Home

Hoe word je een culturele Rijzende Ster? ‘Vergeet niet wat je in huis hebt’ en ‘heb geduld, durf af te wijken’

Rijzende sterren Wat zijn de geijkte routes naar succes in de cultuur? Welke opleidingen moet je doen? Welke prijzen moet je winnen? „Mijn belangrijkste tip is: zorg dat je te allen tijde je spelplezier behoudt.”

Beeldende kunst: ‘Doorbraak begint met zichtbaarheid’

Zeker, het droomtraject kán plaatsvinden, vertelt María Virto Marcilla, directeur development aan de Rijksakademie: een beginnend kunstenaar doet eindexamen, een invloedrijk galeriehouder geeft hem een expositie, er volgt een aanmoedigingsprijs, een aankoop door een museumcollectie, een eerste solo-expositie, de Biënnale van Venetië, en dan: wereldroem.

Maar helaas, zegt Virto Marcilla, voor een groot deel is dit scenario „vooral romantiek”. Sterker nog, vult Eelco van der Lingen, de afgelopen zes jaar directeur van het Mondriaan Fonds en vanaf 1 februari directeur van het Fries Museum aan, je kan er beter van uitgaan dat dit scenario níet plaatsvindt. Zijn raad: wacht niet tot je ontdekt wordt, begin zelf, stel het eigen ondernemerschap voorop. Een kunstenaar die doorbreekt is volgens hem – afgezien van de noodzakelijke kwaliteit van het werk – meestal iemand „die goed is in het duidelijk naar voren brengen van zijn eigen verhaal”. En nee, dat betekent niet per se een heel sociaal persoon, of uiterst bedreven zijn op sociale media – al is het belang ervan wel toegenomen.

Want: zichtbaarheid is cruciaal om dat eigen verhaal over te kunnen brengen, zegt Van der Lingen. En hiervoor heb je een podium nodig. Van der Lingen noemt kunstenaar Mark Manders, inmiddels wereldberoemd: die is „niet zo communicatief, maar wel iemand met een duidelijk verhaal”. Mark Manders werd in 2013 uitgekozen voor de Biënnale van Venetië, daar kwam een MoMa-conservator en zo begon Manders’ internationale carrière.

Het Mondriaan Fonds organiseert meerdere van deze podia voor de zichtbaarheid: het is verantwoordelijk voor de selectie van de Biënnale, van de Prix de Rome – de prijs voor een vernieuwende bijdrage aan de kunst –, én heeft een startsubsidie voor beginnend kunstenaars, Kunstenaar Start, en de bijbehorende jaarlijkse tentoonstelling Prospects (dit jaar van 27 t/m 29 maart tijdens Art Rotterdam). In maart 2026 komt het Mondriaan Fonds met de resultaten van een onderzoek naar het effect van Start en Prospects. De meeste deelnemers blijken hiervan voordeel te hebben gehad, zegt Van der Lingen. Prospects, de Prix de Rome, de Biënnale: het zijn plekken waarop een „concentratie van nieuw talent” is te zien, en dus ook bezocht worden door galeriehouders en conservatoren.

Afdeling Prospects op Art Rotterdam met werk van ontvangers van ondersteuning door het Mondriaanfonds in 2023.

Maar toch, benadrukt Van der Lingen, zijn deze podia van het Fonds weliswaar van belang, maar níet cruciaal, want er is niet één route van een doorbraak. Ook bij de subsidieregeling kunstenaar Start, die een kunstenaar zelf kan aanvragen, is het criterium uiteindelijk het eigen initiatief, het culturele ondernemerschap. Vroeger móest je afgestudeerd zijn aan een kunstacademie, maar die eis is „in het kader van toegankelijkheid” losgelaten. Nu gaat het erom wat een kunstenaar in één tot vier jaar arbeidspraktijk gedaan heeft. Ook hier gaat het dus om „zichtbaarheid als kunstenaar”.

Al kan die zichtbaarheid natuurlijk wel weer toenemen, als een prestigieus instituut het eerste podium is. De Rijksakademie – een tweejarige residency waar getalenteerde kunstenaars met drie jaar ervaring zich verder kunnen ontwikkelen – is weliswaar „niet bedoeld om door te breken, maar om in rust te kunnen werken”, zegt María Virto Marcilla. Maar: van de 1.500 alumni is 85 procent nog steeds werkzaam als kunstenaar.

Merlijn Schoonenboom

Klassiek: ‘Weet wat je te bieden hebt’

Het liefst al op je vierde een toonladder kunnen spelen, spelenderwijs geïnspireerd worden door een geweldige docent, vooropleiding conservatorium, conservatorium bachelor en master, misschien ondertussen wel spelen in een jeugdorkest of een conservatoriumensemble en zo snel mogelijk meedoen aan regionale en landelijke talentenwedstrijd en nationale en internationale concoursen. Dat is wel zo’n beetje het ideale pad van een klassiek talent.

Goed hebben leren spelen op je instrument, is niet genoeg, ziet Cécile Gouder de Beauregard. Ze coördineert Dutch Classical Talent, een jaarlijkse wedstrijd voor klassiek talent dat op z’n minst een conservatoriummaster doet of heeft afgerond, en waaraan vóór de finale een tournee door Nederland hangt. „Echte klassieke talenten zijn zo één met hun instrument, dat ze je onontkoombaar direct vangen op het podium. Dat kun je niet helemaal leren, dat moet een beetje aangeboren zijn.” Hans Eijsackers, liedpianist en artistiek directeur van het Studenten LiedDuo Concours in Groningen beaamt dat: „Of het nou gaat over talent van vijf of van vijfentwintig: er bestaat een basisgevoel van wat een mooie klank is, en of iemand dat gevoel heeft merk je bijna meteen.”

Daarnaast zit talent volgens Gouder de Beauregard ook in de vaardigheid om een goed programma samen te stellen; geen sinecure. „Je ziet dat talenten die zelf ook vaak naar concerten gaan om musici en hun publiek te bestuderen, daar beter in zijn.” Eijsackers gaat nog verder: een talent dat het wil maken verdiept zich ook in andere kunstvormen: opera, beeldende kunst, literatuur, film. „Je moet als talent bezeten zijn van de droom om muziek te maken en er tegelijk vanuit gaan dat niemand op je zit te wachten. Voor jou tien anderen. Tenzij je als talent zelf precies weet wat je te bieden hebt.”

„Persoonlijk leiderschap” noemt Cécile Rongen dat. Ze is hoofd van de afdeling klassieke muziek van het conservatorium van Utrecht, waar zulke „motivatie en zelfkennis in wat je al wel en nog niet kan” geen randvoorwaarde is bij de selectie van aspirant-masterstudenten, maar een beginsel. Talenten zonder zelfkennis kunnen de bachelor wel binnenkomen, maar dan moet het conservatorium zien dat er op dat vlak potentie is, zegt Rongen. „Die gaan we in het studieprogramma helemaal begeleiden en triggeren om steeds te blijven zoeken naar wie ze willen zijn.” Toch ziet ze de meeste talenten al met een duidelijk idee binnenkomen.

En als je dat allemaal kan afvinken? Dan moet je ook nog een goed netwerk hebben en ondernemend zijn, zegt Gouder de Beauregard. Instituten als Dutch Classical Talent helpen talenten aan contact met zalen, regisseurs en technici. „Dan is het aan het talent om dat contact te onderhouden.” Gouder de Beauregard is ook programmeur van TivoliVredenburg. „Sommige finalisten blijven naderhand programmavoorstellen sturen. Dat maakt de kans op doorbreken groter. Van sommigen hoor ik nooit meer wat.”

Dat is trouwens niet per se erg, zegt Gouder de Beauregard ook: „Niet elk talent wíl een grote solocarrière. Sommigen gaan voor een goede orkestbaan of de lespraktijk.” En ja, dan is er ook nog een buitencategorie. „Heel soms zijn er talenten die zó goed zijn, die hoeven alleen maar bij een belangrijk management te belanden. Die komen er ook.”

Rahul Gandolahage

Film: ‘Hou je ogen en je oren open, blijf lezen en leren. Er is niet één manier’

„Hoe je doorbreekt in de Nederlandse film?! Eigenlijk is dat een hilarische vraag”, zegt casting director Marina Wijn aan de telefoon. „Laatst waren regisseur Mike van Diem en ik gast bij de Limburgse talenthub Cinesud en toen vroegen we ons grappend af of we in Nederland überhaupt wel filmsterren hebben. Mijn belangrijkste tip is: zorg dat je te allen tijde je spelplezier behoudt, dat je altijd goed voorbereid bent en dat je vindbaar bent.”

„En je moet ook een beetje talent hebben natuurlijk”, vervolgt ze. „Joes Brauers die nu ‘Shooting Star’ is op het filmfestival van Berlijn is een goed voorbeeld van iemand die echt zijn hele leven wijdt aan spelen. Er was een rol waarvoor de regisseur eigenlijk iemand anders wilde hebben, en hij hem toch gekregen heeft, simpelweg omdat hij het beste was voorbereid. Je moet niet alleen in staat zijn om een script te doorgronden, maar ook zoals hij de moed hebben om alles uit jezelf te halen wat een personage zou moeten kunnen vertolken.”

Koen de Rooij is programmeur bij het IFFR en voortdurend op zoek naar onbekend talent. Ook hij beklemtoont werkethiek. „Er zijn veel verschillende trajecten om uiteindelijk op een A-festival te komen – en het is ook niet voor iedereen weggelegd. De concurrentie is absurd groot. We hebben dit jaar bijvoorbeeld een kortfilm van een Russische filmmaker die aan de KBK in Den Haag studeert en die haar film in een galerie vertoonde en daar via sociale media promotie voor maakte. Dat is mijn tip: organiseer je eigen event. Zet niet al je kaarten op een A-festival.”

Zelf brak hij al door als programmeur toen hij nog zijn tweede master aan het voltooien was. Een kwestie van filmliefde en doorzettingsvermogen, denkt hij achteraf: „Mijn doel was eigenlijk academicus worden, maar als je investeert in een brede horizon kan het leven je altijd nog verrassen.”

Dat beaamt ook Deniz Arikan, wiens eerste korte film Not Built to Last dit jaar te zien is op het IFFR. Een filosofische stadswandeling vormt de achtergrond voor een subtiele gay romance. „Mijn advies aan mijn jongere zelf zou zijn, hou je ogen en je oren open, blijf lezen en leren. Er is niet één manier. Ik had bijvoorbeeld helemaal geen netwerk.”

De in Istanbul opgeleide architect kwam acht jaar geleden naar Nederland om te werken voor bureaus als KAAN Architecten, OMA en Space&Matter. Maar film was een oude liefde. „Toen won ik een scriptwedstrijd van de Roze Filmdagen, een lhbtiq+-filmfestival in Amsterdam, en had ik een startkapitaaltje. Maar geen netwerk. Zij brachten mij in contact met de Buddy Film Foundation en die hebben me toen verder op weg geholpen. Dat ik geen netwerk had bleek helemaal niet zo’n dealbreaker dus. Je weet nooit waar je kans vandaan komt.”

Dewi Reijs is een van de oprichters van de Buddy Film Foundation, een organisatie voor gevluchte filmmakers, met z’n eigen casting- en productieafdeling. Ze koppelen al bijna tien jaar nieuwkomers aan ervaren makers, en kregen zelf een boost toen hun jeugdserie ‘Ik ben nieuw, maar niet alleen’ vorig jaar werd genomineerd voor een Gouden Televizier-Ring Jeugd: „Het is voor in Nederland geboren makers al moeilijk, laat staan voor iemand met een vluchtelingenachtergrond. Er is soms een taalprobleem, of een cultuurverschil. Of trauma, dan is iemand helemaal niet lastig, maar beschadigd, omdat iemand een familielid heeft verloren op zee. Dus dan heb je meer tijd, geduld en doorzettingsvermogen nodig.” Ook opvallend: „Fondsen die willen dat het schuurt, andere verteltradities niet herkennen, of niets van magisch-realisme snappen.” Haar tip: „Geduld hebben en durven afwijken.”

Dana Linssen

Pop: een liedje kan nu viraal gaan, los van radio of live optredens

De route naar een carrière als popartiest in Nederland loopt bijna nooit recht. Het is meer een hinkelspel. Een sprong vooruit, een misstap opzij, soms weer terug naar af. Twijfelen, wiebelen op een been. Talent plus doorzettingsvermogen. En soms komt alles ineens op het juiste moment samen. Een laptop op bed, eenvoudige opnameapparatuur, een microfoon op een stapel boeken. Vaak is dit een eerste tastbare stap, het opnemen van een demo – je sound vast leggen en laten horen wie je bent als artiest. Muzieklessen hielpen je al je talent vorm te geven: zang, gitaar, songwritingcursussen. Liedjes schrijven is schrappen. Het is leren hoe je iets afmaakt. En vooral, is die melodie een vondst of een kopie?

Voor wie verder wil, lonkt het formele onderwijs. In Nederland bestaan opleidingen als de Rockacademie in Tilburg, de Herman Brood Academie in Utrecht en verschillende conservatoria met een popafdeling. Deze opleidingen zijn selectief en praktijkgericht. Studenten werken er aan hun artistieke identiteit, schrijven eigen repertoire en bouwen een netwerk op binnen de muziekindustrie.

Buiten de schoolbanken speelt het livecircuit een grote rol. Kleine zalen, cafés, podia waar het publiek soms meer praat dan luistert. En toch: daar gebeurt het. De Popronde is voor veel beginnende acts een kantelpunt. De daarvoor geselecteerde artiesten spelen in dertig steden, dat betekent: dertig keer jezelf bewijzen. Staat er toch ineens iemand in de zaal met zijn armen over elkaar: een programmeur, een boeker, of een a&r-manager (artist & repertoire), de talentenscout van de platenmaatschappijen. Iemand zei: die moet je even zien.

Tegelijkertijd groeit een hele generatie artiesten buiten dat circuit om op. Dankzij streamingdiensten en digitale distributie is het mogelijk om zonder label singles of EP’s te publiceren. Dat vraagt ondernemerschap: zelf promotie doen, optredens regelen en een fanbase opbouwen. Ook dat trekt soms interesse van een label.

Een artiest als Joost Klein bouwde zijn publiek op zijn eigen manier, met muziek en video’s die hij online zelf de wereld in slingerde. Geen traditioneel stappenplan, wel een sterke eigen stijl en een directe lijn naar fans. Zijn succes laat zien dat controle houden over je verhaal soms net zo krachtig is als gesteund worden door een grote organisatie.

En dan is er natuurlijk de wildcard TikTok. Sociale media, en vooral TikTok, hebben de manier waarop muziek ontdekt wordt veranderd. Een liedje kan daar viraal gaan, los van radio of liveoptredens.

Het studentenlied ‘Lotje’ werd zo een nationaal fenomeen, nadat een videootje van artiest Snelle het nummer onder de aandacht bracht. Of neem ‘Echte Liefde is Te Koop’ van de jonge volkspopzanger Samuel Welten. Een onzichtbaar algoritme dat zijn werk deed, en duizenden mensen die bleven hangen en besloten: dit liedje laten we niet meer los.

Amanda Kuyper

NRC PresenteertDe rijzende sterren van 2026

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next