Home

Opinie: Vrijheid voor Iran begint met erkenning, daarom mogen wij niet wegkijken

Natuurlijk gaat de Iraanse bevolking zelf over de toekomst van haar land. Maar dat betekent niet dat we vanuit Nederland en Europa niks hoeven te doen.

Tussen Nederland en Iran liggen duizenden kilometers, maar voor veel Iraanse Nederlanders voelt die afstand kleiner dan ooit. Het bereikt ons via beelden, korte berichten en soms via lange stiltes, omdat het internet weer is uitgeschakeld. We volgen de protesten op afstand, maar emotioneel staan we er middenin. De machteloosheid van het toekijken, terwijl mensen daar alles riskeren, is moeilijk uit te leggen aan wie het niet kent.

In Iran gaan nu duizenden mensen de straat op, uit wanhoop én overtuiging. Niet vanwege één incident of één politieke beslissing, maar omdat het dagelijks leven ondraaglijk is geworden. De koopkracht is uitgehold, prijzen van basisproducten rijzen de pan uit en werk biedt steeds minder zekerheid. Jongeren zien nauwelijks perspectief, zelfs met opleiding en inzet.

Tegelijkertijd voelen veel mensen zich steeds verder beperkt in hun vrijheid: in wat ze mogen zeggen, hoe ze zich mogen gedragen en hoe ze hun leven mogen inrichten. Daar was al weinig van over. De optelsom van economische onzekerheid, sociale verstikking en een moreel vacuüm heeft zwijgen onmogelijk gemaakt. ‘Het hart kan het niet meer verdragen’, is het Iraanse gezegde.

Over de auteur

Elika Rehim Zadeh is gemeenteraadslid namens Denk Rotterdam.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Levendig gesprek

Ondertussen speelt zich in de Iraanse diaspora een levendig gesprek over de politieke koers van het land af. In huiskamers wordt gediscussieerd over de toekomst. Over staatsvormen, over mogelijke leiders, over hoe Iran er na een revolutie uit zou moeten zien.

Dat gesprek is begrijpelijk. Wie jaren in ballingschap leeft, denkt noodgedwongen vooruit. Dat maakt dat trauma’s, herinneringen en hoop in de diaspora sterk uiteenlopen. Voor sommigen staat de periode vóór 1979 symbool voor stabiliteit en nationale trots. Voor anderen juist voor een soortgelijke periode van uitsluiting en onderdrukking. Weer anderen willen helemaal niet terugkijken, maar vooruit.

Al die perspectieven bestaan naast elkaar en dat is legitiem. Het wordt pas moeilijk als deze verschillen ons afhouden van wat ons nu juist verbindt. Daarvoor is geen gezamenlijk manifest nodig en geen aangewezen leider. Wat de mensen verbindt, is geen uitgewerkt alternatief, maar een gedeelde conclusie: dit regime vertegenwoordigt Iraniërs niet meer. We delen dan misschien geen ideologie of overtuiging, maar wel een grens die is bereikt.

Ongemakkelijk

Vanuit Nederland voelt het soms ongemakkelijk om daar woorden aan te geven. Wie ben ik, op veilige afstand, om te duiden wat daar gebeurt? Tegelijkertijd voelen we hier de verantwoordelijkheid om te benoemen wat zichtbaar is: dit zijn geen geïsoleerde protesten meer, maar uitingen van een bevolking die uitgeput is door leiders die al jarenlang met geweld en onderdrukking regeren.

De machteloosheid zit hem juist daarin. Wij kunnen hier praten, schrijven en debatteren. Zij daar moeten rennen, schuilen en zwijgen. Wij analyseren scenario’s; zij nemen risico’s zonder te weten of er morgen ruimte is voor hoop.

Grote maatschappelijke veranderingen beginnen zelden met analyses of consensus. Die ontstaat pas later, als er ruimte is om vrij te spreken, te organiseren en te kiezen. En die vrijheid moet Iran en zijn volk krijgen. Wat nu telt, is erkenning. Erkenning dat de Iraanse bevolking zelf gaat over de toekomst van haar land. En erkenning, ook vanuit Nederland en Europa, dat neutraliteit in zo’n situatie niet hetzelfde is als afstandelijkheid.

Nederland heeft de afgelopen jaren de mogelijkheid gehad om het regime op economische en politieke manieren te beïnvloeden, bijvoorbeeld via handelsrelaties en diplomatieke druk. Door deze hefbomen te gebruiken had er een duidelijk signaal gegeven kunnen worden dat onderdrukking en mensenrechtenschendingen niet getolereerd worden. Tot nu toe zijn zulke maatregelen beperkt gebleven.

Zo is de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) nog steeds niet door Nederland of de Europese Unie officieel als terroristische organisatie bestempeld, ondanks herhaalde oproepen daartoe vanuit de Iraanse internationale gemeenschap. Ook het Comité Iran Vrij, dat zich inzet voor meer internationale druk, pleit al langere tijd voor zo’n stap als onderdeel van een consequenter beleid.

Ondanks de vele steunverklaringen uit de politiek, blijft de positie van de Nederlandse regering in deze ontwikkelingen beperkt. Zichtbare druk vraagt om beleid dat verder gaat dan verklaringen. Misschien dan niet over wie Iran straks zal leiden, maar dat Iraniërs zelf weer zeggenschap verdienen over hun toekomst.

Buitenlandse media

‘Na zijn succes in Venezuela lijkt Donald Trump te denken dat een buitenlandse interventie makkelijke winst oplevert’, aldus de Britse krant The Guardian in een hoofdredactioneel commentaar. ‘De Israëlische premier Benjamin Netanyahu heeft de mogelijkheid geopperd dat ‘het Iraanse volk zijn lot in eigen handen neemt’ en heeft er een geschiedenis van om de Amerikaanse president te overtuigen om roekeloze en gevaarlijke avonturen aan te gaan. Een Iran in interne chaos zou de Israëlische premier goed uitkomen. Maar Iraanse burgers en anderen in de regio zouden daar de prijs voor betalen. Destabilisatie zou kunnen leiden tot een versterking, in plaats van een verzwakking, van de macht van de Islamitische Revolutionaire Garde in Iran.’

‘Geen enkele instelling in Iran is momenteel belangrijker dan de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) en haar paramilitaire tak, de Basij’, betoogt de Amerikaanse luitenant-kolonel b.d. Robert Maginnis in een opiniestuk voor Fox News. ‘De IRGC controleert het leger en functioneert als een economisch imperium. Naast de interne veiligheid bepaalt de IRGC ook het buitenlands beleid van Iran – het houdt toezicht op de Iraanse raketten, regionale bondgenoten en buitenlandse operaties. De IRGC is er om de revolutie in het buitenland te verdedigen, terwijl de Basij, vaak omschreven als de ‘ogen en oren; van het regime, er zijn om de samenleving in eigen land te controleren. Revoluties slagen doorgaans niet omdat de menigte groter wordt, maar omdat de veiligheidsdiensten uiteindelijk stoppen met het opvolgen van bevelen.’

‘Uiteindelijk kondigen de protesten in Iran geen ineenstorting aan; ze kondigen uitputting aan. Ze markeren de langzame erosie van een bestuurlijk evenwicht dat niet langer economische zekerheid, sociale waardigheid of politieke betekenis kan bieden’, aldus Eko Ernada, hoofddocent Internationale Betrekkingen aan de Universiteit van Jember, in een opiniestuk voor Middle East Monitor (MEMO). ‘Wie voorbij Iran kijkt, ziet bovendien dat de protesten een bredere regionale waarheid blootleggen: in het hele Midden-Oosten bereiken bestuursmodellen gebaseerd op repressie, cliëntelisme en afhankelijkheid van buitenlandse inkomsten hun economische grenzen. Van Libanon tot Egypte, van Irak tot Tunesië, economische onzekerheid blijkt schadelijker dan ideologische oppositie alleen.’
Iñaki Oñorbe Genovesi

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next