Het miezerde en was koud. Sneeuw en regendruppels werden ijs, de straten waren glad. Ik was mijn handschoenen vergeten en hield mijn handen diep in de zakken van mijn jas verborgen. Ik speelde piano op mijn vingers, ‘Für Elise’. Een tic uit mijn kindertijd, sinds kort weer opgevlamd.
Vandaag was ik wakker geworden, had in bed de krant gelezen en was daarna door schrille angst overmeesterd. Niet omdat ik iets nieuws had gelezen, maar omdat er, precies deze ochtend, collectief besloten leek dat er geen plek meer is voor relativering met betrekking tot de stormen in de wereld. We roepen natuurlijk al tien jaar dat we in een spiraal terecht zijn gekomen, maar voor het eerst voelen we de G-krachten in die neerwaartse tocht.
Je zal maar in je gezicht geschoten worden, dacht ik. Tik tik tik, twee handen speelden diep in mijn zakken nu het thema van de ‘Turkse Mars’. Ik gleed weg over een kinderkopje, vond weer houvast. Zou JD Vance de ergste zijn? ‘Eerste Gymnopédie’, traag nu. Ik drukte een middelvinger hard in de muis van mijn hand.
Even verderop stond een kleine menigte mensen stil. Ze keken ergens naar. Ik probeerde me door de groep heen te wurmen, tot ik zag waar ze naar keken. Een tengere vrouw in een duffeljas, met bergschoenen aan haar voeten. Ze had lange zwarte krullen en helderblauwe ogen. Haar gezicht was onwaarschijnlijk mooi. Een smalle, rechte neus, een gewelfde mond en jukbeenderen als kliffen. Ze zat kalm op een ouderwetse speaker, met een roos tussen haar tanden, een plastic tas aan haar voeten en keek onverschrokken om zich heen. Ik bleef staan en stopte met mijn pianogefriemel. Het thema van The Godfather zwol plots aan vanonder haar. Ze kwam overeind, gaf een vrouw uit het publiek de roos en gebaarde of ze haar man, een jongen nog, mocht lenen. Het mocht. De jongen, verlegen, ging op de speakerplek zitten.
En daar ging ze. Straattheater, zo oud als de mensheid. Evergreens, een clownsneus, pruiken, grapjes. Uit de plastic zak haalde ze steeds weer nieuwe rekwisieten. Ze vroeg een vrouw uit het publiek met haar te dansen, veranderde in een kat, veranderde in een oude man, trok een witte jurk over haar kleding aan, ging trouwen met de jongen die op de speaker zat. Ze liet hem na een lange bruidswals gaan, kreeg een man die een hotdog at in haar vizier en imiteerde hem feilloos.
Er was niets uitzonderlijks aan de inhoud van haar optreden, maar alles aan haar was dat wel. Hoe ze bewoog, zo zeker, met die krullen, dat soepele lijf en die priemende ogen. Om haar mond was het vlekkerig roze, alsof ze net uitgebreid gezoend had. Ze droeg geen handschoenen, want dat hoeft niet als je zoveel beweegt. Lange vingers, één zilveren ring.
Ik bleef, ook toen bijna al het publiek weg was. Ze rondde af, stopte haar spullen terug in de plastic tas en liep af. In haar loop gaf ze de volgende artiest, een vuurspuwer, een high five. Kennelijk deelden ze de speaker. Daarna ging ze in een portiek staan, tot aan haar kin in haar jas gedoken. Van daaruit keek ze onbewogen naar de strapatsen van haar collega. Ik haalde mijn handen uit mijn zakken, liet ze werkeloos bungelen.
Kon ik maar haar clownsneus zijn, dacht ik, en liep door. Ik stopte mijn handen in mijn zakken. De ‘Badenweiler Marsch’ zwol alweer aan.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC