Alba de Cespédes Het debuut uit 1938 van deze vergeten Italiaanse schrijfster staat vol met magische observaties. Het boek is een schelmenroman en een ideeënroman ineen, met een stel studentes in een kloosterinternaat in Rome als hoofdpersonen.
Foto Getty Images
De jongemannen trekken hun broek op „aan de riem”, steken het danslokaal over en vragen de meiden ten dans. Het is een kleine observatie, maar ik zie het voor me. De stijve mannenruggen, de onhandige hanigheid, de bleue oogopslag, en als de muziek stopt, de haast om weer te gaan zitten. Alba de Céspedes situeert met zulke minieme observaties grote gebeurtenissen, kleine ontwikkelingen en dramatische ervaringen. Bijna luchtigjes typeert ze pijn, of weerzin, of berusting, opluchting, verwarde gevoelens of horror. Ze definieert de verborgen rouw van een vrouw om haar heimelijke minnaar door het krantenartikel over zijn dood te situeren onder „het bericht dat de Amerikaanse actrice Jeannette MacDonald in Italië was aangekomen.” De „rauwe herinnering” aan een verkrachting duidt ze aan met: „Voorzichtig stond ze op en ging het raam open doen.” Een zinnetje als een scheermes. Maar zo hoeft het niet, het kan ook zachtmoedig tastend. Wat moet ik met „de verwarde weemoed van scheelogigen” in de blik van een tweeling? Weet ik niet, maar De Céspedes loodst er achteloos hun raadselachtigheid mee binnen.
Alba de Céspedes: Niemand kan terug. (Nessuno torna indietro) Vert. Manon Smits. Meridiaan, 390 blz. €27,99
Al deze voorbeelden dragen bij tot de rijkdom van Niemand kan terug, de roman waarmee ze in 1938 debuteerde. Het werk van Alba de Céspedes (1911-1997) raakte vergeten, maar deze weergaloze vertelster wordt voor Nederland stap voor stap herontdekt. Met duizendmaal dank aan vertaalster Manon Smits die De Céspedes’ magische observaties recht doet (alleen al het woord ‘koekeloeren’).
In elk van de twee eerder vertaalde romans van De Céspedes, Verboden Schrift (1952) en Zoals zij het ziet (1949), zagen we haar zorgvuldig een vrouw uitbenen die dubbelklapt onder de benepen moraal van haar omgeving. Haar eersteling Niemand kan terug (1938) is ronduit onbesuisd, een schelmenroman en een ideeënroman ineen, niet met één vrouw in de hoofdrol maar met een stel studentes in een kloosterinternaat in Rome, plus de twee nonnen die hen onder controle moeten houden. Al die personages kleurt De Céspedes in tot persoonlijkheden en die geen lezer met elkaar verwart, zo uitgesproken zet ze ze neer. In wisselende constellaties jaagt ze ze op. Ze koestert ze, isoleert ze, en breit ze weer in elkaar. Ze ontrafelt hun verleden en zit ze tot in hun toekomst achterna.
Wie zijn die studentes? Er is een would-be schrijfster en er is een geniale studente tegen wil en dank. Er is een heimelijk ongehuwde moeder. Er is een rijkeluisdochter die alleen maar doet of ze studeert en er is een plattelandsmeisje dat fataal haar achtergrond ontgroeit. Een van de vrouwen blijft hangen aan een verkeerde verloofde. Er zijn er die aanhikken tegen het toekomstbeeld van een leven als oude vrijster, want voor een huwelijk zijn ze te verlegen, te bescheiden, te onaantrekkelijk (zeggen ze zelf en och, er is niemand die ze tegenspreekt). De aandoenlijkste figuur is de Spaanse wildebras wier toekomst wordt doorkruist door de Burgeroorlog in haar vaderland. Ook de nonnen met hun „lege gedachten” ontsnappen niet aan De Cespedes’ aandacht, zij laten zich elk op eigen wijze platwalsen als bruiden van Jezus. Mijn favoriete personage loopt in een vlaag van fatalisme weg uit het klooster. De Céspedes traceert haar in Milaan waar ze worstelt met armoede en welbewust kiest voor een bestaan als maintenée van een criminele zakenman. De vriendinnengroep fungeert als een vagevuur, waar de studentes branden van verlangen naar de hemel van het huwelijk. Collectief negeren ze dat die hemel de wurgpaal van de mannenwereld impliceert. Berusting en onderdanigheid liggen in het verschiet, hun studietijd zal verschrompelen tot de herinnering aan een verboden vrucht. Dat is prijs die je betaalt voor de veiligheid van een leven als fatsoenlijke vrouw.
Maar De Céspedes gunt ze een guerrilla via hun fantasieën. Die komen in allerlei variaties, romantisch, dromerig, leep, sensueel. Het wordt discreet beschreven, maar er wordt onmiskenbaar gemasturbeerd. Valentina doet het bijvoorbeeld om te vergeten dat ze niet zal ontsnappen aan een bestaan als ongetrouwde invaljuf, „tussen bergen schriften, glimmend zwart als kakkerlakken”. Nu slaapt ze in, „in het onuitsprekelijke genot van haar hervonden eenzaamheid”.
Niemand kan terug is een feministisch subversieve roman, maar dat had de censor van Mussolini’s fascistische regime pas in tweede instantie door. Het boek werd alsnog verboden, maar pas in de oorlog, toen De Céspedes zich had aangesloten bij het antifascistische verzet, werd het verbod daadwerkelijk gehandhaafd.
De hedendaagse lezer ziet in deze roman dat voor vrouwen de tijden zijn veranderd, maar ook weer helemaal niet. De gesprekken van de jonge studentes die ’s avonds na het sein ‘licht uit’ samenklitten laat De Céspedes drijven op herkenbare details van onzekerheid en schuldgevoel en de vrees niet te voldoen aan onhaalbare normen. Daarbij knallen plotselinge inzichten tevoorschijn, terwijl er gekibbeld wordt over het bestaan van God, georeerd over de juiste jurk voor een rendez-vous, of geroddeld over die vriendin die ‘m zomaar gesmeerd is. Haar gedrag wordt hartstochtelijk afgewezen, „maar niet omdat het een zonde is. Omdat er misschien hierbuiten ook niks is”. Die gesprekjes zijn superieur geschreven. Het zijn praatjes van niks en praatjes over alles, en ze zijn ook nog eens niet vies van de openhartige allure die zestig jaar later de tv-serie Sex and the City zo goed maakte.
Het lot van de deze jonge vrouwen ligt besloten in de titel Niemand kan terug. Ze waagden de sprong naar zelfstandigheid. Die was voorlopig maar niet terug te draaien en dat zal ze berouwen. Welke vrouw vergeeft hen dat „wij de sleutel van onze eigen kamer hebben gehad”? Welke man vertrouwt een echtgenote die „net zo veel weet” als hij? En die knusse vrouwenvriendschap? Ze hebben het klooster nog niet verlaten of ze zijn elkaar vreemd: „het woord ‘vriendinnen’ is hierbinnen ook maar een zegswijze”.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC