De artistieke vrijheid loopt gevaar in Nederland. Om kunstenaars beter te beschermen, is daarom snel uitbreiding van de wet nodig, stelt de Raad voor Cultuur. Politici moeten zich niet inhoudelijk met kunst kunnen bemoeien, zoals nu bijvoorbeeld gebeurt in de Verenigde Staten.
is kunstverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over kunstpolitiek en subsidiebeleid.
Met dat opzienbarende advies komt dinsdag de Raad voor Cultuur, het onafhankelijke, officiële adviesorgaan van het kabinet voor cultuurbeleid. Het is een teken des tijds, waarin de opkomst van populistische partijen en grillige politieke verhoudingen de toekomst van allerlei vrijheden ook in Europese landen minder zeker maakt.
Politici hebben in Nederland niets te zeggen over welke schilderijen een museum aan de muur hangt, of welke toneelstukken een theatergezelschap op het repertoire neemt. In de Haagse politiek geldt sinds de 19de eeuw de afspraak dat ministers en Kamerleden zich bij het verdelen van cultuur- en erfgoedsubsidies geen oordeel aanmeten over wat goede en slechte kunst is. Dat laten ze over aan onafhankelijke fondsen en adviseurs.
Maar dit zogeheten ‘Thorbecke-adagium’ voldoet na 150 jaar niet meer als een ‘rode lijn’, schrijft de raad in het rapport Maken (z)onder druk. ‘Het adagium is immers geen wet en heeft geen wettelijk kader. Dat maakt de afspraak zacht, en dat brengt risico’s met zich mee.’
De artistieke vrijheid is volgens de Raad voor Cultuur essentieel voor een ‘goed functionerende democratie’, net als de wetenschappelijke en journalistieke vrijheid. Het zijn domeinen waar meningen en perspectieven ‘vrijelijk geuit kunnen worden, kunnen botsen en tegen elkaar kunnen worden afgewogen’.
De druk op de kunsten komt vooralsnog alleen vanuit de samenleving, schrijft de raad. De eerste signalen komen van scholen, waar met name ouders maatschappelijke thema’s als racisme of homoseksualiteit buiten de deur willen houden. Jeugdtheatergroepen zijn niet meer met al hun voorstellingen welkom. Bibliotheken zien dat ouders actief de collecties van schoolbibliotheken ‘opschonen’ door bezwaar te maken tegen boeken over onwelgevallige onderwerpen.
Het zijn meer dan incidenten, schrijft de raad, die een jaar onderzoek deed en tientallen kunstenaars en bestuurders sprak. Zij merken dat het publiek hen steeds dwingender aanspreekt op de toelaatbaarheid van hun werk of programmering. De boycotcampagnes over optredens van Israëlische of Russische artiesten in het licht van de oorlogen in Gaza en Oekraïne zijn daar een voorbeeld van.
De raad had het na deze conclusie kunnen laten bij een oproep aan het kabinet en gemeenten om er een schep bovenop te doen bij het beschermen van de artistieke vrijheid. Onder de aanbevelingen zit ook het verbeteren van de veiligheid van kunstenaars en instellingen, en het verbinden van kunstonderwijs aan burgerschapsonderwijs om kinderen van jongs af aan te leren wat de rol van cultuur is.
Maar onder verwijzing naar de VS gaat de raad een stap verder door aan te dringen op wetsuitbreiding. Het kan snel gaan: niemand had verwacht dat president Donald Trump een paar weken na zijn aantreden al de macht naar zich toe zou trekken van het Kennedy Center in Washington, het nationale centrum voor de podiumkunsten.
Ook in EU-lidstaten Hongarije en Slowakije zijn al ongeschreven regels gebroken, toen regeringen hard ingrepen bij culturele instellingen die ze te ‘activistisch’ of ‘woke’ vonden. In de Tweede Kamer hebben partijen als de PVV en FVD in het verleden ministers in die geest gemaand actie te ondernemen. Bewindslieden hebben dat tot nog toe steeds naast zich neergelegd.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant