Home

Wat een troost dat er postuum nog romans van Hilary Mantel verschijnen

Hilary Mantels Reus O’Brien is, inderdaad, een reus. Maar zelf wil de reus liever mens zijn, in deze schitterende historische roman van de auteur die de historische roman eigentijds maakte.

is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.

Het lukt me niet aan te wijzen waar het genie van Hilary Mantel precies begon. Soms kun je dat namelijk bij schrijvers. Je ziet hoe het ene boek het andere aansteekt, alsof een lucifer een sigaret aansteekt, de sigaret een sigaar, en de bibliotheek zich begint te vullen met rook.

Of je ziet de omgekeerde beweging: een breedsprakige, kakofonische schrijver verstilt, zoomt in op een thema dat eerst vluchtig was, en vindt dan een nieuwe, onverwachte diepte.

Hilary Mantel daarentegen was altijd al Hilary Mantel. Haar eerste boek was een grootste, meezwepende geschiedenis van de Franse Revolutie, Een veiliger oord. Het bevat alle kwaliteiten waarmee ze vanaf Wolf Hall (2009) een geprezen en geliefd literair monument werd. Een veiliger oord schetst in speels, slim proza de tijdgeest van een moment van politieke gekte, en het toont tegelijk de psychologische innerlijke werking van een vriendenkring die door de revolutie wordt verscheurd.

Probleem was alleen dat Mantel het niet gepubliceerd kreeg. Ze was onbekend, ongezond, woonde niet in Engeland. Een groot boek was een investering die uitgevers niet aandurfden. En dus, krijg je het idee als je haar biografie overziet, maakte ze zichzelf kleiner dan ze was. Schreef romans over vrouwen, gezinnen. Slimme romans, maar met een bescheiden canvas.

Pas toen die succesvol bleken, en Mantel in de Britse literaire wereld – ook als bespreker – tot een figuur van belang uitgroeide, werd Een veiliger oord uitgegeven, in 1992.

Ironisch, vertelde ze later, dat uitgevers eerder Een veiliger oord weigerden omdat de historische roman een impopulair genre zou zijn. Met haar dubbele Booker Prize voor Wolf Hall en de opvolger Het boek Henry was juist zij het die de historische roman naar het centrum van de literaire wereld schreef.

Een reus met een verhaal

Nu verschijnt de historische roman De reus, O’Brien. Postuum, want Mantel stierf in 2022 – te vroeg. Een troost dat uitgeverij Meridiaan sindsdien haar nog niet eerder vertaalde romans uitgeeft.

We schrijven het einde van de 18de eeuw en de Ierse O’Brien droomt ervan Mulroneys te herbouwen, de ingestorte taverne. In zijn jeugd hielden ze hier de ‘Bardenraad’, hier kwamen de volksvertellers bijeen en zongen ze over de daden van koningen en helden.

O’Brien waant zichzelf ook zo’n verteller, maar hij is ook een reus. Letterlijk. Een impresario, Joe Vance, overtuigt hem naar Londen te komen, waar, belooft hij, hun broekzakken zullen rinkelen. Vance kan het weten, hij vertegenwoordigde eerder andere reuzen, zoals de broers Knives, vertelt hij.

O’Brien haalt zijn schouders op: ‘De grootste van de Knives kwam maar net tot mijn schouders. En wat zijn broertje betreft – Pocket noemde ik hem –, ik kwam op mijn 10de in de taveerne, en dan stond ik daar met mijn pul in de hand en met zijn kop als steuntje voor mijn elleboog.’

En dus gaan ze naar Londen (Mantel, aforistisch: ‘Londen is net als de zee of de galg. Het sluit niets of niemand uit’), O’Brien, Vance en aanhang. Want zoals profvoetballers nu zo vaak een dubieuze, klevende kliek jeugdvrienden hebben die geld ruiken, zo heeft O’Brien die ook.

2 meter 31

In feite zet Mantel alle schaakstukken neer voor een spannende pot. Helemaal omdat in Londen John Hunter rondloopt, en wat je van chirurg John Hunter kunt weten is dat zijn persoonlijke collectie anatomische curiosa later tot het Hunterian Museum leidde.

In dat museum, gevestigd in The Royal College of Surgeons of England in Londen, kon je tot voor kort het skelet van ‘de Ierse reus’ Charles Byrne bezichtigen. In 1799 verkregen. 2 meter 31 hoog.

Maar terwijl de sinistere Hunter (nomen est omen) om O’Brien heen cirkelt, (‘Geef het nog een half jaar en dat heidense gevaarte is van mij’) is Mantel vooral geïnteresseerd in de menselijkheid van O’Brien. Dat maakt hem een tragische held; voor de mensen die betalen om hem te zien, is hij een lijf. Een freak.

Een misschien te makkelijke psychologische duiding van dit personage; Mantel was zelf ziek, kampte met endometriose, wist zelf al te goed wat het was om een lichaam te zijn. Ze schreef er de prachtige memoires De geest geven over.

O’Brien ziet zichzelf in een traditie staan van klassieke verhalenvertellers, ziet zichzelf als iemand die cultuur doorgeeft. Hij vraagt zich af wat voor leven hij had gehad als hij geen reus was geweest. Hij vreest de dood, want hij weet, ‘voor poëten schuilt hun nagedachtenis in de reprise, voor staatslui in steen en brons’, terwijl zijn nagedachtenis louter zijn skelet zal zijn – nog steeds zichtbaar voor betalende bezoekers.

Hij voelt zijn lichaam nog steeds groeien, veranderen, zich tegen hem keren. Altijd is er pijn, ‘alsof mijn schedel een belegerde stad is’.

Mantels stijl is los, ze schiet snel heen en weer tussen haar personages en al hun eigen, egotistische motieven. Met in het midden die arme reus – een mythische verschijning, maar een o zo kwetsbare man.

Hilary Mantel: De reus, O’Brien. Uit het Engels vertaald door Ine Willems. Meridiaan; 280 pagina’s; € 26,50.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next