Windenergie Een publicatie van een Delftse hoogleraar leidde tot discussie onder wetenschappers én in de Kamer: valt de hoeveelheid windenergie vanuit de Noordzee tegen? De minister stelt de verwachtingen een beetje naar beneden bij.
Windpark Borssele, een verzameling windmolenparken in aanbouw voor de kust van Zeeland. Via een aansluiting bij Borssele leveren de parken sinds april 2020 stroom.
Ziet Nederland de toekomstige opbrengst van windparken op zee te rooskleurig in? Zijn er daardoor meer turbines nodig om aan de grotere stroomvraag van over een paar decennia te voldoen? En is daar dan wel plek voor? Of klopt het al bestaande inzicht wel zo’n beetje?
Over die vragen ontstond in november enige reuring, toen hoogleraar windenergie aan de TU Delft Carlos Simão Ferreira onderzoek publiceerde waaruit bleek dat gegroepeerde turbines elkaar meer uit de wind houden dan eerder gedacht, waardoor ze minder elektriciteit leveren. De opbrengst van de Nederlandse windturbineparken zal een kleine 35 procent bedragen, in plaats van de ruim 50 procent waar de Nederlandse overheid tot voor kort nog vanuit ging, schreef hij samen met twee Deense collega’s. Dit percentage is de verhouding tussen daadwerkelijk opgewekte energie ten opzichte van het theoretisch maximum, als een windpark altijd op vol vermogen zou draaien. Het onderzoek werd meteen opgepikt en er kwamen Kamervragen.
Woensdag kwam minister Hermans van Klimaat en Groene Groei (VVD) met een reactie. Die komt erop neer dat ze het percentage dat uit het model van Simão Ferreira rolde grotendeels naast zich neerlegt. Dat doet ze mede op basis van een memo met wetenschappelijke context die opvallend genoeg is opgesteld door twee andere hoogleraren windenergie van de TU Delft, die enkele aannames van Simão Ferreira betwisten. De minister houdt in plaats daarvan een inschatting van 42 procent aan, een verwachting die uit onder meer een eerdere TNO-berekening kwam en die toen nog als „redelijk pessimistisch” werd bestempeld.
Donderdagmiddag was Simão Ferreira in de Tweede Kamer te gast, waar hij aan een drietal Kamerleden van de kamercommissie voor Klimaat en Groene Groei een technische briefing gaf over zijn onderzoek.
De discussie lijkt over een andere realiteit te gaan: een te volle Noordzee waar turbines op elkaar gepropt worden. Terwijl, windenergie is de laatste maanden vooral in het nieuws omdat het bouwen van windparken zo moeizaam gaat. Vorige week maakte de minister bekend in plaats van twee windparken maar één park aan te besteden dit jaar, van 1 gigawatt (GW). In totaal staat er nu voor 5,5 GW aan vermogen. Voor 2050 was ooit bedacht dat er 70 GW zou moeten staan, dat wordt steeds verder afgezwakt.
De weg naar een Nederlandse Noordzee met 60 of 70 GW aan opgesteld vermogen en met enorme windparken, de situatie waar Simão Ferreira zich zorgen om maakt, is nog lang. Maar nu rekening houden met de situatie over enkele decennia is nodig, benadrukt Simão Ferreira in de technische briefing. Bovendien, Nederland bouwt niet als enige op de Noordzee, de Engelse windparken staan er pal naast. Hij wijst op cijfers van de afgelopen jaren, in 2024 was de opbrengst van Nederlandse windparken op zee 38 procent, dicht bij wat zijn model laat zien voor dat jaar.
Windmolens op 23 kilometer uit de kust ter hoogte van de strook tussen Zandvoort en Noordwijk.
Het draait allemaal om een effect dat een enkele windmolen niet heeft, maar een grote groep windmolens bij elkaar wel: het zog-effect. Doordat turbines in elkaars ‘schaduw’ staan komt niet overal evenveel wind. Turbines in het midden van een windpark zullen langzamer draaien dan turbines aan de rand. Hoe dichter de turbines op elkaar staan, hoe groter het effect. Ook kan het windpark op die manier last hebben van een ander nabijgelegen windpark.
Dat dit effect bestaat is langer bekend. Nu er meer windparken gebouwd zijn en opbrengsten en atmosferische effecten beter te meten zijn, worden de computermodellen die het effect berekenen steeds beter. De schattingen van opbrengst – het percentage heet in vaktermen de capaciteitsfactor – zijn al vaker naar beneden bijgesteld.
Simão Ferreira rekende voor zijn onderzoek met een windpark van 10 GW, waar 10 MW aan windmolens per vierkante kilometer in staan. Windparken die tot 2032 zijn ingetekend zijn per stuk veel kleiner en de turbines staan verder van elkaar. Voor daarna zijn er wel plekken aangewezen waar windenergie kan komen maar in welke vorm is nog niet bepaald. Dat maakt het windpark in het onderzoek hypothetisch, en dat is een van de aannames waar de collega-hoogleraren Simon Watson en Dominic von Terzi kritisch op zijn.
Ze vinden ook dat Simão Ferreira rekent met een „suboptimale turbinekeuze”, terwijl volgens hen te verwachten is dat de technologie verbetert. Aannames over turbinetechniek en hoe turbines opgesteld zijn maken veel verschil in dit soort berekeningen, schrijven ze.
En er zijn andere onderzoeken die hogere opbrengsten laten zien. Watson en Von Terzi noemen onder meer onderzoek van Fraunhofer IWES (de Duitse TNO) over het hele Noordzeegebied. Daaruit blijkt dat de energieproductie van Nederlandse windparken zal dalen van zo’n 46 procent in 2030 naar 43 procent in 2050 in een situatie dat er dan 70 GW zou staan. Het kabinet liet in 2024 doorrekenen wat de 21 GW die is ingetekend tot 2032 zou opleveren, en windonderzoeksbureau Whiffle kwam ook uit op een capaciteitsfactor van 46 procent. Er gaan nog enkele procentpunten af door verliezen bij het transport.
Windpark Borssele bij Vlissingen.
In het Windenergie Infrastructuurplan dat het ministerie afgelopen juli publiceerde staat dat er in studies over de toekomstige energiehuishouding van Nederland „vrij optimistische aannames over de opbrengsten” van windenergie werden gedaan. Aan TNO werd daarom voor dit rapport gevraagd om ook scenario’s met minder opbrengst door te rekenen.
De 42 procent die daaruit kwam werd in juli 2025 nog een „redelijk pessimistische inschatting” genoemd, maar lijkt nu het nieuwe algemeen aangenomen cijfer. Simão Ferreira krijgt dan wel geen gehoor bij het kabinet, de verwachting is toch naar beneden bijgesteld.
Heeft deze lagere opbrengst nou grote gevolgen voor het te voeren beleid voor wind op zee? Hoogleraar Simon Watson maakt zich hier niet zo’n zorgen over. „Zo’n daling is merkbaar maar betekent geen catastrofaal productieverlies”, mailt hij. De turbines hoeven wellicht niet eens heel dicht op elkaar te staan. „De Nederlandse overheid heeft haar doelstellingen naar beneden bijgesteld tot ongeveer 50 GW in 2050, daardoor wordt de daling verder beperkt.”
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC