Home

Cabaretier David Linszen: ‘Als het publiek denkt: heeft hij wel door dat dit niet kan? Dat is tof’

Cabaret Voor het eerst treedt veelbelovend cabaret-talent David Linszen op met een solovoorstelling, de première was deze week. NRC sprak hem meermaals tijdens de try-outs. „Mijn stand-up comedyhoofd moet nog steeds leren dat niet alles uitmondt in een grap.”

Davind Linszen: 'Van voorstellingen met alleen comedy vergeet je wat er is gebeurd.'

David Linszen heeft pas een handvol try-outs gespeeld van zijn debuutprogramma Striptease Van De Dood en moet nog vier maanden tot de première, als hij zegt: „Mocht ik volgende week plots in première moeten, dan zou ik schrikken. Maar het zou wel kunnen.”

Dat is precies de indruk die hij wekte bij een try-out in het piepkleine theater De Richel in Amsterdam halverwege september. In de benauwde ruimte zweette Linszen weliswaar tot het leek alsof hij in het zwembad was gesprongen (men was vergeten de airco aan te zetten, zegt hij later), maar zijn optreden oogde puntgaaf voor een programma dat zich nog zou moeten ontwikkelen.

Het tekent het talent van de 34-jarige cabaretier, die in 2024 met overmacht het Leids Cabaret Festival won en sindsdien geldt als een cabaretbelofte. Ook zijn collega’s zien dat. Linszen was nog maar aspirant-lid van de Comedytrain, een gezelschap van comedians, toen Daniël Arends hem vroeg diens nieuwe show te regisseren. Raoul Heertje regisseert op zijn beurt nu Linszen.

De try-out in De Richel voelde als „een inkompotje”, vertelt Linszen eind oktober in een Amsterdams café. „Ik ben aan het uitzoeken wat ik wil met de voorstelling. Meer dan een uur solo spelen is ook een andere discipline dan halve uurtjes stand-up in line-ups. Dan kun je knallen. Dat kan ook tachtig minuten lang, maar dat wil ik niet.”

Linszen is een absurdist in de geest van Hans Teeuwen, Wim Helsen en Kasper van der Laan, met toch een geheel eigen narrenkarakter. Hij speelt in zijn debuut een ongrijpbare man, die met grootspraak zijn onzekerheid tracht te maskeren. Dat raamwerk geeft hij invulling met lepe grappen, een bezeten voordracht en een maniakale motoriek.

Jarenlang stand-up spelen bij comedyclub Toomler heeft hem gevormd, maar in zijn debuutshow wil hij „niet alleen maar losse stukken achter elkaar plakken”. „Ik wil dat er gaandeweg iets verandert in dat personage, dat er een verhaal met een verloop is. Van voorstellingen met alleen comedy vergeet je wat er is gebeurd, terwijl je van goede voorstellingen ook de persoon die het vertelt onthoudt, en zijn karakter, en de dingen die niet grappig waren.”

Dat personage voelt alsof hij het zelf is. „Mijn verhaal is dat ik het publiek leer wat mijn afweermechanisme is: je moet mensen als vijand benaderen en je onkwetsbaar tonen. Maar uiteindelijk heb je er helemaal niks aan. Ik merk nu dat ik eerst mijn kwetsbaarheid moet laten zien om die omslag te laten werken. Anders snappen mensen überhaupt niet waarom ik dat afweermechanisme inzet als wapen. Het moet echt een mens zijn dat daar staat te praten.”

Hoe werk je daaraan?

„Ik probeer meer houvast te bieden, zodat het publiek me kan volgen, zonder bedoelerig te worden. Misschien ga ik het een keer juist bedoelerig maken, en alles uitleggen, om te kijken wat er dan gebeurt.”

Wat is het probleem?

„Doordat ik veel stand-up heb gedaan, weet ik hoe ik een zaal in beweging kan krijgen. Maar dat kan me ook in de weg zitten. Ik moet dingen durven zeggen die niet in dienst staan van een grap. Dat is nieuw terrein. Het is puzzelen, omdat ik er van hou als dingen weird zijn. Weird zijn staat bij mij wel voorop. Dus ik maak ook graag grappen om de structuur weer om zeep te helpen.”

Wat voor man zien we?

„Iemand die eenzaam is en niet bij een groepje hoort. Dat is volgens mij ook waar comedy over gaat: over hoe je je onderscheidt van de groep. Comedians die ik niet zo goed vind, herhalen wat de groep al vindt. Als mensen dingen zeggen die eigen zijn, is dat troostend. En herkenbaar, omdat niemand er volgens mij helemaal bij kan horen. Ja, dat is tragisch.” Hij lacht. „Maar ook heel mooi.”

Hoe maak je het verhaal rond?

„Het zou niet mooi zijn als ik aan het slot ben veranderd in een normale jongen. Dan ondermijn ik het idee van het individu dat buiten de groep staat. Dus als de boodschap uiteindelijk is dat ik een weirdo ben, is dat prima. Daar doe ik het voor.

„Daniel Arends heeft een keer tegen me gezegd: ‘Waar het eigenlijk over gaat, de kern van de show, moet je laten zeggen door een eekhoorn.’ Dat vind ik nog altijd een goeie. Dat is leuk: dingen die heel belangrijk voor je zijn zeggen op een schijnbaar onbelangrijke of absurde manier. Er stond vandaag een Gummbah-cartoon in de Volkskrant van een raar figuur die zei: ‘Ik besta niet en dat wil ik graag zo houden’. Dat vind ik dan zó aangrijpend.” Hij lacht uitbundig.

Hoe bevalt het try-outen?

„In het try-outproces ben ik een open zenuw, want ik heb een product dat nog niet af is. En het liefst speel ik comedy op leven en dood, dat ik er van alles in gooi en niet weet wat er daarna komt. Morgen voeg ik bijvoorbeeld een zangsolo toe aan het nummer ‘Limonade met kokend water’, terwijl ik niet genoeg tijd heb om dat uitvoerig te repeteren.

„Aan de andere kant hoort bij dit proces dat je steeds aan het uitvogelen bent waar het nog aan schort. Je moet juist wél weten waar het heen gaat en hoe dat beter kan. Gelukkig heb ik genoeg ervaring om erop te vertrouwen dat de oplossingen zich zullen openbaren. Dus de inspanning loont.”

Bijzonder is hoe wild je soms beweegt. Hoe is dat zo gekomen?

„Ik zat als kind op de jeugdtheaterschool, waar ik ook moest dansen, maar ik heb het geleerd door het te doen op het podium. Ik was zanger in een band toen ik begin twintig was en toen was niet zozeer mijn zang, maar mijn gedans een belangrijk element van de optredens. Toen de microfoon het een keer niet deed, heb ik alleen maar gedanst, dat was een van onze beste optredens. Het voelt alsof ik niet anders kan dan dansen. En het is lekker om te doen.

„Bij een optreden in Toomler deed ik een keer in paniek iets waar ik zin in had, namelijk raar beatboxen en als een debiel bewegen. Dat sloot ik af met: ‘Soms doe ik iets voor jullie, soms doe ik iets voor mezelf.’ Die grap zit nu in de show. De kern is dat ik me wil uitleven op het podium. En als ik daar van geniet, dan doet het publiek dat denk ik ook.”

Je lijkt vrij schaamteloos. Voel je wel schaamte?

„Ja. Toen ik in Toomler speelde, heb ik een lange periode tegengehouden dat er mensen kwamen kijken die ik kende. Mensen weten niet hoe kwetsbaar je dan bent. Voor je het weet, blijft er een zinnetje van kritiek nagalmen in je hoofd. Daar ben ik niet ongevoelig voor. Zelfs als mensen iets aardigs zeggen, kan je er iets onaardigs in denken te kunnen horen.”

Er zijn wel comedians die ongenaakbaarheid uitstralen.

„Je afweermechanisme kan zo sterk worden dat mensen de oorsprong niet meer zien: je kwetsbaarbaarheid. Je oogt dan ongenaakbaar, terwijl je zelf denkt: ik ben maar een sukkel.

„Het is een cliché over comedians waar ik in geloof: dat ze comedian worden uit een soort minderwaardigheidscomplex. Zelfs als mensen tegen ze opkijken, denken ze nog: ik ben niet goed genoeg. Ik denk dat je in contact moet blijven staan met dat complex, want die ontevredenheid is je motor.”

Hoe word je inhoudelijk gevoed?

„In de week dat de maatregelen tegen corona werden opgeheven, overleed mijn vader. En kort daarna maakte mijn vriendin het uit. Toen ben ik veel comedy gaan doen. Waarna ik merkte dat mijn afweermechanisme, comedy maken, niet werkte. Je moet dat soort tragedies actief verwerken. Dat inzicht is wel een bron voor mij.”

Je vader heeft in de voorstelling een rolletje als de man die jou als jongen aan het roeien wil krijgen, terwijl jij zelf liever wil BMX’en.

„Hij is niet meer dan een figurant, om aan te kunnen geven wat voor druk ouders en de maatschappij je op kunnen leggen. Die druk herken ik, en zie ik ook bij vrienden om me heen. Je vader verliezen is een tragedie, maar er zit ook iets bevrijdends in. Want onbewust stem je toch je doen en laten af op de goedkeuring van je ouders.”

Hoe ben je aan comedy verslingerd geraakt?

„Er was een site van de Vara met cabaretfragmenten. Die heb ik verslonden. Mijn helden waren Hans Teeuwen, Poelmo, Gummbah. Naar een show van het duo Droog Brood ben ik drie keer in een maand geweest.”

Allemaal absurdisten. Voel je je verwant?

„Ik heb moeite met de term, maar ik omarm hem ook. Dan heb ik het wel over absurdisme dat ook gevaarlijk is. Dat je voelt: ik weet niet of ik in goede handen ben. ‘Staat er nou echt een gek op het podium? Heeft hij wel door dat dit niet kan? Is dit serieus? Wordt het nog leuk?’ Dat is tof.” 

Als Linszen na bijna twee uur wordt bedankt voor het gesprek, zegt hij met een stalen gezicht: „Dit was allemaal off the record, toch? Super!”

„Comedians die ik niet zo goed vind, herhalen wat de groep al vindt.”

Op maandag 1 december heeft Linszen een try-out in Theater Floralis in Lisse. Die loopt aanvankelijk wat stroever dan die in Amsterdam. Pas bij wat woordgrappen komt de lach erin. Als ik hem er over bel, is hij zich er niet van bewust. „Twee dagen ervoor waren allemaal scènes op hun plek gevallen. Dus het was zo’n optreden waarin je je bewust bent dat het de vorige keer zo goed ging.”

Wat viel er op zijn plek? „Ik zat in de knel met het idee dat ik wel vier eindes had. Dat komt doordat mijn stand-up comedyhoofd nog steeds moet leren dat niet alles uitmondt in een grap. De oplossing bleek een liedje naar voren trekken.”

Nieuw was dat hij niet alleen praatte over BMX’en, maar ook trucs op zijn fiets liet zien. „Vrijwel elke dag was ik tijdens mijn middelbareschooltijd te vinden op het Max Euweplein in Amsterdam, voor het casino. Ik deed ook wedstrijden in de categorie Flatland, trucs op de vlakke vloer. Maar ik heb het nooit professioneel gedaan. De stap naar de hoogste klasse was net te groot.”

Hoe ver is het programma nu? „Relatietherapeuten zeggen dat er afstand nodig is om intimiteit te ervaren in een relatie. Die behoefte heb ik nu met mijn show. Ik zou even twee weken andere mensen willen zien. Dan kan ik er weer in duiken. Gelukkig komt de kerstperiode eraan.”

Deze week staat zijn naam op de gevel: Linszen speelt twee dagen in De Kleine Komedie in Amsterdam. De dag voor de première vertelt hij of het afstand nemen heeft gewerkt. „We zijn weer bij elkaar. Ik ben met hangende pootjes teruggekeerd en we hebben het bijgelegd. Ik besef ook weer beter wat er voor nodig is om een avondvullende voorstelling te maken. Dat ik me niet hoef te haasten. Ik ben het liefst manisch, gek en energiek op het podium, maar rustpunten en stiltes hebben evenveel waarde, en doen de energie ook beter uitkomen. Ik speel weer met frisse moed.”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next