Home

Ik een midlifecrisis? Nee, die hebben alleen anderen

Ouder worden ‘Oud’ zit vooral in je hoofd, maar het wordt wel steeds ongeloofwaardiger om te doen alsof het ware leven nog gaat beginnen, vindt Christiaan Weijts bij zijn eigen vijftigste verjaardag. ,,Vanaf nu is het menens.’’

 

De middelste dag van mijn leven was 3 augustus 2016. Althans, volgens de statistieken, die beweren dat de levensverwachting voor Nederlandse mannen 80,5 jaar is. Het midden is een kruispunt zonder stoplichten of haaientanden. Een doodgewone woensdag in de zomer. Het enige wat ik blijk te hebben gefotografeerd zijn artikelnummers voor het zelfbedieningsmagazijn van IKEA. Dat is wat je doet als je midden in het leven staat. Een logeerbed kopen. Het staat achter mij in deze werkkamer.

De opwelling om dit hypothetische middelpunt te lokaliseren kreeg ik rond de jaarwisseling. Zulke overgangen hebben altijd een raar soort dubbelperspectief van terug- en vooruitblikken, maar nu, bij het kalenderjaar waarin ik vijftig word, was het nog wat sterker. Gelukkig hoort het zo. Op ‘middelbare leeftijd’ leef je in een „tegelijkertijd retrospectieve en prospectieve modus”, lees ik in In het midden van het leven (2025), waarin de Zwitserse filosofe Barbara Bleisch deze levensfase onderzoekt.

Het onderste glas van de zandloper is halfvol, het bovenste halfleeg. „Die nachtmerrie van boven de vijftig zijn”, noteerde Simone de Beauvoir in haar dagboek. „Opeens staar je de vijftig aan”, schreef Hilary Mantel verschrikt in haar autobiografie. „Als je je omdraait en kijkt naar de jaren die achter je liggen, ontwaar je de geesten van andere levens die je had kunnen leiden.”  

Dat ik niets van dat alles ervaar – dat ik hooguit op een melige manier verbijsterd ben over het bestaan van een 50-plus-partij, van een seniorentijdschrift met die doelgroep, van Abrahampoppen, van die SIRE-campagne, afgelopen zomer, tegen vooroordelen over vijftigplussers – bewijst dat niet juist hoe hardnekkig ik het getal wegdruk? Dat het moment nabij is van de aanschaf van een glimmende Ducati waarmee ik van mijn eigen sterfelijkheid weg scheur met een piepjong ding achterop?

Vanuit het einde

Tijdens mijn laatste jaarwisseling als veertiger herinnerde ik me ook een eindejaarsbijeenkomst van zeventien jaar geleden. Ik was net in Den Haag gaan samenwonen, en in de Kloosterkerk, aan het Lange Voorhout, was een cantatedienst. In de kou, bij harsachtige wierookgeur, schoven we aan op de harde bankjes, mijn vriendin en ik. Een dag eerder hadden we ontdekt dat zij zwanger was. We hadden het blijde nieuws net gedeeld met haar vader. Hoewel geen van ons tweeën religieus was, vonden we dit een passende manier om het te vieren.

Beatrix – toen nog koningin – schoof onopvallend aan (gefluister, kerkgangers die elkaar aanstootten), en daar begon het. Wij kwamen louter voor de muziek van Bach. De stichtelijke woorden tussendoor namen we voor lief. De prediker van dienst had erg zijn best gedaan om zijn verhaal netjes te schikken naar het eindejaarsthema. Hij kwam steeds terug op deze formule: „Je moet het leven vormgeven vanuit het einde.”

Wij gniffelden, probeerden elkaar niet aan te kijken om te voorkomen dat we in de lach zouden schieten. Wij stonden exact aan de andere kant, die van het nieuwe begin, de jeugdige overmoed enzovoorts. We hadden lak aan het einde.

Nog steeds ben ik sceptisch als ik berichten tegenkom als ‘zeven dingen die mensen het meeste betreuren op hun sterfbed’. Toch is het die ene zin die ik heb onthouden en die steeds terugkeert. Aan het sterfbed van diezelfde schoonvader. Bij een uitvaart van een jong meisje in deze zelfde kerk. Maar ook bij minder hartverscheurende gebeurtenissen, zoals de afgelopen jaarwisseling, en bij dat getal 50, dat als een ongenodigde feestganger mijn kamer binnen komt banjeren.

Vanaf het logeerbed – languit, vuile schoenen nog aan – roept hij me toe dat ik iets moet doen. Me zorgen maken. Een crisis beleven. De balans opmaken. De ‘tweede helft’ van mijn leven gaan inrichten. „Vanuit het einde!”

Hoe had je je dat voorgesteld, vriend? Mij verbeelden dat ik een reutelaar ben op een toekomstig IKEA-bed, en me dan ook nog eens voorstellen dat ik terugkijk op wat ik nog ga meemaken? Dat is even acrobatisch als achteruitrijden over de snelweg terwijl je navigeert via je zijspiegels.

Het idee dat je vanuit een slotakkoord zou moeten leven vind ik haast onbetamelijk. Alsof het leven een door plot gedreven verhaal is dat toewerkt naar een ontknoping. De dubieuze implicatie van die preek is dat het heden instrumenteel is. Dat je de projectleider moet worden van je eigen leven, en dit zodanig benut dat het later goed uitpakt: hecht sociaal netwerk op je oude dag, royale overwaarde op je hypotheek, eersterangsplekje in het hiernamaals. Alsof er geen ziekte, ongeluk en ander toeval is. Alsof totaal onverwachte wendingen en ontmoetingen voor ons leven niet juist vaak het beste blijken.

Vers Gen Z-vlees

‘Het beste’: ook al zo’n gegijzelde term. O ja, er zijn bibliotheekzalen vol wetenschappelijk onderzoek naar de ‘beste jaren’. Er is de befaamde U-curve, waarin beginnende twintigers hun geluk niet op kunnen, waarna ze al gauw het jarenlange dal in tuimelen van carrière, kinderen en stress, waar ze pas uit krabbelen rond hun pensioen.

Of gaat die vlieger niet meer op? Jongeren zijn tegenwoordig ongelukkiger. En volgens de laatste wetenschappelijke inzichten piekt het menselijke brein juist tussen de 55 en de 60.

De ondertitel van Bleisch’ midlifecrisisboek luidt: Filosofie van de beste jaren. Je ervaart weliswaar niets meer voor het eerst – intens, overweldigend – maar juist door je rijping is er een ‘dedramatisering’. Je hebt een bepaalde positie verworven, bent op een ‘plateau’ beland, vanaf waar je je leven in beide richtingen kunt overzien en alles kunt relativeren. „Verwachten we tegenwoordig misschien te veel van de liefde, het werk en het leven in het algemeen?”, vraagt Bleisch. „Is ons eigen korte bestaan misschien minder pompeus, uitgestrekt en glamoureus dan we ons in jongere jaren hadden voorgesteld?”  

Bij het lezen van die passage drongen zich herinneringen op aan het Boekenbal van 2011. Harry Mulisch was niet meer. Het was het eerste Bal zonder afvaardiging van de Grote Drie. In het voorprogramma stond een soort nieuwe Grote Vier op de planken. Ernest van der Kwast, Gustaaf Peek, Esther Gerritsen en ik openden het Bal. Een wat arbitraire greep uit een grotere groep schrijvers die keer op keer in groepsportretten opdraafden om de rol te vertolken van nieuwe, veelbelovende generatie. We zouden eerst bij De Wereld Draait Door zitten, werden op het laatste moment afgebeld, en dronken onbekommerd backstage. Niemand had het idee ‘er al te zijn’. We laafden ons aan het verhaal van Het Grote Straks.

Inmiddels hebben wij allemaal met onze ogen geknipperd en zijn we plots ‘van middelbare leeftijd’. Of we de belofte waarmaakten, doet er hier even niet toe. Wat mij, terugkijkend, verbaast is het vaste verhaal over wanneer iets opkomt, piekt en eindigt. Na een paar boeken die onthaald waren met schouderklopjes behoorden we tot de categorie van de ‘belofte’. Het mediascript spiegelde ons voor dat onze ‘beste jaren’ ergens in de toekomst lagen.

Als we goed hadden geluisterd hadden we toen de zaag onder onze podiumplankjes al kunnen horen. Op datzelfde Boekenbal, ergens in de gangen van de Schouwburg, werd precies die nacht de kiem gelegd voor het tijdschrift Das Magazin en de latere uitgeverij Das Mag, waar zich een heel nieuwe schrijversgeneratie – broekies en snotneuzen van amper dertig – omheen ging groeperen. Inmiddels bereiken ook de millennials van Das Mag stilaan de middelbare leeftijd, en worden ze opgevolgd door een nieuwe lichting vers Gen Z-vlees.

Bij het laatste Boekenbal-voorprogramma had ik een stoel achter die van Gustaaf Peek. Ik tikte hem op de schouder. Het grote straks was veranderd in een terloops weet-je-nog.

Haarimplantaten

Die prediker in de Kloosterkerk wilde het leven ordenen vanuit het einde. Het Boekenbal bekeek alles vanuit het begin. Wetenschappers suggereren dat er ergens een optimum is, dat je absoluut niet mag mislopen, al twisten ze over de locatie ervan. Waren die beginjaren ongemerkt onze ‘beste jaren’ geweest, juist omdat we dachten dat ze nog moesten komen?

Dat geloof ik niet. Op de drempel naar de vijftig voel ik me juist fysiek en mentaal sterker dan toen (ik drink minder, tob minder, ben gaan hardlopen etc.), maar de opwinding, de overwinningsroes en het applaus zijn getemperd. Als die Beste Jaren al bestaan, ligt de piek voor alle verschillende gebieden van het leven elders, en is het ook nog eens sterk afhankelijk van persoonlijke omstandigheden.

Beste Jaren zijn een „illusie en idealisering”, stelde P.F. Thomése (1958) onlangs in de Volkskrant. Allemaal projectie, en iets uit het „lifestyle-jargon”. Inderdaad, het zinnigste wat je erover kunt zeggen is dat de Beste Jaren altijd elders zijn. Iemand met een onvervalste midlifecrisis zou zeggen dat de eerste helft de generale repetitie is waarvan je in de tweede helft inziet dat het de première zelf was.

Maar ik heb geen midlifecrisis. Alleen de anderen veranderen. Kinderen groeien, ouders krimpen. Zwagers beginnen aan het kerstdiner over haarimplantaten. Broers over 50+-supplementen. Neven over preventieve health-scans. Nichten over opvliegers, schoonzussen over hormoonpreparaten en nachtzweet.

Alleen de anderen veranderen. Rond mijn dertigste sloot ik een paar vriendschappen met vijftigers die nu ineens kwalen krijgen, terwijl die ontmoetingen toch echt pas eergisteren waren. En dan heb ik het alleen maar over degenen die er nog zijn.

Jezelf aankleden

Als je een levensloop dan per se zou willen opdelen in twee speelhelften, dan is de eerste die waarin jijzelf niet het meeste aan de bal bent. De buitenwereld domineert het spel. Er zijn mijlpalen: eindmusicals, examenfeesten, masterbullen. Eerste baan, boek, baby. Het voltrekt zich onder applaus. En het houdt je bezig. Je hoeft niet te veel stil te staan bij de zin van het leven als je luiers verschoont, opvoedt, van deadline naar deadline springt.

Het verwarrende van ‘midlife’ is niet dat je ouder wordt (dat, ik benadruk het nogmaals, gebeurt alleen bij anderen), maar dat het steeds ongeloofwaardiger is om te doen alsof het ware leven nog gaat beginnen. Dat het leven niet meer vanzelf gaat, maar iets van je vraagt.

Choreograaf Hans van Manen (1932-2025) stelde: „Vóór je vijftigste moet je er goed uitzien zónder kleren, na je vijftigste mét.” Ik neem aan dat hij dit heel letterlijk bedoelde, maar je kunt het ook overdrachtelijk zien. In de tweede helft moet je veel meer zelf vormgeven, initiëren. Daarvóór kon je nog denken dat er een betekenis was, een rol waarin je ‘helemaal op je plek’ bent, of iets anders dat je kunt ‘vinden’, als een sleutelbos die je kwijt was geraakt, maar na je vijftigste moet je jezelf aankleden, de betekenissen zelf máken.

Al het fictieve en potentiële valt weg: de vroegere levens die je níét geleefd hebt, maar ook die toekomstige ideale persoon die eindelijk alles goed maakt. Vanaf nu is het menens. Dat is niet zozeer leven ‘vanuit het einde’, maar vooral in het heden. Het gaat erom dat je leeft mét dat besef van het verglijden van de tijd. Dat is net iets anders.

Dat is bijvoorbeeld zien hoe de baby van de blijde verkondiging van kerstmis 2008 ineens aan het ontbijt verschijnt, ergens diep op Nieuwjaarsmiddag, met wat mede-zestienjarigen, die het logeerbed adequaat hadden gebruikt. Ze vroegen elkaar: „En? Wat is jullie bucketlist voor 2026?” Ach, de bucketlist. Dat aandoenlijke proclamatie-pamflet uit de eerste helft.

Waar het in de tweede om gaat? Deze zomer had ik het er met een buurman over. Hij kwam met zakken tuinaarde en planten voorbij. Hij ging een strook verwaarloosd snippergroen inrichten als collectief moestuintje. Hij zei: je kunt afwachten en zeggen dat ‘iemand’ er ‘eigenlijk’ iets aan moet doen, maar je kunt het zelf ook initiëren. Dat deed hij vaker de laatste jaren.

Naar zoiets kijk ik steeds vaker met bewondering. Het zijn geen grootse initiatieven. Niemand noemt het een project. Er is geen missionstatement, geen subsidieaanvraag, geen persbericht. Het mislukt half, of lukt bij toeval. Toch blijven mensen hangen, maken een praatje. Zo simpel kan het zijn. 

Ik bewonder niet zozeer de ondernemingszin als wel de achteloosheid. Niet wachten tot iemand belt. Je niet afvragen wat er van je wordt verwacht, en ook niet wat je zelf nog allemaal graag zou willen. Het is veel eenvoudiger: wat is hier nodig? Nou, dan gaan we dat doen. Van het clubje tuinierende buren dat hier inmiddels bij is aangehaakt, is iedereen van middelbare leeftijd. Maar een midlifecrisis? Nee, die hebben alleen de anderen.

 

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next