Na 45 jaar schrijverschap stopt Julian Barnes ermee. Zijn laatste roman gaat over de betrouwbaarheid van het geheugen. ‘Vertrek(punt) is een fictiewerk, maar dat betekent niet dat het niet waar is.’
schrijft voor de Volkskrant over boeken, met name uit het Engelse taalgebied.
Tja, dat is een vraag die je natuurlijk kunt verwachten, als je na 45 jaar een punt zet achter je schrijversloopbaan. Welke van de vele tientallen boeken die je hebt geschreven is je, als je terugblikt, het liefst? Anders dan anderen zouden doen, veinst Julian Barnes niet dat het een onmogelijke keuze is, dat al zijn boeken hem even lief zijn.
‘Het kernboek van mijn loopbaan is Flauberts papegaai, waarmee ik in 1984 doorbrak als schrijver. Met dat boek vond ik de literaire vorm die mij mijn hele leven lief is gebleven, waarin fictie en non-fictie voortdurend door elkaar heen lopen. Bovendien is het mijn eerste boek dat werd vertaald, in het Frans, het Nederlands. En waarover wij elkaar in 1985 voor het eerst spraken.’
Afgelopen maandag is Julian Barnes 80 jaar geworden. Bij die gelegenheid verscheen wat hij heeft aangekondigd als zijn laatste boek: Departure(s), in het Nederlands vertaald als Vertrek(punt). Hierin vertelt hij over de ongeneeslijke maar ‘beheersbare’ aandoening waaraan hij lijdt: een zeldzame vorm van bloedkanker. Hij zal er niet aan sterven, hebben artsen hem verzekerd, tenzij er een mutatie optreedt, maar de kans daarop is slechts 5 procent. Zijn ziekte is dan ook niet de hoofdreden waarom hij een punt zet achter zijn schrijversloopbaan. Maar daarover later.
‘In de zomer en herfst van 2019 kreeg ik grote, vurige plekken op mijn benen en honderden kleine harde bobbeltjes op mijn rug. Ik werd door meerdere dermatologen onderzocht, maar verder dan de diagnose ‘eczeem’ kwamen die niet. Na nog een reeks andere onderzoeken in diverse ziekenhuizen werd uiteindelijk de diagnose myeloproliferatieve neoplasie (verzamelnaam voor bloedziekten waarbij bloedcellen woekeren in het beenmerg, red.) gesteld.’
Met een grimlach: ‘Deze vorm van kanker komt in Groot-Brittannië slechts vijfhonderd keer per jaar voor. Hij voelt dan ook persoonlijker, meer privé, dan bijvoorbeeld long- of leverkanker.’
De aandoening heeft niet echt invloed op Barnes’ dagelijkse functioneren. Hij is dan ook, in beperkte mate, bereid over zijn boek en zijn aflopende schrijversloopbaan te praten. Dat gebeurt via een beeldverbinding vanuit zijn eigen werkkamer.
U zat midden in het schrijven van de roman Elizabeth Finch toen u de diagnose kreeg. Was dat ook het moment waarop u besloot: hierna nog één boek, en dan is het afgelopen?
‘Ik was inmiddels halverwege de zeventig en daarmee toch al in een fase waarin ik mij afvroeg hoeveel ik nog zou gaan schrijven en of ik nog genoeg dwingende ideeën had. Toen moest ik denken aan een uitspraak van een vriend van me, schrijver Brian Moore, die zei: ik wil niet sterven met een half voltooid boek, want dan gaat een of andere klootzak het voor me voltooien. Toen bedacht ik: als ik nu eens eerst mijn laatste boek schrijf. Dan heb ik een sluitsteen voor mijn oeuvre en dan kan ik vervolgens nog een paar boeken schrijven in de periode tot aan mijn dood.
‘Maar toen ging ik bladeren in de aantekeningenboeken waarin ik mijn romanideeën noteer. En tijdens dat bladeren ontdekte ik dat er allemaal ideeën in stonden die vijf of tien jaar geleden best van pas waren gekomen, maar waarmee ik vandaag de dag niets meer kon. Dus toen bleef alleen dat afscheidsboek over. En laten we eerlijk zijn: ken jij belangwekkende boeken van auteurs, geschreven na hun 80ste?’
Toegegeven: bijna alle auteurs schrijven hun beste werk op middelbare tot laat-middelbare leeftijd.
‘Dus dan krijg je auteurs als Leonard Woolf en Anthony Powell die op hoge leeftijd vier, vijf, zes autobiografische boeken publiceren, en in die traditie wil ik mij niet plaatsen. Ik heb trouwens nooit de behoefte gevoeld een autobiografie te schrijven. Ik plunder liever aspecten van mijn leven voor bepaalde boeken, wanneer dat zo te pas komt, zoals in Niets te vrezen en Hoogteverschillen.’
Veel van Barnes’ boeken hebben een hybride karakter: ze vertellen het verhaal van een of meer personages, dat vervolgens voortdurend wordt onderbroken door bespiegelingen, terzijdes, historische verhandelingen, literaire knipogen en verhalen-in-het-verhaal. Zo vertelt Flauberts papegaai het verhaal van de pensioneerde arts Geoffrey Braithwaite, die totaal geobsedeerd is door Gustave Flaubert, iets waar Barnes zich veel bij kan voorstellen. Hij is de zoon van een francofiel echtpaar, beiden leraar Frans, en studeerde Franse letteren in Oxford.
De roman beschrijft niet alleen Braithwaites Flaubert-passie, maar bevat ook kritiek op literatuurwetenschappers, lijstjes van onderwerpen waarover voorlopig maar eens geen roman moet worden geschreven. Het stelt een verbod in op prequels en sequels alsook op boeken met meerdere eindes, en nodigt de lezer uit zijn eigen voorbeelden te geven van literaire (en verwante) zaken die echt niet meer kunnen.
Het resultaat is een intelligent, provocerend, leerzaam, intrigerend, bij vlagen irritant maar nergens saai boek met een geheel eigen karakter. De vorm beviel Barnes dermate goed dat hij er regelmatig naar terugkeerde, onder meer in Alsof het voorbij is, Niets te vrezen en Hoogteverschillen.
Ook Vertrek(punt) is een uitgesproken hybride boek. Het gaat over Stephen en Jean, die verteller Julian tijdens hun studietijd leert kennen. Door zijn bemiddeling komen de twee met elkaar in contact en bloeit er een romance op die na anderhalf jaar, schijnbaar zonder reden, wordt afgebroken en Julian verbijsterd en verontwaardigd achterlaat.
Veertig jaar later ontmoeten Stephen en Jean elkaar opnieuw, wederom dankzij tussenkomst van Julian. Het levert opnieuw een vurige relatie op, ditmaal zelfs inclusief een kerkelijk huwelijk, maar opnieuw loopt de relatie betrekkelijk snel en om lastig te begrijpen redenen spaak.
Het is een ‘verhaal met een gat in het midden’, aldus de ik-verteller, die dit gat vult met het relaas van zijn bloedkanker. Al vertellend blikt hij ook terug op het overlijden van zijn echtgenote, literair agent Pat Kavanagh – die in 2008 stierf, 37 dagen nadat er een hersentumor bij haar was geconstateerd – en filosofeert hij over leven en dood.
U schrijft in Vertrek(punt) dat u uw hele schrijverscarrière uit bent geweest op ‘het hele verhaal’. Daar komt in dit boek niets van terecht.
‘En bewust niet. Het gat in Vertrek(punt) vertoont een parallel met wat je naar mijn overtuiging overkomt wanneer je oud bent. Naarmate je ouder wordt, worden je herinneringen aan je jonge jaren helderder. En als je dan in het bejaardentehuis zit en ze een dekentje over je benen leggen en je kopjes thee geven, leef je in het heden. Maar aan je volwassen jaren, die het leeuwendeel van je leven vormen, heb je nauwelijks herinneringen.’
De onbetrouwbaarheid van het geheugen is een hoofdthema, zo niet hét hoofdthema, in uw werk.
‘Toen ik jong was zag ik de herinnering als iets dat stabiel was en vastlag. Inmiddels weet ik dat het geheugen zaken verandert. Hoe vaker je een verhaal vertelt, hoe meer het afwijkt van zijn oorsprong. Onze lievelingsverhalen en -anekdoten zijn het onbetrouwbaarst.
‘Ik kwam voor het eerst tot dat inzicht toen ik een e-mailconversatie had met mijn oudere broer Jonathan, emeritus hoogleraar filosofie, ten behoeve van Niets om bang voor te zijn. Daarin wilde ik over ons gezin schrijven en dus ook over hem. Ik had verwacht dat hij daar niet echt op zat te wachten, maar hij zei: prima, en als jouw herinneringen afwijken van die van mij, moet je gewoon de jouwe volgen. Want, zei hij, herinneringen hebben meer te maken met verbeeldingskracht dan wat ook, en jij hebt van ons tweeën de meeste verbeelding.’
De Amerikaanse editie van Departure(s) heeft als ondertitel ‘A Novel’, de Britse en Nederlandse laten in het midden welk genre het hier betreft.
‘Ik heb zoals gezegd de neiging om boeken te schrijven waarin feit en verbeelding elkaar afwisselen. Maar een uitgever kan richting de lezer natuurlijk niet goed uit de voeten met een term als ‘hybride’. Bij dit boek heeft mijn Britse uitgever het slim opgelost. Op het omslag staat: ‘Departure(s) is een fictiewerk, maar dat betekent niet dat het niet waar is.’ Daar kan ik uitstekend mee leven. Bovendien: de roman is zó’n veelvormig fenomeen, er zijn bij het romanschrijven eigenlijk geen regels die je kunt overtreden.’
Wanneer Jean voor de tweede maal besluit Stephen te verlaten, zegt ze: ‘Van geluk word ik niet gelukkig.’
‘Ja, dat is een raadselachtige opmerking, en hoewel ik hem Jean zelf in de mond heb gelegd, kan ik hem niet goed verklaren.’
Julians interessante reactie hierop luidt: ‘Het was een gedachte waarmee ze vele eeuwen literatuur berispte.’
‘Ja, dat is inderdaad een interessante opmerking! Ik was vergeten dat die in het boek stond. Het is een berisping van het idee dat er voor elk van ons in potentie een gelukkig einde in het verschiet ligt. Zelfs een ongelukkig einde impliceert dat er wel degelijk een gelukkig einde mogelijk was, maar dat dat is gemist. En dat lijkt mij echt een te blijmoedige gedachte.’
Hoewel hij is geboren in Leicester (en daarom al zijn leven lang supporter van Leicester City is), groeide Barnes op in Londen, waar zijn ouders naartoe verhuisden toen hij zes maanden oud was. Als scholier reisde hij jarenlang met de Metropolitan-lijn van de noordwestelijke buitenwijk Northwood naar centraal Londen, een gegeven dat een rol zou spelen in zijn debuutroman Metroland (1980).
Dankzij zijn schoolresultaten kreeg hij een studiebeurs voor Oxford. Na een paar jaar als lexicograaf aan het supplement van de Oxford English Dictionary te hebben gewerkt, kwam hij op de redactie van The New Review terecht, in het even stimulerende als aanvankelijk ook nogal intimiderende gezelschap van Martin Amis en Christopher Hitchens, beiden inmiddels overleden. Barnes blikt in (Vertrek)punt op beide vriendschappen terug.
Na landelijk en internationaal te zijn doorgebroken met Flauberts papegaai, ontwikkelde Barnes zich tot een van de meest gerespecteerde en succesvolste auteurs van Groot-Brittannië. Zijn boeken werden in vijftig talen vertaald, drie ervan werden verfilmd, en er gingen meer dan 10 miljoen exemplaren boeken over de toonbank.
U betrad de Britse literaire wereld aan het begin van de jaren tachtig, een periode die nu de ‘Golden Age of British Writing’ wordt genoemd, bijvoorbeeld in het boek Circus of Dreams van literair journalist John Walsh.
‘Toen ik opgroeide was een schrijver wiens werk als Penguin-paperback werd uitgegeven oud en had hij een groot oeuvre op zijn naam. In de jaren tachtig kwamen er ineens een heleboel getalenteerde schrijvers op. Toen het tijdschrift Granta in 1983 de special ‘Best of Young British Novelists’ publiceerde – twintig schrijvers van onder de 40 – had dat een enorme publicitaire waarde. Ineens vatte het idee post dat literaire fictie sexy kon zijn. Uitgevers begonnen auteurs hogere voorschotten te betalen.
‘Bovendien was de lijst, zeker voor die tijd, erg divers, met bijvoorbeeld zes vrouwen en drie mensen van kleur. Dat gaf uitdrukking aan het feit dat zowel Britse schrijvers als Britse lezers kosmopolitischer aan het worden waren. ‘The Empire Strikes Back’, zoals Salman Rushdie zei. Ik denk dat ik als schrijver tot een fortuinlijke generatie behoor.’
Ik zie achter u uw oude IBM 196C elektrische schrijfmachine staan. Die gebruikt u nog steeds?
‘Ik houd van het ‘werkmatige’ aspect van het schrijven. Ik schrijf mijn boeken eerst met de hand en vervolgens op mijn elektrische schrijfmachine, waarna ik het typoscript met de hand corrigeer en het manuscript vervolgens opnieuw door de machine haal. Pas daarna komt de computer in beeld. Toen schrijvers in de jaren tachtig op computers begonnen te schrijven, werden de romans ineens langer, maar niet noodzakelijkerwijs beter.’
Inmiddels dient de volgende technologische ontwikkeling zich aan: AI. Een BBC-interviewer vroeg AI onlangs een typische eerste zin van een Julian Barnes-boek te schrijven, en kreeg als reactie: ‘Hij had altijd geloofd dat het geheugen zich gedroeg als een hoffelijke gast – aankomend wanneer uitgenodigd, vertrekkend wanneer genegeerd – maar de laatste tijd was het begonnen rond te dwalen, met de handen in de zakken, vals neuriënd in de hoekjes van zijn geest.’
Barnes: ‘Ik kan niet zeggen dat ik me ook maar enigszins zorgen maak over dit resultaat. Het is deels pastiche, deels simpelweg plagiaat, en deels bijzonder banaal, met name het tweede deel van de zin. Het lijkt mij vooralsnog ondenkbaar dat AI literatuur kan opleveren. Wat niet wegneemt dat ik het zeer verontrustend vind dat techbedrijven onze werken plunderen. Daar loopt momenteel in de Verenigde Staten een rechtszaak tegen die van groot belang is.’
U heeft zich bij verschillende gelegenheden, ook in Vertrek(punt), negatief uitgelaten over het feit dat ernstig zieke mensen zo lang mogelijk in leven worden gehouden, omdat de medische technologie dat nu eenmaal mogelijk maakt. Ook Jean zegt op een gegeven moment: ‘Het enige wat me interesseert is leven, niet alleen maar overleven.’
‘Ik ben altijd een groot voorstander geweest van het recht om over je eigen dood te beslissen en daarvan niet te worden weerhouden door politieke of religieuze autoriteiten. In Groot-Brittannië houden de bisschoppen in het House of Lords dat tegen. Naast Iran zijn wij het enige land met religieuze leiders in het parlement, namelijk 24 bisschoppen. Ik heb veel sympathie voor meer verlichte landen als Nederland, België en Zwitserland, maar ik wil toch liever in mijn eigen land sterven.’
Vertrek(punt) is ook niet het eerste boek waarin u uitvoerig stilstaat bij de dood. In Niets te vrezen vertelt u dat u op al uw 13de of 14de uw réveil mortel ervoer: het moment waarop u zich bewust werd van de dood. Dit bewustzijn ging gepaard met angst.
‘Ik denk minstens eenmaal per dag aan de dood. Tot een jaar of tien geleden leed ik aan hevige nachtelijke paniekaanvallen. Dan vluchtte ik uit bed om op de overloop mijn doodsangst uit te schreeuwen. Dat is gelukkig voorbij. Ik heb nu een meer melancholieke kijk op de dood, waarschijnlijk omdat ik ouder ben.’
U heeft zelfs in een mengeling van ironie en melancholie gezegd dat u, door uw laatste boek bij leven te publiceren, uw eigen literaire necrologieën kunt lezen.
(Knikt lachend) ‘Toen Ingmar Bergman had besloten geen films meer te maken, zei hij: ‘Ik pak mijn hoed nu ik nog bij de kapstok kan.’ Is dat geen schitterende formulering?’
Vertrek(punt) richt zich telkens tot een ‘jij’, en gaandeweg wordt duidelijk dat die ‘jij’ de lezer is.
‘Ik ben mij altijd bewust geweest van mijn verhouding tot de lezer. Vanuit welk standpunt vertel ik hem (haar) mijn verhaal, wat vertel ik wel en wat houd ik achter? Schrijven is voor mij altijd een intiem proces geweest, waarbij ik naast de lezer zit, niet ergens boven hem. Ik ben geen didactische schrijver. En speciaal in dit boek stel ik de lezer telkens de impliciete vraag: wat vind jij hiervan? Wat zou jij in deze omstandigheden doen? Vertrek(punt) is een kameraadschappelijk afscheid.’
Julian Barnes: Vertrek(punt). Uit het Engels vertaald door Jelle Noorman. Atlas Contact; 194 pagina’s; € 22,99.
CV Julian Barnes
1946 Geboren in Leicester, op 19 januari .
1964-1968 Studie moderne talen aan Magdalen College, Oxford.
1968-1970 Lexicograaf voor de Oxford English Dictionary.
1970-1980 Redacteur New Statesman en andere literair-journalistieke activiteiten.
1980 Metroland (Somerset Maugham Award).
1984 Flaubert‘s Parrot (Flauberts papegaai, shortlist Booker Prize).
1989 A History of the World in 10½ Chapters (Een geschiedenis van de wereld in 10½ hoofdstuk).
1998 England, England (Engeland, Engeland, shortlist Booker Prize).
2005 Arthur & George (shortlist Booker Prize).
2008 Nothing to Be Frightened Of (Niets te vrezen, memoires).
2011 The Sense of an Ending (Alsof het voorbij is, Booker Prize)
2012 Wint Europese Literatuurprijs.
2013 Levels of Life (Hoogteverschillen, memoires).
2022 Elizabeth Finch.
2025 Departure(s), in het Nederlands vertaald als Vertrek(punt).
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant