Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Marinde van Haren (62) moest bemiddelen tussen orthodox christelijke mensen wiens dochter was vermoord, en het homoseksuele pleegouderpaar van hun kleinkind.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Een jonge vrouw was door haar partner vermoord. Ze had een vreselijk leven gehad, nadat zij als puber haar ouderlijk huis had ingeruild voor ‘het grote avontuur’. In haar huis waren geen meubels, nauwelijks kleren, ze leefden op beton. Een kinderrechter had al eerder haar twee kinderen uit huis geplaatst. De oudste van 5 jaar zat in een pleeggezin bij twee ouders met eigen kinderen, de 3-jarige jongste was toegewezen aan een homoseksueel, kinderloos stel.
‘Mijn collega Arjan en ik moesten als familierechercheurs de ouders van die vermoorde vrouw gaan inlichten. Die hadden, tot hun grote verdriet, al tien jaar geen contact meer met hun dochter. Een jaar of vijf na haar verdwijning stond ze ineens voor de deur: ‘Ik heb een baby gekregen.’ Enkele minuten later ging een claxon, en weg was ze. Een jaar later, na haar tweede baby, deed ze alleen een geboortekaartje door de brievenbus van haar ouders. Die wisten niet waar ze woonde, wat ze deed, hoe die gozer van haar heette, hoe ze aan geld kwamen, helemaal niks.
‘Toen we de formeel aangestelde voogd van haar kindjes informeerden over de moord, zei die: ‘Haar ouders zijn strenggelovig. Dat wordt wat, als jullie gaan vertellen dat hun kleinkind door twee homomannen wordt opgevoed. Succes ermee.’
‘We belden bij haar ouders aan en merkten al snel dat dit gezin vanuit een christelijke grondslag leefde. Moeder in een lange, zwarte rok, die afwachtte terwijl vader het woord voerde. Ze waren totaal overvallen. Je moet je voorstellen: je hebt al tien jaar geen contact meer met je dochter, er zijn twee kleinkinderen die je nooit hebt gezien, je bent al door een rouwproces heen, en ineens, dingdong, staan wij daar: ‘Het spijt ons te moeten meedelen dat uw dochter door een misdrijf om het leven is gekomen. Kunt u de uitvaart regelen?’
‘Natúúrlijk vonden ze dat een moeilijke vraag. ‘Laat het maar even bezinken’, zeiden wij. ‘We komen morgen terug.’
‘De volgende dag zat de complete familie in de woonkamer, een groot gezin met veel, inmiddels volwassen, kinderen. Er hing een liefdevolle sfeer, ze troostten en steunden elkaar. De ouders zeiden: ‘Ook al heeft onze dochter keuzes gemaakt waar wij niet achter staan, als wij het regelen van de uitvaart nog voor haar kunnen doen, dan doen we dat.’
‘Diezelfde middag zagen zij hun verloren dochter voor het eerst terug, in een mortuarium. Nadat het hele gezin binnen was, liepen eerst vader en moeder naar de baar, daarna volgde de rest. Vader bad voor zijn dochter, wier leven zo moeilijk was geweest. De manier waarop dit gezin hun dochter weer opnam in de gezinsschoot, zo liefdevol, zo oordeelloos, in zo’n zachtheid en met zo veel verdriet om wat zij had moeten doorstaan – het ontroert me nu weer.
‘De volgende dag gingen we met ze overleggen hoe de kindertjes afscheid konden nemen van hun moeder, samen met hun pleegouders. Daarbij zeiden wij: ‘Jullie jongste kleinkind is geplaatst bij twee mannen die een relatie hebben.’ De christelijke ouders reageerden meteen: ‘Wat fijn dat zij dat doen.’ Ook weer zonder oordeel, ze wilden de pleegouders graag ontmoeten.
‘Wij waren opgelucht, alles ging veel makkelijker dan voorzien. Later zei ik tegen de grootouders dat wij de begeleiding best spannend vonden, omdat zij en de pleegouders in zulke uiteenlopende werelden leefden. Daarop antwoordde de opa: ‘Voor God zijn we allemaal gelijk.’
‘Dit verhaal leert dat je nooit te snel moet oordelen. Deze mensen leefden vanuit de leidraad ‘heb uw naasten lief’. Dit gedrag is tot op de dag van vandaag voor mij een prachtig voorbeeld van ultiem respect voor andersdenkenden.
‘We regelden dat de pleegouders met de kinderen afscheid konden nemen in het uitvaartcentrum bij de halfopen kist. De uitvaartondernemer, ook orthodox christelijk, werd daar zenuwachtig van, want de kinderen hadden tekeningen en zelfgeplukte bloemetjes meegebracht. Dat was daar allemaal ongebruikelijk, maar ik zei: ‘U ziet maar wat u er straks mee doet, maar de kinderen laten hun spullen hier achter, in en op de kist.’
‘De uitvaart zelf vond ik zwaarmoedig. De dominee preekte dat als je je niet gedraagt naar de tien geboden, je het hiernamaals moet vrezen. Arjan en ik zaten onopvallend achterin. De ouders hadden toegestaan dat ik foto’s maakte voor als hun kleinkinderen daar later behoefte aan zouden krijgen.
‘Na een jaar kregen Arjan en ik een foto toegestuurd van de hele familie, inclusief de pleegouders en de kleinkinderen, bij het graf van de moeder op haar sterfdag. Op de zwarte zerk zat het oudste kleinkind in een leren jack met een grote zonnebril op, uitdagend stoer en kwetsbaar tegelijk. Twee verschillende werelden in één beeld gevangen. Was iedereen maar zo oordeelloos, dan zou ons politiewerk veel makkelijker zijn.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant