Vertrouwen De corona-pandemie deed het vertrouwen in instituties goed. Daarna nam het vertrouwen over de hele linie af, behalve in de wetenschap. Die scoort nog steeds een 7,5.
Een patholoog aan het werk in het laboratorium van het Leids Universitair Medisch Centrum.
Het vertrouwen in de wetenschap is afgelopen jaren toegenomen in Nederland, terwijl dat in onder meer de rechtspraak, bedrijfsleven, media en politiek is gedaald. Gemiddeld gaven Nederlanders dat vertrouwen in 2025 een cijfer van 7,5 – iets hoger dan in 2021. In dat jaar, op het hoogtepunt van de coronapandemie, lag het vertrouwen in de wetenschap duidelijk hoger dan in eerdere jaren.Dit blijkt uit een afgelopen zomer gepubliceerd rapport van het Rathenau Instituut over het vertrouwen in de wetenschap. Voor de enquête, die sinds 2012 ongeveer elke drie jaar wordt gedaan, zijn deze keer achtduizend mensen ondervraagd.
„Over de hele linie valt het best mee met het vertrouwen in de wetenschap”, zegt Jelle Slief, auteur van het Rathenau-rapport „Alleen is dat wel steeds ongelijker verspreid over de samenleving.” Zo is de groep met weinig of geen vertrouwen nu de helft groter dan in 2021. De groep met juist enorm veel vertrouwen groeide nog sterker, met tweederde.
„Een verklaring voor de groei van beide kampen ligt mogelijk in het feit dat bepaalde onderwerpen sterk gepolitiseerd zijn geraakt, zoals klimaatverandering, discriminatie en ongelijkheid”, vermoedt Slief. De uitgesproken opvattingen daarover beïnvloeden mogelijk hoe mensen kijken naar instituties zoals de wetenschap. Het Rathenau is bezig met een vervolgonderzoek hier meer zicht op te krijgen.
Mensen die bij de Tweede Kamer-verkiezingen van 2023 conservatief stemden hebben weinig vertrouwen, progressieve stemmers juist veel. Zo zijn er nogal wat FVD-aanhangers die drieën uitdelen. Met een gemiddelde van 4,5 is deze kiezersgroep de enige die eigen vertrouwen een onvoldoende geeft.
Aan de andere kant van het politieke spectrum geven veel Volt-stemmers hun vertrouwen een 10. Dat verbaast Margriet van der Heijden, hoogleraar wetenschapscommunicatie aan de TU Eindhoven: „Wetenschappelijke resultaten zijn nooit absoluut, maar de beste die we nu denken te hebben. Met 100 procent vertrouwen wordt wetenschap bijna een geloof.”
Eerder onderzoek vond een lager vertrouwen in wetenschap vaak bij mensen met een sterke zogeheten Social Dominance Orientation, zegt Van der Heijden: „Zij steunen het idee dat de ene groep boven de andere staat, bijvoorbeeld mannen boven vrouwen.” De boodschap van veel wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld naar gender(on)gelijkheid is volgens haar „mensen met zo’n oriëntatie vaak onwelgevallig” – dat maakt hen wantrouwiger over de wetenschap.
In totaal geeft 14,6 procent van de Nederlanders het eigen vertrouwen een onvoldoende. „Dat lijkt misschien niet veel, maar het is toch zorgelijk”, vindt Van der Heijden. „ Want ook een kleine groep kan de stemming laten omslaan.” Nu al heeft nog maar 10 procent vertrouwen in de wijze waarop politici wetenschappelijke inzichten gebruiken, signaleert ze. „Terwijl we in Nederland allerlei wetenschappelijke adviesorganen hebben voor het maken van beleid.”
In de VS ligt de wetenschap al langer en heftiger onder vuur dan in Nederland. Dat heeft daar volgens Van der Heijden geleid tot de de huidige afbraak van de wetenschappelijk onderzoek, onder meer doordat de overheid daarvoor veel minder geld geeft. „Het lijkt me zo langzamerhand tijd om goed na te denken hoe we wetenschap actiever kunnen verdedigen”, zegt Van der Heijden. „Niet meer tegen de kerk, zoals met [de astronoom] Galileo Galilei in de 17e eeuw, maar tegen het demoniseren en het wegzetten als ‘woke’.”
Source: NRC