Hij viel op onder de jongerejaars politicologen (was het in 1980 of 1981?). Zijn haar was kroes, hijzelf bruin, en dat was uitzonderlijk in die academische kringen. En aanvankelijk begreep ik niet dat hij ook iets in mij zag, waarvan ik niet begreep wat het kon zijn. Gesprekje: was ik Surinaams? Ik zei, tamelijk verbijsterd: „nee”. Hij was de eerste man die ik ontmoette op de universiteit die mij herkende als een bepaald etnisch type, dat heel goed in Suriname geboren had kunnen zijn. Net als Carl Haarnack zelf. Ook hij was ‘gemengd’, met een vader uit Nederlands-Indië, een Duitse grootvader (Haarnack!) en een Surinaamse moeder.
Als driejarige verhuisde Carl naar Amsterdam, en als puberjongen zag hij in het toenmalige Tropenmuseum een foto van die Duitse grootvader. Weet wel dat de Surinaamse geschiedenis in die jaren nauwelijks op belangstelling in Nederland kon rekenen; en ook voor de jonge Carl was Suriname een blinde vlek, het land van zijn moeder, een gebied tot waar zijn geheugen niet reikte.
Het is de afgelopen maanden wel voorgekomen dat ik riep: alweer een programma, artikel, radioreportage over Suriname? Het is een weldadige overvloed die vijfenveertig jaar geleden ondenkbaar was. Suriname was van de Surinamers, ook als ze in Nederland woonden, en van een paar uitzonderlijke Nederlandse experts.
Laat ik mezelf als pijnlijk voorbeeld nemen: tot mijn achttiende dacht ik dat de mensen uit Suriname zwart waren, en die uit de toenmalige Antillen bruin.
Niemand heeft dat gebrek aan historisch bewustzijn zo gewroken als Haarnack, die als collectioneur met zijn ‘Buku Bibliotheca Surinamica’, een verzameling van zo’n 10.000 Surinaamse boeken, manuscripten, prentbriefkaarten, foto’s en schilderijen de blinde vlekken inkleurde.
En hij was ook zo gul die kennis te delen met anderen die over Surinaamse geschiedenis verhaalden, van schrijvers tot tv-ploegen en musea. Gelukkig werd hij daarvoor in december 2025 geëerd met de Amsterdamse Andreaspenning. Die officiële erkenning was ook net op tijd, want afgelopen zaterdag hoorde ik via via dat Carl Haarnack, die „goed ziek was” zoals hij me pas geleden mailde, was gestorven.
Maar ik zie vooral de jonge medestudent, die met zijn Amsterdamse accent mij de impliciete boodschap meegaf: hoezo zou een bruine of zwarte huidskleur, het Nederlanderschap en een gemêleerde etnische stamboom onverenigbaar zijn? Als ik naar Carl keek, kon ik ongeveer nagaan wat mensen zagen als ze naar mij keken. Dat klinkt absurd, maar in de spiegel zag ik het niet, en van mijn twee witte, Nederlandse ouders kon ik het niet afkijken. Maar Carl kon ik onmiddellijk plaatsen, als was hij vroeger een buurjongen geweest. Er was meteen verwantschap. Zijn gestalte, zijn doen en laten maakte dat mijn eigen, geadopteerde geschiedenis, waarin eerst Jamaica maar bij nader inzien toch Zuid-Afrika een belangrijke rol speelden, geen eigenaardig verzinsel was. Als Haarnack kon bestaan, maakte ik ook een kans.
Het lag bepaald niet voor de hand dat Haarnack als politicoloog van diezelfde linkse, Amsterdamse faculteit een belangrijk financiële man zou worden, een belegger voor grote Amerikaanse banken. Toen ik daar later achter kwam vond ik het fabelachtig. Het stelde hem ook in staat met eigen middelen die kostbare collectie op te bouwen. Hij hoefde niet op zijn eigen geschiedenis te teren of het bewijs van zijn huidskleur te leveren: hij koerste op zijn historische nieuwsgierigheid en zijn intuïtie.
Dat maakte hem tot een onafhankelijk man, die niet met elk nieuw, antiracistische zuchtje mee hoefde te puffen. Hij had zichzelf als het ware vrijgekocht.
Source: NRC