest, door middel van het woord de vrijheid te bevechten, komt ook terug bij Martha Gellhorn die, aldus Gescinska, de moed toonde „om moreel misnoegd te zijn”. Onverschrokken deed Gellhorn verslag van de vele brandhaarden in de wereld – onder meer te lezen in The Face of War (1959) – en gebruikte ze haar pen om onrecht aan te kaarten. Gellhorn beschouwde het dan ook als haar plicht om als burger betrokken te zijn bij de politiek. „Burgerschap is een zware bezigheid”, schreef ze in 1988, „die de burger ertoe verplicht zijn eigen geïnformeerde mening te vormen, en die mening uit te dragen.” Door te schrijven gaf ze een stem aan degenen die ontmenselijkt worden door oorlog en onrecht, vervolging en onderdrukking. „Heb je ogen, kijk niet weg. Heb je een stem, zwijg dan niet. En heb je een hart, maak er geen steen van”, zo was haar levenshouding.

Journaliste Martha Gellhorn in New York

Liberalisme van de angst

Dat laatste raakt aan nog een ander belangrijk thema. Gaat het er dus om, ondanks groot gevaar, je stem te verheffen? Is dat de manier om het kwaad te bestrijden? In haar antwoord richt Gescinska – die achterin haar boek ook uitgebreid aandacht besteedt aan het gedachtegoed van Max Scheler en Isaiah Berlin – zich op de Joods-Letse politiek filosoof Judith Shklar, die vanwege vervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog haar thuisland moest verlaten en uiteindelijk hoogleraar werd aan Harvard University. Shklar, bekend door haar ‘liberalism of fear’, wees op het gevaar van de menselijke onverschilligheid en de zucht tot zelfbehoud waardoor totalitaire regimes vrij spel te krijgen. Angst beschouwde ze dan ook als een primaire emotie van het bestaan. Maar tegelijkertijd stelde ze dat uit angst ook veel goeds kan komen. De vrees om een onvrije samenleving te worden kon, aldus Shklar, mensen juist motiveren om te ijveren voor een sociaal-liberale samenleving. Daarbij achtte ze zelfontplooiing – de educatie en emancipatie van de burger – van groot belang omdat burgers anders „geen meester over hun eigen, gemeenschappelijke levens kunnen zijn”. 

Het bestrijden van duistere tijden, en het waarborgen van vrijheid, reikt dus verder dan individueel verzet. Een reden ook waarom Gescinska schrijft over Jeanne Hersch die, toen ze in 1933 daar zo verstijfd stond op de universiteitstrappen, getuige was van het ressentiment van de massa en zich realiseerde dat niemand verschoond is van de taak een goed mens te zijn. Ook zij beschouwde vrijheid niet als „datgene doen wat je op dat moment wil doen”, echte vrijheid zag ze als „verantwoordelijke vrijheid”: een mens is pas vrij wanneer hij zijn of haar verantwoordelijkheid neemt tegenover zichzelf en anderen. Niemand, zo redeneerde ze, is verschoond van de taak een goed mens te zijn. En dit kan niet zonder een democratische rechtsstaat, de scheiding en controle der machten, de universele rechten van de mens, de filosofie en de kunst. Alleen onder deze voorwaarden kan een mens de medemens in de ander zien, en een Mensch onder mensen zijn.

Filosoof Simone Weil in Barcelona.

En zo geeft Gescinska aan de hand van deze moedige vrouwen een belangrijke boodschap mee. In een tijd waarin de hele westerse wereld opnieuw geconfronteerd wordt met nationalisme en autoritarisme, is het van groot belang te begrijpen waarom mensen zich kunnen afkeren van de idealen van vrijheid, universele verantwoordelijkheid en medemenselijkheid. Want het is haar stellige overtuiging dat het nut heeft om de donkere pagina’s van toen te vergelijken met die van vandaag. „De mens leeft niet in een historisch vacuüm”, stelt ze. „Je kunt het huidig tijdsgewricht alleen begrijpen in relatie tot vroeger.”

Een terechte conclusie, daarom is het van belang dit boek – dat terecht op de longlist van de Socratesbeker 2026 staat en hopelijk straks op de shortlist – te lezen.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next