Tanja Koen is 100 jaar. De voormalige NCRV-omroepster en presentator op radio en tv was van 1946 tot 1985 een bekende Nederlander. De roem werkt nu vooral op haar lachspieren.
Tanja Koen woont in de meest ideale omstandigheden denkbaar voor een dame op leeftijd. Zelfstandig, in een huis dat ze deelt met een dochter en schoonzoon – met haar eigen toegangsdeur en leefruimte. Ook delen ze twee honden. Zonder stok of rollator loopt de 100-jarige met versnaperingen heen en weer van keuken naar woonkamer. Ze is in een opperbeste stemming, zoals altijd, zegt haar zoon, op de achtergrond aanwezig bij het interview. Moeiteloos dist Tanja Koen de ene na de andere anekdote op uit de beginjaren van de televisie.
Hoe ziet uw dagelijks leven eruit?
‘Ik heb een vrolijk, prettig en liefdevol leven. Hoe ik woon is ideaal: ik ben vrij en zelfstandig, met een dochter en schoonzoon dichtbij. Ik kook zelf, lees de krant en speel veel piano – sonates van Schubert en Beethoven, en makkelijke van Chopin.
‘Een halfjaar geleden heb ik mijn auto weggedaan, sindsdien doet mijn zoon wekelijks de boodschappen. Ik dacht: je kunt beter stoppen met rijden voordat je brokken gaat maken.’
Aan welke periode in uw leven denkt u het vaakst terug?
‘Dat kan ik niet zeggen. Alle herinneringen springen als vlooien door mijn brein.’
U had een beroep dat niet meer bestaat: radio- en tv-omroepster.
‘Elke omroep had vroeger een eigen omroepster, die de programma’s aankondigde en er iets over vertelde. Van de eerste vijf omroepsters voor de televisie, ben ik de enige die nog in leven is.
‘Ik begon kort na de oorlog, in 1946, bij de radio. Mijn dierbare echtgenoot Peter Koen kreeg een baan als journalist bij de NCRV. We zochten woonruimte in Hilversum, maar door de woningnood was dat moeilijk. Op een dag zag Peter in de tuin achter de NCRV-studio een orangerie leegstaan en vroeg of wij daar mochten wonen. Het was er heerlijk licht, met al het glas. Onze eerste twee kinderen zijn er geboren – die konden lekker in de tuin spelen.
‘Op een ochtend werd ik vroeg uit mijn bed gebeld: ‘Tanja, kun je snel komen? De radio-omroeper van dienst heeft zich verslapen.’ Ik vloog mijn bed uit, kleedde mij snel aan en rende naar de studio, die grensde aan de tuin. Na het nieuwsbulletin om 7 uur moest ik de stationcall uitspreken: ‘Dit is Hilversum 1, de NCRV.’ Daarna klonk het NCRV-lied. Zo ging mijn debuut als invaller.
‘Omroepster werd een baan toen ik op een dag bij mijn man langsging in de studio. Naderhand vroeg de programmaleider aan Peter: ‘Kan die vrouw van jou niet iets doen?’ Er waren omroepers nodig. Ik deed een stemtest bij het hoofd Gesproken Woord, werd geschikt bevonden als radio-omroepster en ging de programma’s van de NCRV aankondigen. De teksten schreef ik zelf. Ik was blij als er een storing was, want dan kon ik een plaatje draaien en de muziek kiezen die ik zelf leuk vond, bijna altijd klassiek.
‘Ook mocht ik programma’s presenteren en op reportage, bijvoorbeeld voor Tussen de bedrijven door, een radio-uitzending voor huisvrouwen. Tussen het boenen door konden ze een kwartiertje rustig gaan zitten om radio te luisteren. We maakten interviews met vrouwen met een bijzonder beroep, reportages bij de Vereniging van Huisvrouwen in Den Haag en gaven tips over van alles en nog wat.
‘Alles, reportages en interviews, werd opgenomen op platen. Bij de montage werden met een geel potlood streepjes op de groef gezet waar het afspelen voor de radio moest stoppen. Eén keer heeft een technicus een heerlijke fout gemaakt. Het was bij de uitzending van een reportage over de doop van het jongste prinsesje Marijke, in 1947. Midden in het uitspreken van de dooptekst door de dominee, moest de technicus een nieuwe plaat opzetten. Hij pakte de verkeerde, waardoor op de radio klonk: ‘Ik doop u in de naam van de vader, de zoon, 1 x 5 is 5, 2 x 5 is 10’. De technicus wist niet hoe snel hij de naald van de verkeerde plaat, met een reportage op een school, moest halen om de juiste op te zetten.’
In 1951 zonden de omroepen de eerste tv-programma’s uit, wat herinnert u zich daarvan?
‘Ik was er vanaf het begin bij als omroepster. Voordat ik naar de studio ging, ging ik naar de kapper en ik zorgde voor mijn eigen kleding. Tijdens de eerste uitzending droeg ik een jurk met een grote witte kraag, voor de volgende had ik er een biesje op genaaid – veel kleding had ik niet in mijn kast hangen.
‘In een van de eerste uitzendingen die ik mocht presenteren, moest ik uitleggen hoe een deurslot werkt.’ (Ze laat een foto zien met op de tafel voor haar een enorm slot.) ‘Er ging in de begintijd geregeld wat mis. Als er van de ene camera naar de andere werd overgeschakeld, dan flopperden de beelden door elkaar.
‘De eerste tv-studio was in een wit kerkje in Bussum, de kansel stond er nog. Via een trapje naar boven kwam je in een ruimte waar een regiekamer van was gemaakt, met een groot raam waardoor ze in de opnamestudio beneden konden kijken. De camera’s waren nog heel groot. In de beginjaren hadden we maar twee uitzendingen per week, in de avond. ’s Middags was er altijd een repetitie.
‘De eerste uitzendingen werden gemaakt door Erik de Vries, hij was de enige die met de camera’s kon omgaan en wist hoe je moest regisseren. Daar had hij een opleiding voor gevolgd bij Philips. Buiten het kerkje stonden borden, met in grote letters: ‘Uitzending, stilte’. Elke keer als onze uitzending begon, hoorden we buiten een auto luid toeteren. Het bleek een man uit de buurt te zijn, die met zijn vrouw had afgesproken dat hij zou toeteren als hij bijna thuis was, zodat zij het avondeten kon opzetten.’
U ging ook kinder- en natuurprogramma’s presenteren. De onschuld droop ervanaf, is te zien op archiefbeelden, zoals kinderen die met hun huisdier op tv mochten.
‘Dat was het programma Wil je mijn marmotje zien?, dat duurde 15 minuten. Elke keer mocht een kind naar de tv-studio komen met zijn huisdier dat daar besproken werd, heel schattig. Er waren veel programma’s over dieren in die tijd, met Han Rensenbrink, hoofd educatieve dienst van Artis. Ik ging met hem in gesprek. Een keer had hij mij zo gek gekregen het verblijf van een tijger in te gaan. Het beest hield zich gelukkig koest – ik denk dat die tijger het enger vond dan ik. Voor Dier en vriend ging ik het land in om reportages te maken, zoals bij een paardenfokker, een geitenboerin en een keer bij een boer met Lakenvelder koeien.’
U was een echte BN’er
(Ze maakt een wegwerpend gebaar met haar arm.) ‘Dat liet ik van mij afglijden, het deed mij niks. Het was de televisie die een fenomeen was. Als er dan steeds dezelfde juffrouw in beeld kwam die de programma’s aankondigde, trok dat de aandacht. Na afloop van de kinderprogramma’s op woensdagmiddag stonden er kinderen voor de studio op mij te wachten voor een handtekening. In de weekenden stonden er rijen mensen voor ons huis in Blaricum, van heinde en verre waren ze gekomen. Ze wilden een foto van mij maken, en vroegen om een handtekening.’
Haar zoon, aanwezig bij het interview: ‘Je liet strooikaarten maken, met een foto en handtekening van jou erop. Hele stapels had je om uit te delen.’ Tanja Koen moet er smakelijk om lachen als ze daaraan terugdenkt.
In uw tijd werkten weinig vrouwen met een gezin, kinderopvang was er niet, hoe combineerde u dat?
‘Een groot voordeel was dat mijn moeder bij ons in huis woonde, ook al in de orangerie in Hilversum. Zij legde de kinderen in bed als ik ’s avonds moest werken. Voor het huishouden had ik een meisje, Bettie.
‘Mijn moeder kon je er goed bij hebben, ze was een bescheiden vrouw. Ze ging ook met mijn gezin mee op vakantie. Na afloop van Steravond, een amusementsprogramma op de radio, kwamen alle medewerkers bij ons in de orangerie wat drinken, inclusief de musici. Dat waren dolle avonden, tot diep in de nacht. Mijn moeder zat er rustig bij tot iedereen weg was. Klagen deed ze nooit.’
Lijkt u meer op uw vader of op uw moeder?
‘Dat durf ik niet te zeggen. We hadden een hecht gezin. Ik was een nakomertje en had een goede band met mijn beide ouders. Mijn moeder was introvert en kon prachtig pianospelen. Zo goed als zij, kan ik het niet. Als kind mocht ik, voordat ze met mijn vader naar een concert ging, altijd haar kleine zwarte handtasje inpakken, met een zakdoekje en een poederdoos.’ (Ze staat op en loopt naar een kast.) ‘Kijk, ik heb het tasje nog. De poederdoos zit er nog in.
‘Mijn vader heb ik te kort gekend, ik was 15 jaar toen hij overleed aan wat waarschijnlijk een hartaanval was, de oorlog was net begonnen. Hij was een enige man, lief en vrolijk. Ik denk dat ik mijn voorliefde voor verhuizen van hem heb. Net zoals in mijn jeugd, ben ik vaak verhuisd, soms al na een of twee jaar. Ik hield ervan om telkens weer iets nieuws te beginnen. Na het overlijden van mijn man in 1973 ben ik in Drenthe gaan wonen, dicht bij mijn zus. Maar de oliecrisis brak uit dat jaar, benzine ging op de bon en er kwam niemand meer langs. Na een jaar ging ik terug naar ’t Gooi.’
Wat is uw kostbaarste bezit?
‘Dat zijn mijn herinneringen.’
geboren: 9 december 1925 in Amsterdam
woont: zelfstandig, in Ede
familie: 4 kinderen, 7 kleinkinderen, 4 achterkleinkinderen
beroep: tv-omroepster en -presentatrice
weduwe sinds 1973
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant