Home

Af en toe ontsnap ik naar het toilet om mijn beker bier leeg te gooien en met water te vullen

Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

‘Jij bent de nieges.’ Voor me staan twee mannen. De een heeft kort grijs haar en grauw gezicht, hij ruikt naar sigaretten en bier. De ander is een fitte Molukse kerel met gemillimeterd haar en een leren jack. We staan in de nok van het stadion, die ook wel ‘Het Kantoor’ genoemd wordt. De grijze betonnen vloer onder ons is bezaaid met lege plastic bierbekers. De weeïge geur van teleurstelling hangt in de lucht. De scheidsrechter heeft net afgefloten.

‘De nieges, Sjeek’, zegt de man met het leren jack. Hij ziet eruit als iemand die bokslessen geeft. Dat doet hij ook, want zo heb ik hem leren kennen. Sjeek is kort voor Sjeekspier en dat is uiteraard een verwijzing naar mijn beroep als schrijver. Of een verwijzing naar een penis, de zogenaamde shake-spier.

‘Ik neem je nooit meer mee.’

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Hij had me al gewaarschuwd, toen we naar het stadion liepen. Bij slecht resultaat zou ik nooit meer mee mogen. Komt wel goed, dacht ik. De laatste paar keer dat ik naar het stadion ging, werd er alleen maar gewonnen. Het begin is ook uitstekend. Binnen een half uur staat het al 2-0. Niet dat we daar iets van meekrijgen, want dan staan we nog met een groep buiten het stadion blikjes bier te drinken. ‘We gaan pas naar binnen als het allemaal op is.’ Zo doen ze dat altijd. En als ze dan eenmaal binnen zijn, gefouilleerd door de stewards en met de lift naar Het Kantoor, krijgen ze nog steeds maar weinig van de wedstrijd mee.

Er wordt gepraat, gelachen en aan een stuk door gedronken. Ik kan het niet bijbenen en ontsnap af en toe naar het toilet om mijn beker bier leeg te gooien en met water te vullen.

Ze komen niet voor het voetbal. Ze komen voor elkaar. Al een jaar of veertig. De wedstrijden zijn een excuus om eens per twee weken samen te komen. ‘Als een van onze ouders doodgaat, staat er zeventig man op de begrafenis.’ Ooit gingen ze als tieners naar het stadion, nu hebben ze hun eigen zoons en dochters mee.

Dat vind ik heel mooi, maar wat ik ook heel mooi vind, is voetbalwedstrijden daadwerkelijk zien gebeuren. Dus ik scheid me af van de groep, loop een paar passen naar de tribune en zie over de schouders van andere toeschouwers hoe het eerst 2-1 en daarna 2-2 wordt. Het bier smaakt naar pis. Misschien is het ook gewoon wel pis.

Als het laatste fluitsignaal heeft geklonken draai ik me om en voeg ik me bij de kantoorklerken. ‘Jij bent de nieges’, zeggen ze. Ja. Ik ben de nieges. De nieges, dat ben ik.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next