Montserrat Roig Deze Catalaanse klassieker, oorspronkelijk verschenen in 1976, is voor het eerst in het Nederlands vertaald. Montserrat Roig schreef een melancholieke roman over vrouwenlevens in het Barcelona van de jaren zeventig, in de nadagen van de Franco-dictatuur.
De Sagrada Familia van architect Antonio Gaudí in Barcelona, Spanje, 1970.
In de literatuur vluchten vrouwen vaker dan in het echte leven. Dat is niet zo gek, er is een vertrekpunt nodig om een verhaal op gang te brengen. Een heldin verzet zich bijvoorbeeld tegen een onhebbelijke vaderfiguur, het patriarchaat of simpelweg de burgerlijkheid van haar bestaan. Maar verdwijnen zulke vrouwen vervolgens langs de rand van de bladzijden, of keren ze ooit weer terug?
Montserrat Roig: Kersentijd. (El temps de les cireres) Vert. Adri Boon. Cossee, 250 blz. €24,99
In Kersentijd (1976) gebeurt dat in ieder geval wel. Het is het tweede deel van de Barcelona-trilogie van de Catalaanse schrijver Montserrat Roig (1946–1991), dat je ook als zelfstandige roman kunt lezen. Roig vertelt het verhaal van Natàlia Miralpeix, die na twaalf jaar afwezigheid in de lente van 1974 terugkeert naar haar geboortestad.
Ook zelf bracht Roig een deel van haar leven door in (zelfgekozen) ballingschap. Eerst in Frankrijk, daarna in Genève. In Spanje was ze vooral bekend als journalist die opkwam voor de belangen van vrouwen en Catalanen. Ze schreef toneelstukken, columns en essays, maar deed ook onderzoek naar Catalaanse gevangenen in de nazikampen. Wil je haar literaire invloed waarnemen, wandel dan eens door een Catalaanse buurt en je zult haar naam tegenkomen.
Kersentijd, de opvolger van het in 1972 verschenen Vaarwel Ramona, verscheen oorspronkelijk in 1976 en leverde Roig de Sint-Jorisprijs op, een prestigieuze onderscheiding voor Catalaanse literatuur. Dat haar werk nu in stormvaart wordt vertaald door Adri Boon, is een cadeau.
Anders dan in haar journalistieke werk hebben vrouwen de overhand in Roigs romans. Het resultaat is een melancholieke totaalroman die je op fragmentarische wijze een inkijk geeft in de levens van Catalaanse vrouwen.
Natàlia is tijdens het oproer in Asturië, in 1962, vertrokken naar Parijs en vervolgens naar het Verenigd Koninkrijk gegaan. Ze is vrijgevochten maar vooral berooid, dus keert ze terug naar haar familie. In Barcelona liggen de wonden van de Spaanse Burgeroorlog nog open. Generaal Franco is nog aan de macht, maar zijn gezag is tanende. De jeugd luistert naar Jimi Hendrix. Rouw en hoop kruisen elkaar voortdurend.
Haar familie ontvangt haar, deels met ontzag voor haar moed, deels met argwaan. Is die lellebel terug? wordt er gefluisterd. Ook is haar moeder intussen overleden. En wat is er eigenlijk gebeurd met haar vader, met wie ze niet meer praat?
Aanvankelijk is Natàlia geen aaibaar personage. Daarvoor is ze te ongrijpbaar. Als fotografe is ze niet meer dan een „uil van de geschiedenis: alles gebeurt recht voor haar ogen en zij kijkt alleen”. Geleidelijk kom je erachter dat ze slechts de aanleiding vormt om kleurrijke personages en familiale patronen te introduceren die reageren op haar non-conformisme.
Het ongemak wordt in elke passage met zoveel geestigheid en gusto beschreven dat het soms doet denken aan het proza van de Italiaanse schrijver Natalia Ginzburg (1916-1991). Beiden delen de gave om familiedynamieken te schetsen in tijden van politieke wrevel. Waar Ginzburg kalm observeert, is Roig iets gulziger: zinnen, personages en perspectieven glijden in elkaar over. Zelfs aanhalingstekens blijven ongebruikt.
Een van die figuren is tante Patrícia, „dik en lelijk, met een kurkdroge huid in de kleur van gebarsten aarde”. De verarmde peetmoeder van Natàlia zucht onder het alcoholisme en de ongelukkige tijd waarin ze met Esteve getrouwd was. Het liefst jeremieert ze tegen haar huishoudster Encarna over zijn kwade streken, tot ze zo beneveld is dat haar maag van slag raakt.
Encarna is die dronkenschap van haar bazin (en de algehele gekte van de Miralpeixs) intussen beu. Daarom besluit ze op haar 52ste te trouwen. Voor het eerst proeft ze vrijheid. Alleen valt ze hiermee jammerlijk ten prooi aan de spot van haar gasten. Haar huwelijk wordt een ‘menselijk document’ van de arbeidersklasse genoemd. „Wat een clown”, zegt een aanwezige over haar Sissi-achtige bruidsjurk. En: „De stank van arme mensen, altijd hetzelfde.”
Of neem Sílvia, een voormalige ballerina die getrouwd is met Lluís, de broer van Natàlia. Sílvia berust in haar ouderwetse rol binnen het patriarchaat. Een mujercita, of plat gezegd: een trad wife. Ze spendeert een groot deel van haar tijd met afvallen (maar oh, oh, oh, wat houdt ze van snoepen) en tupperware-feestjes organiseren. Op de markt vindt ze het heerlijk om over ‘haar man’ te praten. Ze is een verrukkelijk anachronisme dat door de culturele overgangsfase van de jaren zeventig heen trippelt.
De mannen zijn veel meer karikaturen, een omlijsting van de situatie waarin de vrouwen verkeren. Alleen bij Joan Miralpeix kun je echt spreken van een volledig uitgewerkt personage. De vader van Natàlia keert gebroken terug uit Franco’s gevangenkampen, bekeert zich tot het katholicisme en ziet geld als enige uitweg tegen het regime. Na de dood van zijn vrouw Judit, zijn „rode anjer”, begint hij unheimliche trekjes te vertonen en dwaalt langzaam af richting de gekte.
Een roman waarin mannen veelal worden neergezet als schuinsmarcheerders of sjacheraars: bij deze vrouwelijke recensent ontsnapte hier en daar toch een stiekeme glimlach. De mannelijke wederhelft neerzetten als óf verstrooid óf vilein. Gaat dat niet wat ver? Maar als lezer begrijp je ook: dit boek draait niet om hen.
Overigens had Roig hier een pasklaar weerwoord op. „Mannen zijn emotioneel gecastreerde wezens”, zei ze daar zelf over. Helemaal achterhaald is dat anti-mansentiment niet: vandaag bezingt popfeminist Sabrina Carpenter haar fans vrolijk toe dat ze „haar mannen het liefst incompetent heeft”.
Dat betekent niet dat Roigs vrouwen volmaakt zijn. Integendeel: ze roken, drinken en zijn behoorlijk getroebleerd. Verval is een belangrijk thema binnen de roman. Er zijn borstpartijen als mandarijnen, peren en olijven, maar vooral veel ‘hangende’ borsten. Gekreukte lijven. Waarom komen zoveel beschrijvingen van torso’s aan bod? Bijna, heel even, denk je aan een vooruitziende blik. Roig stierf zelf op jonge leeftijd aan borstkanker. Maar het is iets anders. Met al die vergankelijkheid toont ze de invloed van onderdrukking op de lichamen van vrouwen.
Oorlog en repressie tekenen zich immers af op het lichaam. Het is een machtsmiddel. Bij vrouwen kun je spreken van dubbele gevangenschap, schreef Roig in een van haar essays. Subtiel is die symboliek niet. Bij vlagen wel beeldschoon. Bijvoorbeeld als de handen van tante Patrícia worden beschreven: „Vaak zijn de handen buigzame extremiteiten met een functionele waarde. Als je beseft dat een persoon handen heeft, dan komt dat omdat ze mooi zijn.”
Af en toe vraag je je af waar de schrijver ophoudt en de activist begint. Toen Roig Kersentijd schreef, was Franco al overleden. Dat is evident. Hoe droefgeestig het beeld van de familie Miralpeix ook mag zijn, er gloort geregeld hoop over de pagina’s.
Om te verlangen naar de kersentijd moet je geloven dat die op een dag zal aanbreken, zegt de hoofdpersoon. Het is de overgang van moderniteit naar het postmodernisme. De herovering van Catalonië, van de vrouw, of van de literatuur doordringt elke pagina. Door het boek in het Catalaans te schrijven, vormt de roman zelf het grootste pièce de résistance.
Soms is schrijven ook een daad van verzet.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC