Het wordt steeds moeilijker om te controleren of degene met wie je online zaken doet, zich uitgeeft voor een ander. Wie is de klos bij identiteitsfraude?
Een verhuurbedrijf van deelauto’s claimt bijna 2.500 euro van een vrouw voor abonnements- en kilometerkosten. De vrouw zegt dat ze nooit een overeenkomst met het bedrijf heeft gesloten en dat er sprake is van identiteitsfraude.
Volgens de vrouw had ze een zekere B. haar paspoort en DigiD-inlogcode gegeven om voor haar een bankrekening te openen. Vervolgens werd ze geconfronteerd met allerlei overeenkomsten, waaronder telefoonabonnementen en het online deelauto-abonnement. Ze had indertijd niet eens een rijbewijs. In de overeenkomsten stonden adressen waar de vrouw nooit had gewoond. Ze deed aangifte van identiteitsfraude.
De kantonrechter ziet sterke aanwijzingen dat er inderdaad sprake is van identiteitsfraude, maar oordeelt dat het bedrijf er in dit geval op mocht vertrouwen dat de vrouw daadwerkelijk een overeenkomst wilde aangaan.
Omdat bij een online overeenkomst identificatie lastiger is, kent het bedrijf extra verificatiestappen, en die voldeden volgens de rechter. Zo schrijft het bedrijf ter controle een bedrag af van de opgegeven bankrekening. Verder moet de klant zijn rijbewijs uploaden en tegelijk een filmpje maken waarop zijn gezicht te zien is. Een speciaal softwareprogramma verifieert of het dezelfde persoon is. Bij die controles waren geen onregelmatigheden naar boven gekomen. Mogelijk had de fraudeur een vals rijbewijs gemaakt, met een foto erop van degene die ook het filmpje maakte.
Al met al had het bedrijf zich volgens de kantonrechter voldoende ingespannen om de identiteit van de aanmelder te verifiëren. Het bedrijf mocht er daarom op vertrouwen dat het de vrouw was die de overeenkomst sloot.
Dat de vrouw slachtoffer was van identiteitsfraude, maakte dat niet anders, omdat ze zelf, op eigen initiatief, vertrouwelijke gegevens had gegeven aan iemand die zij nota bene pas kort kende. Daarmee had ze zelf de mogelijkheid geschapen dat haar gegevens zouden worden misbruikt, en daarvoor is zij verantwoordelijk.
De vrouw is dus aansprakelijk en moet ook rente betalen en de proceskosten van het bedrijf, die worden begroot op 1.230 euro. Wel verlaagt de kantonrechter de hoofdsom met een kwart tot 1.850 euro, omdat het bedrijf bij het aangaan van de overeenkomst niet actief alle informatie had verstrekt die wettelijk verplicht is. De rechter moet elke consumentenovereenkomst waarover wordt geprocedeerd daarop controleren.
„Deze uitspraak doet me denken aan de criteria die banken hanteren als klanten worden opgelicht door een nep-bankmedewerker”, zegt Charlotte Pavillon, hoogleraar privaatrecht, met name consumentenrecht, aan de Rijksuniversiteit Groningen. „Als je zelf onhandig bent geweest met het prijsgeven van bankgegevens en je rekening wordt leeggehaald, dan acht de bank zich niet aansprakelijk. Er is wel een coulanceregeling, maar die is niet onbeperkt.”
Het verschil is alleen: bij het leeghalen van een bankrekening staat niet ter discussie of er wel een contract is tussen bank en rekeninghouder. Wat dat betreft is de onderhavige zaak van een andere orde. Is het denkbaar dat je, terwijl je van niets weet, via een fraudeur een contract aangaat met een onbekende?
Pavillon: „Volgens ons burgerlijk procesrecht moet degene die stelt dat hij een overeenkomst met iemand heeft dat ook bewijzen. Je ziet dat terug in jurisprudentie over identiteitsfraude. En in 2023 zijn er Kamervragen gesteld naar aanleiding van een Radar-uitzending over identiteitsfraude bij het afsluiten van energiecontracten. Het toenmalige kabinet bevestigde dat ook bij identiteitsfraude de bewijslast bij degene ligt die zich op het bestaan van dat contract beroept.”
Dat zou dus betekenen dat het bedrijf moet bewijzen dat de vrouw daadwerkelijk deze overeenkomst heeft gesloten. Pavillon: „Nu de rechter de fraude aannemelijk acht, lijkt dat bewijs er niet te zijn. De rechter lijkt het over een andere boeg te gooien: het bedrijf mocht er in dit geval gerechtvaardigd op vertrouwen dat de consument een contract wilde sluiten. Wat niet uit de uitspraak blijkt, is dat volgens vaste rechtspraak degene die vertrouwd heeft op een valse verklaring in beginsel pech heeft; hij wordt niet beschermd. Wel geldt een uitzondering, en die lijkt zich hier ook voor te doen: als het de schuld van de vrouw is dat het bedrijf erop vertrouwde dat zij het contract wilde sluiten, wordt het bedrijf beschermd. Dat sprake is van een uitzondering, werkt de rechter helaas niet uit.”
Volgens Pavillon laat de zaak zien dat de huidige bewijslastverdeling – wie zich beroept op het contract, moet bewijzen dat de ander (zelf) akkoord is gegaan – bij online contracten problematisch is. „En dat zal alleen maar erger worden. Hoe ver moet je gaan om te bewijzen dat iemand zelf aan de knoppen zat? Met alle mogelijkheden die AI biedt, is dat vrijwel onmogelijk. Dat het bedrijf in de onderhavige situatie niet voor de schade opdraait, past bij de vaste rechtspraak. Maar zonder fouten van de consument is het bedrijf in principe de klos. Hoe dan ook: als je de consument vraagt om het contract op kantoor te komen tekenen, biedt dat natuurlijk de meeste zekerheid.”
Kantonrechter rechtbank Rotterdam, 21 november 2025, gepubliceerd 12 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2025:14952
Deze rubriek belicht wekelijks rechterlijke uitspraken met economische gevolgen voor mensen of bedrijven
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC